Cytologie:
1) Bespreek de opbouw van de nucleus en nucleolus.
Nucleus
- Diameter : 5-25 μm afhankelijk van ouderdom, celgrootte en fysiologische toestand
- Controlecentrum van alle cellulaire activiteit
- Variabele morfologie
- Prokaryoten, bacteriën en erythrocyten bij mammalia hebben geen celkern maar wel organellen
die homoloog zijn = genofoor of nucleoïd
- cellen met 2 kernen vb hepatocyt
- cellen met meerdere kernen vb skeletspier (dwarsgestreept spierweefsel)
- bevat chromosomaal DNA en systeem voor RNA synthese
- Plaats van transcriptie : vertalen van de genetische code op het DNA naar een m-RNA streng dat
de celkern mag verlaten
- DNA opslag (chromatine = geheel van chromosomen in de interfase toestand)
o Euchromatine : ontvouwen DNA (weinig elektronendens)
o Heterochromatine : opgevouwen DNA (elektronendens)
- Hydropische kern
o Kern met hoge transcriptie-activiteit
o Veel euchromatine
o Vaak groter en groter watergehalte
o Kan ook een kwaadaardige cel zijn (cfr tumor)
- Pycnotische kern
o Geringe of afwezige proteïnesynthese
o Chromatine één dichte samengepakte massa
o Soms eerste teken van celdood
- Constitutief heterochromatine = delen van bepaalde chromosomen die in alle cellen
heterochromatisch zijn bv lichaampjes van Barr
- Facultatief heterochromatine = delen van chromosomen die in de ene cel wel en in de andere cel
niet heterochromatisch zijn
Nucleolus
- Diameter : 1-3 μm
- Biochemisch en structureel duidelijk te onderscheiden met de rest van de kern
- Productie-eenheid van pre-ribosomale subeenheden (bevat dus veel RNA en
ribonucleoproteïnen)
- Grootte, vorm en aantal varieert naargelang organisme, celtype en fysiologische activiteit cel
Kernmembraan/ kernevenloppe
- Barrière tussen kern en cytosol
- 2 parallele membranen waartussen een perinucleaire ruimte zit
- Tegen binnenmembraan zit lamina densa, een netwerk van fibreuze proteïnen (laminen)
elektronendens
- Openingen in kernmembraan = kernporiën (aantal hangt samen met niveau van eiwitsynthetische
activiteit)
1) Bespreek de opbouw van de nucleus en nucleolus.
Nucleus
- Diameter : 5-25 μm afhankelijk van ouderdom, celgrootte en fysiologische toestand
- Controlecentrum van alle cellulaire activiteit
- Variabele morfologie
- Prokaryoten, bacteriën en erythrocyten bij mammalia hebben geen celkern maar wel organellen
die homoloog zijn = genofoor of nucleoïd
- cellen met 2 kernen vb hepatocyt
- cellen met meerdere kernen vb skeletspier (dwarsgestreept spierweefsel)
- bevat chromosomaal DNA en systeem voor RNA synthese
- Plaats van transcriptie : vertalen van de genetische code op het DNA naar een m-RNA streng dat
de celkern mag verlaten
- DNA opslag (chromatine = geheel van chromosomen in de interfase toestand)
o Euchromatine : ontvouwen DNA (weinig elektronendens)
o Heterochromatine : opgevouwen DNA (elektronendens)
- Hydropische kern
o Kern met hoge transcriptie-activiteit
o Veel euchromatine
o Vaak groter en groter watergehalte
o Kan ook een kwaadaardige cel zijn (cfr tumor)
- Pycnotische kern
o Geringe of afwezige proteïnesynthese
o Chromatine één dichte samengepakte massa
o Soms eerste teken van celdood
- Constitutief heterochromatine = delen van bepaalde chromosomen die in alle cellen
heterochromatisch zijn bv lichaampjes van Barr
- Facultatief heterochromatine = delen van chromosomen die in de ene cel wel en in de andere cel
niet heterochromatisch zijn
Nucleolus
- Diameter : 1-3 μm
- Biochemisch en structureel duidelijk te onderscheiden met de rest van de kern
- Productie-eenheid van pre-ribosomale subeenheden (bevat dus veel RNA en
ribonucleoproteïnen)
- Grootte, vorm en aantal varieert naargelang organisme, celtype en fysiologische activiteit cel
Kernmembraan/ kernevenloppe
- Barrière tussen kern en cytosol
- 2 parallele membranen waartussen een perinucleaire ruimte zit
- Tegen binnenmembraan zit lamina densa, een netwerk van fibreuze proteïnen (laminen)
elektronendens
- Openingen in kernmembraan = kernporiën (aantal hangt samen met niveau van eiwitsynthetische
activiteit)