Pathologie college 1
Psychiatrische patiënten
Gezond functioneren
-Pas vast te stellen als we weten wat gezond functioneren is
-Kennis van verschillende (mentale) functies is belangrijk om problemen te traceren.
-Over lichamelijke functies is meer consensus dan over psychische functies en gedrag.
-Opvattingen over wat normaal is en wat niet kan variëren per tijdsperiode, regio en
(sub)cultuur.
Wat kan ik observeren en wat is mijn interpretatie?
Bij psychose:
Teveel meegaan, gaat hij nog meer in fantasie op
Beter vertellen ‘dit is mijn realiteit, maar ik luister naar die van u. er zit een verschil in en
laten we samen ernaar kijken’.
Bij dementie:
Meegaan met fantasie (ligt aan persoon of hij/zij het aankan)
Wanneer we mogen spreken van psychische problemen:
-Mensen lopen vast in dagelijkse leven (met jezelf, in contact met ander, in omgeving ->
levensgebieden bv werk/studie)
Psychische problemen
Problemen zijn dimensioneel en dynamisch van aard in loop van de tijd variëren problemen
in:
-Ernst, intensiteit (hoe erg is het?)
-Frequentie (vaak komt het voor?)
-Impact (hoe groot is de impact? Lijdensdruk)
Kwetsbaarheden:
-Familiare belasting (genetisch/nature)
-Manier van opvoeding (omgeving/nurture)
Stimuli:
-Prikkel
Beschermingsfactoren:
-Manieren om jezelf te beschermen
-Copingsmechanismes
Dynamisch:
-Wisseling (soms last, soms niet)
,Voorbeeld
Angst is subjectief = Hoe zit patiënt angst
Centrale vraag bij iemand met angst probleem: Kan de angstige patiënt nog functioneren
binnen de persoonlijke of maatschappelijke normen?
-Diagnoses worden vastgesteld op grond van symptomen ((symptoom)diagnose) en niet op
basis van oorzaak (want die weten we vaak niet)
-Veel symptomen zijn transdiagnostisch, ze overlappen met verschillende diagnoses
Diagnostische problemen
-Ontbrekende kennis over oorzaken
-Minder objectieve testen
-Grote variatie in ziekteverschijnselen en beloop
-Geen enkele psychiatrische patiënt is exact hetzelfde
-Officieel om het halfjaar opnieuw diagnosticeren
Klacht heeft vele dimensies
-Kwaliteit: Aard van de klachten
-Chronologisch: Ontwikkeling van de klachten over tijd
-Kwantiteit: Ernst van klachten (invloed op functioneren)
-Setting: Waar en wanneer zijn er klachten?
-Beïnvloedende factoren: Factoren waardoor klachten toe- of afnemen
-Begeleidende symptomen: Andere symptomen die passen bij de klachten
-Eigen visie patiënt: Hoe verklaart de patiënt zijn klachten?
Centrale vragen
,Het stellen van (ongeveer) de volgende vragen maakt duidelijk dat je de patiënt/cliënt als
persoon wil zien in zijn (brede) context:
-Wat is er met je gebeurd?
-Wat is je kwetsbaarheid en je weerbaarheid?
-Waar wil je naar toe?
-Wat heb je nodig?
Klachten deel je in 3 hoofdgroepen
-Cognitieve functies (kennis)
-Affectieve functies (emoties)
-Conatieve functies (psychomotoriek)
, Delier
-Acuut optredende verwardheid
-Vooral bij oudere mensen
-In het ziekenhuis (maar ook soms thuis)
-Risicofactoren
-Preventie en vroegtijdige herkenning
Herkennen van een delier
A. Bewustzijnsniveau
-Alert
-Werkzaam
-Lethargisch (slaperig)
-Stupor (moeilijk wekbaar)
-Coma (niet wekbaar)
B. Oriëntatie
-In dag en tijd (welke dag en hoe laat?)
-In plaats (waar hij is)
-In persoon (wie hij is)
C. Had de patiënt moeite zich te concentreren? (Bv snel afgeleid, moeite aandacht
gesprek)
D. Wat valt je op aan de waarneming?
E. Was het denken van de patiënt ongeorganiseerd of incoherent?
Psychiatrische patiënten
Gezond functioneren
-Pas vast te stellen als we weten wat gezond functioneren is
-Kennis van verschillende (mentale) functies is belangrijk om problemen te traceren.
-Over lichamelijke functies is meer consensus dan over psychische functies en gedrag.
-Opvattingen over wat normaal is en wat niet kan variëren per tijdsperiode, regio en
(sub)cultuur.
Wat kan ik observeren en wat is mijn interpretatie?
Bij psychose:
Teveel meegaan, gaat hij nog meer in fantasie op
Beter vertellen ‘dit is mijn realiteit, maar ik luister naar die van u. er zit een verschil in en
laten we samen ernaar kijken’.
Bij dementie:
Meegaan met fantasie (ligt aan persoon of hij/zij het aankan)
Wanneer we mogen spreken van psychische problemen:
-Mensen lopen vast in dagelijkse leven (met jezelf, in contact met ander, in omgeving ->
levensgebieden bv werk/studie)
Psychische problemen
Problemen zijn dimensioneel en dynamisch van aard in loop van de tijd variëren problemen
in:
-Ernst, intensiteit (hoe erg is het?)
-Frequentie (vaak komt het voor?)
-Impact (hoe groot is de impact? Lijdensdruk)
Kwetsbaarheden:
-Familiare belasting (genetisch/nature)
-Manier van opvoeding (omgeving/nurture)
Stimuli:
-Prikkel
Beschermingsfactoren:
-Manieren om jezelf te beschermen
-Copingsmechanismes
Dynamisch:
-Wisseling (soms last, soms niet)
,Voorbeeld
Angst is subjectief = Hoe zit patiënt angst
Centrale vraag bij iemand met angst probleem: Kan de angstige patiënt nog functioneren
binnen de persoonlijke of maatschappelijke normen?
-Diagnoses worden vastgesteld op grond van symptomen ((symptoom)diagnose) en niet op
basis van oorzaak (want die weten we vaak niet)
-Veel symptomen zijn transdiagnostisch, ze overlappen met verschillende diagnoses
Diagnostische problemen
-Ontbrekende kennis over oorzaken
-Minder objectieve testen
-Grote variatie in ziekteverschijnselen en beloop
-Geen enkele psychiatrische patiënt is exact hetzelfde
-Officieel om het halfjaar opnieuw diagnosticeren
Klacht heeft vele dimensies
-Kwaliteit: Aard van de klachten
-Chronologisch: Ontwikkeling van de klachten over tijd
-Kwantiteit: Ernst van klachten (invloed op functioneren)
-Setting: Waar en wanneer zijn er klachten?
-Beïnvloedende factoren: Factoren waardoor klachten toe- of afnemen
-Begeleidende symptomen: Andere symptomen die passen bij de klachten
-Eigen visie patiënt: Hoe verklaart de patiënt zijn klachten?
Centrale vragen
,Het stellen van (ongeveer) de volgende vragen maakt duidelijk dat je de patiënt/cliënt als
persoon wil zien in zijn (brede) context:
-Wat is er met je gebeurd?
-Wat is je kwetsbaarheid en je weerbaarheid?
-Waar wil je naar toe?
-Wat heb je nodig?
Klachten deel je in 3 hoofdgroepen
-Cognitieve functies (kennis)
-Affectieve functies (emoties)
-Conatieve functies (psychomotoriek)
, Delier
-Acuut optredende verwardheid
-Vooral bij oudere mensen
-In het ziekenhuis (maar ook soms thuis)
-Risicofactoren
-Preventie en vroegtijdige herkenning
Herkennen van een delier
A. Bewustzijnsniveau
-Alert
-Werkzaam
-Lethargisch (slaperig)
-Stupor (moeilijk wekbaar)
-Coma (niet wekbaar)
B. Oriëntatie
-In dag en tijd (welke dag en hoe laat?)
-In plaats (waar hij is)
-In persoon (wie hij is)
C. Had de patiënt moeite zich te concentreren? (Bv snel afgeleid, moeite aandacht
gesprek)
D. Wat valt je op aan de waarneming?
E. Was het denken van de patiënt ongeorganiseerd of incoherent?