Hoofdstuk 2: Het kind en zijn ontwikkeling: verkennen
1 Inleiding
-> ontwikkeling van kinderen en hun leef- en belevingswereld
-> zicht op de verschillende manieren die er bestaan om zo goed mogelijk met hun om te
gaan
-> focus op ontwikkelingspsychologie
Kind dat beschreven wordt in deze cursus is een kind dat:
Opgroeit in onze hedendaagse, westerse samenleving
Zich goed voelt in zijn vel en opgroeit in een omgeving die stimuleert
Gezond is
2 Algemeen deel
-> elk kind is anders je verwachtingspatroon ligt anders, je eigen gedrag dus ook
-> zicht op een individueel kind kan wanneer je hiervoor een referentiekader hebt
-> gemiddelde beschrijving mag niet als norm gehanteerd worden
Diversiteit in de ontwikkeling
-> omgevingsfactoren spelen een rol in ontwikkeling
2.1 Wat is ontwikkeling?
-> voortgang, verandering
2.2 Hoe ontstaat ontwikkeling?
De natuur (nature)
-> erfelijke aanleg
De omgeving (nurture)
-> invloeden van buitenaf
Zelfbepaling
-> vrije keuzes
Nativistische theorie of aanlegtheorie:
-> ontwikkeling van binnenuit tot stand komt en bepaald wordt door je aanleg
Sociologische theorie of milieutheorie:
-> ontwikkeling kan maar gebeuren dankzij opvoeding en het milieu waarin het kind opgroeit
Interactionistische theorie:
-> dynamisch proces waarin aanleg- en omgevingsinvloeden elkaar wederzijds beïnvloeden
-> belang van het creëren van een rijk milieu
,2.3 Hoe verloopt ontwikkeling?
Continue verandering <-> discontinue verandering
-> periodes waarin de ontwikkeling zeer geleidelijk gaat (continue verandering)
-> periodes waarin ontwikkeling zeer snel gaat, af vlakken naar een plateau om daarna weer
sneller groeibeeld te geven (discontinue verandering)
Kritieke of gevoelige periode
-> periode waarin het kind bij uitstek vatbaar is voor het leren van een bepaalde vaardigheid
-> hier past ook het begrip ‘zone van de naaste ontwikkeling’
3 De babyperiode (0 - 12 maanden)
-> zie samenvatting canvas
4 De peuter (1 - 3 jaar) en jonge kleuter (3 - 4,5 jaar)
-> zie samenvatting canvas
5 De oudere kleuter
5.1 Lichamelijke en motorische ontwikkeling
Fysieke kenmerken
Hoofd, romp en benen zijn in verhouding
115 – 120cm en 18 – 20kg
Molligheid en ronde vormen verdwenen -> slankheid
Zenuwstelsel in grote mate voltooid
Lichaamsbesef
Besef van lichaamsschema groeit:
De verdere differentiatie
-> afzonderlijke lichaamsdelen kunnen gelokaliseerd en benoemd worden
(Bv. Namen van de vingers)
De beginnende lateralisatie
-> linker- en rechterhelft kunnen los van elkaar functioneren
-> taakverdeling: ene hand voert uit, andere assisteert
-> voorkeurshand
Motorische ontwikkeling
De coördinatie van bewegingen groeit, steeds meer complexe bewegingspatronen worden
mogelijk.
Grove motoriek
-> bewegingen veel behendiger
(Bv. Gerichter gooien, zwemmen, fietsen, controle evenwicht …)
Fijne motoriek
, -> een goede vingervaardigheid (Bv. Knopen open en dicht doen, schoenen aan en
uit, knippen op lijn …)
5.2 Zintuiglijke ontwikkeling
-> Horen en zien worden de dominante zintuigen
-> Aandacht voor details
-> ‘vergelijkend waarnemen’: ziet kleine verschillen
-> nieuwsgierigheid: oog voor verbanden en structuren, aandacht voor delen en gehelen
-> ziet op tweedimensionaal vlak op een tekening
5.3 Cognitieve ontwikkeling
Verworven denkcapaciteiten
Geheugen
-> goed ontwikkeld
-> intense ervaringen worden in geheugen geprent
Representeren
-> vrij goede verbale taal
-> individuele verschillen
Perspectief nemen
-> verlaat egocentrisch standpunt en is in staat perspectief te nemen
Reflecteren
-> in staat om terug te denken, te reflecteren
-> afstand van het hier en nu
-> meer plannen en onderlinge afspraken maken
Fantaseren
-> niet zomaar op los fantaseren, maakt gebruik van zijn kennis hoe dingen in elkaar zitten
-> objectieve instelling
Vragen stellen
-> ‘waarom’ vragen
Verbanden leggen
-> Logische regels die ze onder de knie hebben:
Oorzaak-gevolg
Middel-doel
Eenvoudige negaties
Herkennen van gemeenschappelijke kenmerken
Generaliseren (veralgemenen)
-> vaak foutieve conclusies
Regels hebben immers uitzonderingen
Automatisch een verband
Problemen oplossen
1 Inleiding
-> ontwikkeling van kinderen en hun leef- en belevingswereld
-> zicht op de verschillende manieren die er bestaan om zo goed mogelijk met hun om te
gaan
-> focus op ontwikkelingspsychologie
Kind dat beschreven wordt in deze cursus is een kind dat:
Opgroeit in onze hedendaagse, westerse samenleving
Zich goed voelt in zijn vel en opgroeit in een omgeving die stimuleert
Gezond is
2 Algemeen deel
-> elk kind is anders je verwachtingspatroon ligt anders, je eigen gedrag dus ook
-> zicht op een individueel kind kan wanneer je hiervoor een referentiekader hebt
-> gemiddelde beschrijving mag niet als norm gehanteerd worden
Diversiteit in de ontwikkeling
-> omgevingsfactoren spelen een rol in ontwikkeling
2.1 Wat is ontwikkeling?
-> voortgang, verandering
2.2 Hoe ontstaat ontwikkeling?
De natuur (nature)
-> erfelijke aanleg
De omgeving (nurture)
-> invloeden van buitenaf
Zelfbepaling
-> vrije keuzes
Nativistische theorie of aanlegtheorie:
-> ontwikkeling van binnenuit tot stand komt en bepaald wordt door je aanleg
Sociologische theorie of milieutheorie:
-> ontwikkeling kan maar gebeuren dankzij opvoeding en het milieu waarin het kind opgroeit
Interactionistische theorie:
-> dynamisch proces waarin aanleg- en omgevingsinvloeden elkaar wederzijds beïnvloeden
-> belang van het creëren van een rijk milieu
,2.3 Hoe verloopt ontwikkeling?
Continue verandering <-> discontinue verandering
-> periodes waarin de ontwikkeling zeer geleidelijk gaat (continue verandering)
-> periodes waarin ontwikkeling zeer snel gaat, af vlakken naar een plateau om daarna weer
sneller groeibeeld te geven (discontinue verandering)
Kritieke of gevoelige periode
-> periode waarin het kind bij uitstek vatbaar is voor het leren van een bepaalde vaardigheid
-> hier past ook het begrip ‘zone van de naaste ontwikkeling’
3 De babyperiode (0 - 12 maanden)
-> zie samenvatting canvas
4 De peuter (1 - 3 jaar) en jonge kleuter (3 - 4,5 jaar)
-> zie samenvatting canvas
5 De oudere kleuter
5.1 Lichamelijke en motorische ontwikkeling
Fysieke kenmerken
Hoofd, romp en benen zijn in verhouding
115 – 120cm en 18 – 20kg
Molligheid en ronde vormen verdwenen -> slankheid
Zenuwstelsel in grote mate voltooid
Lichaamsbesef
Besef van lichaamsschema groeit:
De verdere differentiatie
-> afzonderlijke lichaamsdelen kunnen gelokaliseerd en benoemd worden
(Bv. Namen van de vingers)
De beginnende lateralisatie
-> linker- en rechterhelft kunnen los van elkaar functioneren
-> taakverdeling: ene hand voert uit, andere assisteert
-> voorkeurshand
Motorische ontwikkeling
De coördinatie van bewegingen groeit, steeds meer complexe bewegingspatronen worden
mogelijk.
Grove motoriek
-> bewegingen veel behendiger
(Bv. Gerichter gooien, zwemmen, fietsen, controle evenwicht …)
Fijne motoriek
, -> een goede vingervaardigheid (Bv. Knopen open en dicht doen, schoenen aan en
uit, knippen op lijn …)
5.2 Zintuiglijke ontwikkeling
-> Horen en zien worden de dominante zintuigen
-> Aandacht voor details
-> ‘vergelijkend waarnemen’: ziet kleine verschillen
-> nieuwsgierigheid: oog voor verbanden en structuren, aandacht voor delen en gehelen
-> ziet op tweedimensionaal vlak op een tekening
5.3 Cognitieve ontwikkeling
Verworven denkcapaciteiten
Geheugen
-> goed ontwikkeld
-> intense ervaringen worden in geheugen geprent
Representeren
-> vrij goede verbale taal
-> individuele verschillen
Perspectief nemen
-> verlaat egocentrisch standpunt en is in staat perspectief te nemen
Reflecteren
-> in staat om terug te denken, te reflecteren
-> afstand van het hier en nu
-> meer plannen en onderlinge afspraken maken
Fantaseren
-> niet zomaar op los fantaseren, maakt gebruik van zijn kennis hoe dingen in elkaar zitten
-> objectieve instelling
Vragen stellen
-> ‘waarom’ vragen
Verbanden leggen
-> Logische regels die ze onder de knie hebben:
Oorzaak-gevolg
Middel-doel
Eenvoudige negaties
Herkennen van gemeenschappelijke kenmerken
Generaliseren (veralgemenen)
-> vaak foutieve conclusies
Regels hebben immers uitzonderingen
Automatisch een verband
Problemen oplossen