Topic 1: Beschrijven en voorstellen van gegevens
Statistiek
Deel 1: beschrijvende statistiek = descriptieve statistiek
data gaan …
- sorteren
- samenvatten
- beschrijven
- voorstellen
→ nodig voor de analyse, weten hoe data eruit ziet
Deel 2: inductieve statistiek = inferentiële statistiek
1. populatie parameters gaan schatten
2. hypotheses gaan testen
van beschrijvende statistiek → inductieve statistiek
populatie: vaak te groot → beroep doen op steekproef die we nemen uit populatie → daaruit u beschrijvende statistiek doen →
iets te weten komen over populatie
Populatie
= verzameling van subjecten die op zijn minst één karakteristiek (eigenschap) gemeen hebben
→ moeten geen mensen zijn = entiteiten
N = doorgaans onbeperkt groot
Populatie moet duidelijk gedefinieerd worden, nauw omschreven: 1ste jaarsstudenten in het academiejaar 2024- 2025 aan de
Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de UGent
Steekproef
= deelverzameling van subjecten (toevallig) getrokken uit de studiepopulatie
= deelverzameling van entiteiten
n = steekproefgrootte (is steeds eindig)
Belangrijk:
- steekproef moet representatief zijn voor de populatie (vermijden van bias) → toeval moet rol spelen
- steekproef wordt gebruikt voor het schatten van de populatieparameters en voor het testen van hypothesen
1
,
Variabelen
= Karakteristiek van een populatie die verschillende waarden kunnen aannemen
→ hoofdletter X: bv leeftijd
Waarden in steekproef:
- x1 = 18 jaar
- x2 = 18 jaar
- x3 = 19 jaar
- …
Onafhankelijke variabele: beïnvloedt of veroorzaakt de studievariabelen
Afhankelijke variabele: wordt beïnvloed door andere variabelen
Bv. Verschil in spierkracht tussen mannen en vrouwen
- spierkracht = afhankelijk
- geslacht = onafhankelijk
Attribuut
= Een specifieke waarde die men aan een variabele toekent
Meetniveau variabele !!
4 meetniveaus op ranking (laag → hoog)
Categorische variabelen → cijfers gebruiken om categorien te benoemen maar hebben geen betekenis!
→ bv geslacht, enkel doel om te benoemen om welke categorie het gaat (2 is niet dubbel van 1)
→ bv olympische spelen medailles (ordinaal): 1: goud, 2: zilver → afstanden van cijfers hebben geen betekenis (kan ook 13: goud,
67: zilver, …) → rangorde moet wel gerespecteerd worden (goud wel kleiner dan zilver)
- Nominale variabele: geslacht, oogkleur, bloedgroep, ja-nee vraag
1. antwoordmogelijkheden bestaan uit categorieën
2. zijn mutueel exclusief (elkaar wederzijds uitsluitend, je kan niet in 2 of meerdere categorien zitten)
3. geen rangorde mogelijk
- Ordinale variabele: leeftijd uitgdrukt in leeftijdcategorien, graden van letsels (kanker), inkomensniveaus van patiënten
1. categorieën
2. mutueel exclusief
3. wel rangorde mogelijk! → iem in categorie 2 ouder dan in 1 en jonger dan in 3
Numerieke variabelen → cijfers wel een betekenis
→ bij celcius niet zeggen dubbele, kelvin mag dat wel
- Interval: temperatuur in celsius (interval tussen 40-30 en 10-20 is hetzelfde, 40 is niet het dubbele van 20!!)
- variabele waarbij op meetschaal gelijke intervallen overeenkomen met gelijke verschillen
- geen absoluut nulpunt (dus celsius): 0 betekent niet de afwezigheid van iets (0° is gwn toestandsovergang, wel
nog steeds temperatuur)
- Ratio: temperatuur in kelvin (60K is het dubbele van 30K), lichaamslengte, lichaamsgewicht, bloeddruk
- wel absoluut nulpunt (0 K= geen temperatuur)
→ interval en ratio vaak samennemen
Bloeddruk: uitdrukken in verschillende eenheden
→ eenheid bepaalt meetniveau (wat is meetniveau van bloeddruk, leeftijd → niet zeggen want hangt af van de eenheid)
2
, - Discreet: # kinderen in gezin (2,31 niet mogelijk)
- als die discreet aftelbaar is: je kunt het tellen
- Continu: lichaamsgewicht in kg
- kan continu variëren: daartussen oneindig opties
- hoe klein je interval ook maakt → oneindig veel mogelijkheden
- Kwalitatief: nominaal, ordinaal
- Kwantitatief: interval, ratio
- Dichotome variabele: categorische variabele die bestaat uit 2 categorien (bv ja-nee vraag)
- Binaire variabele: cijfer 0 en 1 gebruiken
- Hercoderen: leeftijd van patiënt vragen (ratio) → hercoderen
VAS: visual analogue scale 0-10
→ ik heb 5/10 pijn → vb van ordinale schaal
→ streep zetten, afstand meten → bv van ratiovariabelen (of continu)
Beschrijvende statistiek
Van 2 maten gebruikmaken:
- Centrale maten: data vaak centreren rond bepaalde waarde
- rekenkundig gemiddelde
- mediaan
- modus
- Spreidingsmaten: hoe ligt dat gespreid tov centrale maat
- variantie - standaarddeviatie - variatiecoëfficiënt
- interkwartielafstand(-interval), percentielen
- bereik
Rekenkundig gemiddelde
𝑥 = steekproefgemiddelde
→ is een statistiek
→ steekproefgemiddelde als schatting voor populatiegemiddelde
μ: populatiegemiddelde
s: steekproef
p (parameter): populatie
Voor welke variabele dat doen? INTERVAL + RATIO
→ niet voor nominale, ordinale
Mediaan
= Middelste waarde na rangschikken van klein naar groot
→ Indien n even: twee middelste waarden => gemiddelde nemen
Voor welke variabele dat doen? INTERVAL + RATIO + ORDINALE
→ niet voor nominale want je mag niet rangschikken
3