Ontwikkelingspsychologie: de wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit bij
mensen, van conceptie tot ouderdom, maar met name op de jaren tot de volwassenheid. Jaren met
de meeste veranderingen
- Verschillende leeftijdscategorieën
- Verschillende thema’s binnen de ontwikkelingspsychologie
o Fysiek; invloed van ons lichaam (hersenen, zenuwen spieren en zintuigen) op het
gedrag. Ook de invloed van voeding
o Cognitief; verandering in intellectuele vermogen die het gedrag beïnvloedt. Ook de
manier waarop een trauma is ervaren
o Sociaal-emotioneel; veranderingen die de emoties beïnvloeden.
o Persoonlijkheid; stabiliteit en veranderingen van de karaktereigenschappen die het
ene individu van het ander onderscheid
Leeftijdsgroepen
- Prenataal = tot geboorte
- Babytijd = tot 2 jaar
- Peuter- kleutertijd = tot 6 jaar
- Schoolkind = tot 12 jaar
- Adolescentie = tot 20
In werkelijkheid wijkt dit af, snelheid van ontwikkeling verschilt, dit heeft biologische maar ook
omgevingsfactoren.
Door eigen ervaringen gaan we bedenken wat normaal is en wanneer er iets van afwijkt. Hieruit
ontstaan onze theorieën, maar dit komt ook door wat we in de media zien. Wetenschappelijke
theorieën zijn formeler en daar kunnen betere conclusies uit worden getrokken
Psychodynamisch perspectief
Gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten en herinneringen waar een persoon zich
nauwelijks van bewust is en weinig controle heeft. Ontstaan in de kindertijd.
Theorie van Freud
Onbewuste krachten bepalend voor de persoonlijkheid. Iets wat vroeger is gebeurd of juist niet in de
kindertijd wordt later gecompenseerd door dit extra te vragen. Dit gevoel komt vanuit het
onderbewuste.
- Id; zo min mogelijk spanning zoveel mogelijk genot; ook wel het genotsprincipe. Honger seks
en agressie
- Ego; realiteitsprincipe= rationele en redelijke deel van de persoonlijkheid.
- Superego; vertegenwoordigt iemands geweten. Onderscheid tussen goed en kwaad.
Ook beweert hij dat de psychoseksuele ontwikkeling in verschillende fases op verschillende delen
van het lichaam bevredigt moet worden. Bij fixatie, iets wat misgaat, heeft dit later gevolgen. (1
oraal, 2 anaal, 3 genitaal)
Theorie Erik Erikson
,Mensen worden zowel gevormd als belemmerd door cultuur en samenleving. Verandering in
interacties en in hoe we aankijken tegen het gedrag van anderen en onszelf binnen de maatschappij.
(Psychosociale ontwikkeling). Zie tabel 2.1 voor 8 stadia van erikson.
Freud denkt dat ontwikkeling compleet is na adolescentiefase, Erikson denkt dat dit de ontwikkeling
door blijft gaan, volgends hem juist een startpunt van de ontwikkeling van de eigen identiteit. Op
beide theorieën valt kritiek te leveren 1 te veel gebaseerd op een klein groep/ klasse, de ander met
name op mannen.
Het behavioristisch perspectief
Bestudeert volledig van buitenaf en neemt waar. Omgeving (nurture) is belangrijker dan nature
(erfelijkheid). De theorie wordt verworpen dat je bepaalde stadia langsloopt, want je wordt gewoon
onverwachts blootgesteld aan dingen in je omgeving die je gedrag beïnvloeden.
Watson: je kunt een kind volledig begrijpen door zorgvuldig naar de stimuli in zijn omgeving te
kijken. Je kunt elke gedrag oproepen door de omgeving van het individu een bepaalde richting in te
sturen.
Stimilus-respons-leren; Je wordt gestimuleerd door dingen uit de omgeving en hier reageer je dan
op
Klassieke conditionering
Een vorm van leren waarbij een organisme op een bepaalde manier leert reageren op een neutrale
stimulus die dat type respons normaal gesproken niet uitlokt. Als iets verbonden wordt aan iets
anders, bijv. Eten met een bel, dan ga je hierop het zelfde reageren. Een neutrale stimilus is vaak
sterker bij een negatieve ervaring
Operante conditionering
Een vorm van leren waarbij een vrijwillige respons versterkt of verzwakt wordt, afhankelijk van
associatie met positieve of negatieve consequenties. (Skinner) individuen reageren doelbewust om
bepaalde consequenties te creëren. Bij een positieve consequentie bestaat de kans dat het gedrag
zich herhaalt (reinforcement). Door iets te straffen zal het gedrag afnemen.
Sociaal cognitieve leertheorie
Nadruk ligt op het leren door het gedrag van een ander te observeren en te imiteren..
1. Aandacht; gedrag van model waarnemen
2. Retentie; later het gedrag nog herinneren
3. Reporductie; eerder geziene gedrag reproduceren
4. Motivatie; gedreven om het gedrag na te doen
Cognitief perspectief
Babyfase
Teratogeen effect: omgevingsfactor tijdens de zwangerschap, die kan leiden tot een
geboorteafwijking, bevallingsproblemen of een miskraam.
Foetaal alcoholsyndroom (fas): een cognitieve stoornis veroorzaakt door alcoholmisbruik tijdens de
zwangerschap.
,Reflex: niet aangeleerde, onvrijwillige respons die optreedt bij een bepaalde stimuli.
Fysieke ontwikkeling
Plasticiteit = de mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur
veranderbaar is.
Gevoelige periode = een afgebakende tijdspanne, meestal vroeg in het leven, waarin mensen extra
gevoelig zijn voor omgevinsinvloeden en sterk ontvankelijk zijn voor het leren van specifieke
vaardigheden.
Lichaam bestaat vooral uit vet, weinig kracht reageren voornamelijk door reflexen
- Gameten: geslachtscellen van de moeder en vader die een nieuwe cel vormen tijdens de
bevruchting
- Zygote: de oercel; het begin van leven, binnen het uur van bevruchting als het levensvatbaar
is
- Genotype: genetisch materiaal dat aanwezig is op een chromosoom (uiterlijk niet altijd
zichtbaar) (verbogen kleur ogen)
- Fenotype: het kenmerk dat je daadwerkelijk ziet (kleur ogen)
- Multifactorieel overerving: eigenschappen worden bepaald door een combinatie van
genetische en omgevingsfactoren
- Teratogeen effect (nurture): omgevingsfactor die kan leiden tot een geboorteafwijking,
belangrijk in welke fase de blootstelling gebeurt, wat voor invloed het heeft. (Leeftijd
gezondheid, voeding, middelen, gedrag van mensen om zich heen)
Failure-to-thrive-syndroom: Kinderen stoppen met groeien door gebrek aan liefde en emotionele
ondersteuning van de ouders.
Cognitieve ontwikkeling
, Piaget – actie = kennis. Overgang tussen stadia vindt plaats wanneer een kind het juiste niveau van
fysieke rijping heeft bereikt en blootgesteld is aan relevante ervaringen.
1. Sensomotorische stadium; eerste stadium, waarin het kind sterk afhankelijk is van zijn
aangeboen motorische reacties op een stimuli
2. Preoperationele stadium
3. Formeel operationele stadium
Circulaire reactie: een activiteit die de ontwikkeling van cognitieve schema's mogelijk maakt, dankzij
de herhaling van een willekeurige motorische handeling.
Intentioneel gedrag: waarbij verschillende schema’s gecombineerd en gecoördineerd worden tot 1
enkele actie om een probleem op te lossen
Objectpermanentie: het besef dat mensen en object niet ophouden met bestaan ook al zijn ze
onzichtbaar.
Mentale representatie: een innerlijke voorstelling van een gebeurtenis of object
Infantiele amnesie: de afwezigheid van herinneringen aan ervaringen voor het derde levensjaar
Adaptatie: de neiging van iemand om zich aan te passen aan zijn omgeving
Assimilatie: het proces waarbij mensen een nieuwe ervaring interpreteren aan de hand van hun
huidige cognitieve ontwikkelingsstadium en denkwijze
Accommodatie: proces waarbij bestaande manieren van denken of doen veranderen in reactie op
nieuwe stimuli of gebeurtenissen
Taal
Fonologie = klanken, morfemen = kleinste betekeniseenheden, semantiek = het geheel van regels
Pr linguïstische communicatie: communicatie door middel van geluiden, gezichtsuitdrukkingen,
gebaren, imitatie en andere niet linguïstische middelen.
Eerst brabbelen dan de eerste woorden (10tot 14 maanden), tot 18 maanden dan eindigt het
eenwoordstadium. Tot 24 maanden neemt vocabulaire dan toe tot 400 woorden. Woorden die niet
cruciaal zijn worden nog vaak weggelaten (telegramstijl)
Onderextensie: de gewoonte om woorden te beperkt te gebruiken, iets wat veel voor komt bij jonge
kinderen die net leren praten.
Overextensie: de gewoonte om woorden te algemeen te gebruiken waardoor de betekenis te
gegeneraliseerd worden.
- De leertheorie: napraten, modelleren; vanuit behavioristisch perspectief die zegt dat de
ontwikkeling van gedrag, en dus ook taal verloopt via de wetten van bekrachtiging en
conditionering
- De nativistische benadering (Chomsky): aangeboren mechanisme om te praten en leren
vanzelf te praten (wel sociale interactie vereist); visie dat er een genetisch bepaald,
aangeboren mechanisme staat dat de ontwikkeling van taal aanstuurt.
- De interactionele benadering: combinatie