Deel I : wat is recht?
Les 1
Wat is recht? : een moeilijke vraag, want geen essentiële kenmerken
o Concreet antwoord op die vraag is steeds verbonden met :
Soort maatschappij (waarin R uitwerking zou moeten hebben) JVV,
chiefdoms, rijken, staten
Voorkeur voor klemtoon op regels dan wel op gedrag : RB, GB
Opvatting over reden waarom regel al dan niet navolging verdient
rechtvaardigheidsstromingen
o Recht heeft in andere samenleving een andere functie
Wat is recht? (Ontologische vraag)
Welke functies heeft het recht? (Functionele vraag)
Waaruit bestaat het recht? (Structurele vraag)
Ubi societas, ibi ius : waar samenleving is, is recht
Hart-Dworkin debat :
o Herbert Hart en Ronald Dworkin (juristen)
o Met elkaar discussiëren over de grondslag van regels
o Functie van recht?
Immanuel Kant (eind 18de eeuw) : ‘nog steeds zoeken juristen naar een definitie van
hun rechtsbegrip’
Definitie uit basisbegrippen is niet perfect : ‘een geheel van gedragsregels en ermee
samenhangende institutionele voorschriften, uitgevaardigd en gehandhaafd door of
krachtens het maatschappelijk gezag, met het oog op een doeltreffende, rechtszekere
en rechtvaardige ordening van de maatschappij.’
Regelgeoriënteerde benadering van recht : recht = geheel van gedragsvoorschriften
(hoe iemand zich in bepaalde omstandigheden moet gedragen)
o Gedragsvoorschriften recht of moraal?
Moraal : persoonlijke of culturele gedragsvoorschriften bv. vlees eten is
verwerpelijk of beleefdheidsnormen
o In context van rechtbank :
Centrale actor : rechter
Focus op wat rechters zouden moeten doen
Gedragsgeoriënteerde benadering van recht : recht = geheel van gedragspatronen
(hoe mensen zich in bepaalde omstandigheden daadwerkelijk gedragen)
o In context van rechtbank :
Centrale actor : advocaat
Focus op wat rechters effectief zullen doen
In recht hebben we een definitie nodig
o Rechter moet het recht toepassen recht = regelgeoriënteerd
, o Onderzoek naar het recht riskeert verkeerd te worden begrepen zonder
begripsomschrijving zowel regel- als gedragsgeoriënteerd
2 opvattingen :
o Essentialistische opvatting : recht heeft een essentie (element dat altijd en
overal aanwezig is en toelaat recht te onderscheiden van andere fenomenen)
o Conventionalistische opvatting : recht heeft geen essentie, heeft
verschillende vormen die afhangen van wat mensen in bepaalde maatschappij
aanvaarden/afspreken wat recht is
Vormen van recht :
o Statelijk recht : geheel van gedragsvoorschriften dat door statelijke actoren is
uitgevaardigd bv. wetgevers, rechters
o Gewoonterecht : gedragsvoorschriften die tot stand komen doordat
deelnemers aan het rechtsverkeer die voorschriften als verbindend
beschouwen, niet door concrete personen uitgevaardigd, gevolg van langdurig
gebruik door die deelnemers in de praktijk
o Religieus recht : gedragsvoorschriften die binnen een bepaalde religie geldt,
regels zijn opgesteld door iets bovenaards en niet door menselijke afspraken
bv. onmogelijkheid om te scheiden in de kerk
o Natuurrecht : gedragsvoorschriften die afgeleid worden uit een nauwkeurige
observatie van menselijke natuur en niet door menselijke afspraken, gelden
voor iedereen omdat ze door natuur geschapen zijn (aangeboren) bv.
mensenrechten
o Internationaal recht : regelt de internationale betrekking tussen staten bv. VN
en EU
o Deze vormen hebben niet perse een overeenkomstig kenmerk recht is
divers
Recht = een conventie en dus standpunt- of maatschappijafhankelijk : ‘recht is
eender wat mensen door hun sociale praktijken identificeren en behandelen als
recht’ (Brian Tamanaha)
o Hangt af van standpunt dat men inneemt over recht
o Hangt af van omschrijving die men aan recht geeft
o Hangt af van de vorm (gewoonte, religieus, …) recht dat men voor ogen heeft
o Als je het hebt over recht ga je zelf altijd een standpunt moeten innemen over
welke vorm recht bv. abortuswet bij religieus recht is anders dan bij statelijk
recht
Gevolgen conventionalistische opvatting :
o Recht = relatief naar plaats en tijd
o Doorheen tijd en geografische ruimte : verschillende vormen van recht
o Recht is een sociale constructie (geconstrueerd door handelingen van
mensen) met geschiedenis
Moeten we nu zwijgen over recht? : nee, andere focus niet op essentie maar op
diverse kenmerken die men ermee in verband brengt
o Geheel aan regels? gedragspatronen of regels?
, o Gericht op normatieve ordening?
o Rol handhaving? is een regel nog een regel als politie niet handhaaft?
o Rol rechtvaardigheid? bestaat er iets als onrechtvaardig recht?
Fundamentele transformaties van mensenmaatschappijen
Ons leven krijgt betekenis in relatie tot anderen sociale ontwikkeling binnen
gemeenschap is gevolg van :
o Materiële facetten (ecologisch, technologisch, economisch) bv. opgroeien
zonder sociale media
o Ideële facetten (kennis, waarden, gewoonten) bv. altijd dank u zeggen
o Sociale instituten en praktijken :
Sociale instituten : patronen van sociale orde die maatschappelijke
behoeften lenigen bv. gezin (vroeger wonen met grootouders),
kinderopvang, onderwijs, gezondheidszorg, sportclub
Sociale praktijken : alledaagse handelingen in een bepaalde
maatschappij (gedragspatronen) bv. koptelefoon aandoen als je
muziek luistert in openbaar
Niet elke gemeenschap is sociaal even complex : groter = organisatorisch
uitgewerkter
Elke gemeenschap neemt basisbehoeften van maatschappij voor haar rekening
o Watervoorziening, bescherming van gezondheid en veiligheid, …
o Hoe? : sociale instituten 2 vormen van specialisatie
Horizontale specialisatie : planning/uitvoering verdelen over zelfde
niveau, mensen die naast elkaar dingen doen zonder dat iemand echt
de baas is bv. leerkracht dat toezicht houdt, leerkracht dat examens
uitdeelt, …
Verticale specialisatie : planning/uitvoering verdelen over hiërarchisch
verschillende niveaus
Betekenis en functie van recht is niet altijd en overal hetzelfde :
o Hangt af van organisationele structuur van gemeenschap
o Recht is iets anders en vervult in weinig complexe gemeenschappen andere
functies dan in complexere
Soorten gemeenschappen : (moderne staten staan niet perse verder maar zijn
organisatorisch complexer)
o Samenlevingen van jager-voedselverzamelaars
o Chiefdoms
o Rijken
o Moderne staten
Samenlevingen van jager-voedselverzamelaars
Wanneer? : ontstaan mensheid tot intrede landbouwsamenleving (12000 v.Chr.)
Clans van ongeveer 25 mensen (familiebanden)
, Clans maken deel uit van groter netwerk
Grotendeels egalitair (geen hiërarchie, enkel op beslissende momenten)
Basis voor leiderschap : persoonlijke kwaliteiten (omdat hij het beste idee heeft)
Goederendeling en wederkerigheid
Er zijn regels over diefstal, overspel, incest en fysiek geweld
Regels over bezit en gebruik van goederen : oogst, menselijke arbeid, heilige kennis,
land en waterbronnen, roerende goederen (gereedschap, wapens, kookgerei, …)
o Individuele aanspraken (houden rekening met investering voor verwerving)
o Basis om roerende goederen te kunnen schenken en uitwisselen
o Kosteloze hulpverlening bv. je wapen gratis uitlenen aan iemand
Uithuwelijken = uitgesteld wederkerig
o Door toekomstige man : lange onderhandelingen, giften en diensten (jagen),
toekomstige vrouw = economische waarde en vertegenwoordigt toekomstige
opbrengsten (arbeidskracht, nageslacht)
o Door toekomstige vrouw : giften aan man
Chiefdoms
Bv. Maoui, maffia
Wanneer? : vanaf 5000 v.Chr
Groepen van 100 tot 10 000 mensen
Sedentair (niet nomadisch) vaste woonplaats
Erfelijke sociale stratificatie en meer ongelijkheid
Duidelijk onderscheiden rollen :
o Erfelijke leider en eliteklasse vs krijgers, ambachtslieden, gewone mensen
o Chef wordt aanzien als goddelijke persoon andere taken en
goederenverdeling (sommige groepen moeten meer aan hem afstaan)
Waarom ongelijkheid?
o Functioneel : noodzakelijk om de complexe samenleving te organiseren
o Conflict : geen competitie om macht
Goederenverdeling anders dan in samenlevingen van jager-voedselverzamelaars :
o Hiërarchisch (meer voor elite) en op basis van tribuut (belastingen)
o Rol sedentaire samenleving : beperkte mobiliteit vereist grotere controle over
grond
o Zeggenschap chef : rol bovenmenselijke status (zorgen voor voortbestaan),
anderen zijn in ruil arbeid en goederen verschuldigd
Les 2
Rijken (beschavingen, empires)
4000-3000 v. Chr. (Mesopotamië, Egypte, China, Peru, Midden-Amerika)
Groepen tot 100 000 en veel uitgestrekter regio
Schrift bureaucratische organisatie (boekhouding over waar middelen liggen)