H1: Economie is een sociale wetenschap die tot voorwerp heeft het beheer van schaarse
middelen (Tibor Scitovsky)
Dit beheer behelst
● allocatie: wat, waar en hoe produceren
● distributie/ verdeling: aan wie produceren
● stabilisatie: nastreven van volledige aanwending
Opportuniteitskosten de waarde van het beste alternatief dat men opgeeft door deze keuze te maken
Economische goederen schaarse middelen (materieel of immaterieel)
Vrije goederen niet-schaarse goederen
Probleem van allocatie van de schaarse middelen toewijzen aan de diverse aanwendingen
middelen
Verdelings- of verdelen van de voordelen van de geproduceerde goederen en diensten over de
distributieprobleem bevolking
Stabiliteitsprobleem een goed beheer van schaarse vereist het nastreven van de volledige
aanwending van schaarse middelen
Macro-economie bestudeert de invloed van individuele beslissingen op economische aggregaten,
invloed van het menselijk gedrag op globale of aggregatieve economische
grootheden
→ stabilisatieprobleem
Micro-economie bestudeert de individuele beslissingen, gedrag van individuele economische
agenten
→ allocatie- en distributieprobleem
Productie alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht (1)
en op een gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van
consumenten (2) door inzet van schaarse middelen (3)
Consumptiegoederen aankoop van economische goederen door gezinnen met het oog op verbruik of
gebruik
1
, → duurzame consumptiegoederen = consumptiegoederen die een langere
tijdsspanne in een behoefte kunnen voorzien
Kapitaalgoederen door bedrijven, aankoop = investeren
Productiefunctie is een technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en de
maximale hoeveelheid economische goederen (output) die men daarmee kan
produceren
Productiemogelijkhedencurve geeft alle combinaties van goederen en diensten die kunnen geproduceerd
worden bij volledige aanwending van de beschikbare productiefactoren
Marginaal product (MP) extra productie die we kunnen voortbrengen dankzij 1 extra input, terwijl de
overige productiefactoren constant worden gehouden
Ceteris paribus-assumptie als al het overige gelijk blijft
H2: Markt een groep kopers (vragers) en verkopers (aanbieders) die samen komen
Markatomisme aantal potentiële kopers en aanbieders is zeer groot
Markttransparantie marktdeelnemers hebben perfecte informatie, dezelfde informatie
Marktvraag (naar een goed/dienst) refereert aan de totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid zijn te
kopen afhankelijk van determinanten zoals prijs en inkomen
Inferieure goederen goederen waarvoor de gevraagde hoeveelheid daalt bij hogere inkomens (vb.
huismerkproducten)
Normale goederen: goederen waarvoor de gevraagde hoeveelheid stijgt bij hogere inkomens
Substituten twee goederen waarvoor de toename in de prijs van het ene goed zorgt voor
een toename in de vraag naar het andere goed (vb. pizza en pasta)
→ in de plaats van goed
Complementaire goederen twee goederen waarvoor de toename in de prijs van het ene goed zorgt voor
een afname in de consumptie van het andere goed (vb. benzine en auto’s, spek
en eieren)
→ samen met goed
2
, Partiële vraagfunctie beschouwt enkel het effect van prijs van het goed op de vraag naar het goed
→ de invloed van de overige variabelen wordt niet ontkend, maar wordt
tijdelijk constant gehouden
Ceteris Paribus In veronderstelling dat andere verklarende factoren constant blijven
Marginale betalingsbereidheid de maximale betalingsbereidheid van consumenten voor een bijkomende
eenheid van het goed weer
→ interpretatie van de vraagcurve
Marktaanbod totale hoeveelheid (x) van een goed die alle producenten samen bereid zijn te
produceren in functie van een aantal determinanten
Marktevenwicht
tegen de geldende prijs de hoeveelheid die gebruikers willen kopen precies
gelijk is aan de hoeveelheid die de aanbieders op de markt wensen aan te
bieden
prijs: evenwichtsprijs
verhandelende hoeveelheid: evenwichtshoeveelheid
Comparatieve statica men bekijkt de initiële situatie en de finale uitkomst, maar het
aanpassingsproces zelf wordt niet bestudeerd
Prijselasticiteit de mate waarin gevraagde hoeveelheden reageren op prijsveranderingen
→ Met hoeveel % wijzigt de aangeboden / gevraagde hoeveelheid, als de
prijs met 1% stijgt?
→ 1. puntelasticiteit 2. boogelasticiteit
Inkomenselasticiteit van de vraag indicator die aangeeft in welke mate consumenten reageren op een
wijziging in het inkomen:
→ Met hoeveel % wijzigt de gevraagde hoeveelheid wanneer inkomen
stijgt met 1%?
Kruiselingse prijselasticiteit van indicator die aangeeft in welke mate consumenten hun vraag naar goed i
de vraag aanpassen wanneer de prijs van een ander goed j wijzigt.
→ Met hoeveel % wijzigt de gevraagde hoeveelheid naar goed i als de prijs
3