Gebitsontwikkeling: Occlusie en
bewegingsleer van het kauwstelsel
Inhoud
1. Statistische en centrische occlusale verhoudingen .............................................. 3
1.1 Neuromusculaire fysiologie ......................................................................... 3
1.2 Tanden en tandbogen.................................................................................. 5
1.2.1 Tanden ................................................................................................ 5
1.2.2 Tandbogen .......................................................................................... 6
1.2.3 Referentievlakken en lijnen ................................................................... 6
1.2.4 Laterale of saggitale relatie tussen maxilla en mandibula ....................... 8
1.3 Statistische contactverhoudingen tussen maxilla en mandibula .................... 9
1.4 Eccentrische of dynamische contactverhoudingen: articulatie .................... 10
1.4.1 Articulatiepatroon: groepencontact .................................................... 11
1.4.2 Articulatiepatroon: hoektandgeleiding ................................................ 11
1.5 Occlusieconcepten .................................................................................. 11
1.6 Epidemiologie .......................................................................................... 12
2. Grensbewegingen van de mandibula & determinanten van de occlusale morfologie
13
2.1 Inleiding ................................................................................................... 13
2.2 Situatie van de grensbewegingen ............................................................... 13
2.3 Grafische voorstellingen van de grensbewegingen per vlak .......................... 14
2.3.1 Projectie op het sagittale of mediane vlak ............................................ 14
2.3.2 Projectie op het frontale vlak .............................................................. 15
2.3.3 Projectie op het horizontale vlak ......................................................... 16
2.4 Determinanten van de occlusale morfologie / vorm-functierelaties .............. 17
2.4.1 Determinanten voor verplaatsingen van de onderkaak in occlusie in het
horizontale vlak ............................................................................................... 18
2.4.2 Determinanten voor verplaatsingen van de onderkaak in occlusie in het
frontale vlak .................................................................................................... 18
2.4.3 Determinanten voor verplaatsingen van de onderkaak in occlusie in het
saggitale vlak .................................................................................................. 19
1
,3. Verticale dimensie in de occlusie en rusthoogte & orthofunctie van het kauwstelsel
20
3.1 Definities ................................................................................................. 20
3.2 Veranderingen in VDO en rustpositie .......................................................... 21
3.2.1 Verticale dimensie in occlusie ............................................................ 21
3.2.2 De rustpositie .................................................................................... 21
3.3 Orthofuncties van het kauwstelsel ............................................................. 23
3.3.1 Afbijten ............................................................................................. 23
3.3.2 Kauwen ............................................................................................. 23
3.3.3 Slikken .............................................................................................. 24
3.3.4 Fonetiek (uiten van klanken) ..................................................................... 24
3.3.5 Mimiek/gelaatsexpressie ......................................................................... 24
2
,1. Statistische en centrische occlusale verhoudingen
1.1 Neuromusculaire fysiologie
Kauwstelsel = verhoudingen tussen vast gedeelte (maxilla) en bewegend gedeelte
(mandibula)
Onderkaakposities worden bepaald door: tanden, kaakgewrichten, ligamenten en
kauwspieren
- Thv kaakgewricht: kaakrelaties
- Thv de tanden: posities met of zonder tandcontacten
• Occlusie of statisch contact (sluiten van de mond)
• Articulatie of dynamisch contact (sluiten na verplaatsen)
K: kaakkopje
F: Fossa
D: discus (kraakbenig gedeelte)
E: enimentia
P: m. pterygoideus lateralis
1) Neurologische (musculaire) kenmerken
• spieren: dwarsgestreept (pees) / willekeurig (bewuste controle)
• isotonisch of isometrisch contraheren: met gelijke kracht of gelijke lengte (m.
masseter: openen vs klemmen)
• spier → spierbundels → myofibrillen of spiervezels
Kauwpsieren:
• m. masseter
• m. temporalis
• m. pterygoideus medialis
• m. pterygoideus lateralis
• suprahyoidale spieren (tongbeen of hyoid): digastricus, mylohyoideus,
stylohyoideus
Neuronen of zenuwcellen: verwerken neurologische informatie, overal in lichaam
aanwezig
Bestaan uit: cellichaam & zenuwvezels of dendrieten
- Afferente vezels: ontvangen info, sturen door à centraal zenuwstelsel
3
, - Efferente vezels: versturen info vanuit CZS
Receptief deel (ontvangen), cunductief deel (versturen) en transmissief deel
Activatie spiervezels door hetzelfde neuron = motor-unit
Receptoren of sensoren: behoren tot PZS → transformeren interne en externe stimuli
tot zenuwimpulsen die langs zenuwbanen naar CZS geleid worden
- Mechano- en pijnreceptoren (typisch voor kaakstelsel)
2 typische mechanoreceptoren:
1. Spierspoelen → tussen de spiervezels
- Detecteren veranderingen in spierlengte en actuele spierlengte
- Reageren snel (lage drempelwaarde)
- Beschermende functie
2. Golgi-peeslichaampjes → op de pezen van de spieren
- Detecteren spanningen
- Trage reactie (hoge drempelwaarde)
- Beschermende functie
Synapsen = overgangen tussen de zenuwcellen voor het doorsturen van informatie
tussen CZS en PZS
Kaakstelsel is een bewegend stelsel met neurale regulering (op 3 niveaus):
• Reflexen
1. Strekreflex: na strekken volgt contractie (want spier wil niet in volle lengte zijn,
contractie nodig om Fz tegen te gaan) ; belangrijkste reflex
ook: jaw-jerk of masseter-reflex (bv. contractie: neutralisatie van
zwaartekracht op het gewicht van onderkaak)
2. Flex-reflex: terugtrekken van een lichaamsdeel na stimulatie (bv. kogeltje in
vlees van wild)
3. Autogene inhibitie of omgekeerde strekreflex: na extensief strekken geeft deze
relaxatie (bv. geeuwen)
• Stereotiepe bewegingen: geprogrammeerd, maar onbewust uitgevoerd: kauwen
• Geïntensioneerde bewegingen: gewilde, via cortex aangezet (snelle, getrainde
kaakbewegingen bv. gebruik van kauwgom)
4
,1.2 Tanden en tandbogen
1.2.1 Tanden
- Occlusaal vlak: occlusaal vlak: bestaat uit knobbels, fossae en marginale
kammen
- Aproximaal vlak: mesiaal en distaal vlak
- Occlusale vernauwing: ligt tussen de grootste kroonomtrek en de marginale kam
- Contactpunt of -vlak: het gebied waar 2 aangrenzende tanden elkaar raken
Individuele tandbeweeglijkheid: in 2 richtingen
Beweging is mogelijk als:
- geen vergroeiing tussen wortel en tandkas
- een tussenstructuur van vocht en vezels (parodontaal ligament)
Elke tand zit in een alveole en wordt ondersteund door het parodontium, dat krachten
opvangt. Hierdoor kan een tand beperkt bewegen:
• Axiale verplaatsing (langs de lengteas): De tand wordt in zijn alveole gedrukt.
Door capillaire doorbloeding keert hij in twee fasen (snelle fase en trage fase met
pulsaties) terug naar zijn oorspronkelijke positie. Bij snelle opeenvolgende
krachten verplaatst de tand progressief verder. Na kauwen zit hij dieper en
beweegt hij minder. (verminderde mobiliteit)
• Horizontale verplaatsing: Herhaalde belasting verhoogt de tandmobiliteit.
Deze bewegingen volgen een visco-elastisch model* en zijn normaal minimaal, tenzij
er pathologie zoals een periapicaal abces of parodontitis aanwezig is.
*Visco-elastisch model: fysisch model dat probeert te verklaren hoe een weefsel
reageert op impact van krachten per oppervlakte eenheid
- 0,01 - 0,1N: verplaatst vloeistoffase: sulcusvocht (geen wijziging)
- 0,1 - 1N: verplaatst collagene vezels van het parodontaal ligament (verticaal)
- >1N: verplaatst kaakbot (orthodontie)
- >10N: mogelijk bij knarsen of kaakklemmen, tand -’vervorming’ (schade ad harde
structuur) vbn!
5
, Tandmobiliteit: fysiologische schommelingen
• verhoogt tijdens kauwen van hard voedsel
• is verhoogd ‘s morgens bij het ontwaken
• is groter bij vrouwen, stijgt (hormonaal) bij zwangerschap
• vermindert bij het ouder worden (parodontaal ligament nauwer)
• vermindert bij regelmatig kaakklemmen
Hypo- of hypermobiliteit
• Bij ankylose (tand volledig vast) = hypomobiliteit
• Indien geen antagonist aanwezig is = hypomobiliteit
• Hypermobiliteit mogelijk bij verminderde parodontale steun
Parodontitis = Tandvlees en parodontaal ligament
probleem waarbij bacteriën onder tandvlees de
ondersteunende structuren gaan kapot maken =
hypermobiliteit
1.2.2 Tandbogen
Tandbogen vormen een aaneengesloten geheel en zijn georganiseerd volgens een halve
ellips.
Bepalende factor voor tandboogvorm blijkt plaats van doorbreken te zijn.
Tandboog-index: (breedte x 100) / lengte
(Smal = < 115; Medium = tussen 115 en 130; Breed = > 130)
1.2.3 Referentievlakken en lijnen
• Incisiefpunt: het raakpunt tussen de incisale randen van de centrale incisieven in
de mandibula
• Occlusievlak: vlak in de mandibula dat loopt van het incisiefpunt tot de disto
buccale knobbels van de 2de molaren.
• Oriëntatievlak (saggitale vlak): loopt van het incisiefpunt tot de
mesio-vestibulaire knobbels van de 1ste molaren, zowel in
maxilla als mandibula, vooral aangenomen in de maxilla
• Campervlak (saggitale vlak): bepaald door het subnasale punt
en het midden van de uitwendige gehoorgang beiderzijds (meatus acusticus
externus).
6
bewegingsleer van het kauwstelsel
Inhoud
1. Statistische en centrische occlusale verhoudingen .............................................. 3
1.1 Neuromusculaire fysiologie ......................................................................... 3
1.2 Tanden en tandbogen.................................................................................. 5
1.2.1 Tanden ................................................................................................ 5
1.2.2 Tandbogen .......................................................................................... 6
1.2.3 Referentievlakken en lijnen ................................................................... 6
1.2.4 Laterale of saggitale relatie tussen maxilla en mandibula ....................... 8
1.3 Statistische contactverhoudingen tussen maxilla en mandibula .................... 9
1.4 Eccentrische of dynamische contactverhoudingen: articulatie .................... 10
1.4.1 Articulatiepatroon: groepencontact .................................................... 11
1.4.2 Articulatiepatroon: hoektandgeleiding ................................................ 11
1.5 Occlusieconcepten .................................................................................. 11
1.6 Epidemiologie .......................................................................................... 12
2. Grensbewegingen van de mandibula & determinanten van de occlusale morfologie
13
2.1 Inleiding ................................................................................................... 13
2.2 Situatie van de grensbewegingen ............................................................... 13
2.3 Grafische voorstellingen van de grensbewegingen per vlak .......................... 14
2.3.1 Projectie op het sagittale of mediane vlak ............................................ 14
2.3.2 Projectie op het frontale vlak .............................................................. 15
2.3.3 Projectie op het horizontale vlak ......................................................... 16
2.4 Determinanten van de occlusale morfologie / vorm-functierelaties .............. 17
2.4.1 Determinanten voor verplaatsingen van de onderkaak in occlusie in het
horizontale vlak ............................................................................................... 18
2.4.2 Determinanten voor verplaatsingen van de onderkaak in occlusie in het
frontale vlak .................................................................................................... 18
2.4.3 Determinanten voor verplaatsingen van de onderkaak in occlusie in het
saggitale vlak .................................................................................................. 19
1
,3. Verticale dimensie in de occlusie en rusthoogte & orthofunctie van het kauwstelsel
20
3.1 Definities ................................................................................................. 20
3.2 Veranderingen in VDO en rustpositie .......................................................... 21
3.2.1 Verticale dimensie in occlusie ............................................................ 21
3.2.2 De rustpositie .................................................................................... 21
3.3 Orthofuncties van het kauwstelsel ............................................................. 23
3.3.1 Afbijten ............................................................................................. 23
3.3.2 Kauwen ............................................................................................. 23
3.3.3 Slikken .............................................................................................. 24
3.3.4 Fonetiek (uiten van klanken) ..................................................................... 24
3.3.5 Mimiek/gelaatsexpressie ......................................................................... 24
2
,1. Statistische en centrische occlusale verhoudingen
1.1 Neuromusculaire fysiologie
Kauwstelsel = verhoudingen tussen vast gedeelte (maxilla) en bewegend gedeelte
(mandibula)
Onderkaakposities worden bepaald door: tanden, kaakgewrichten, ligamenten en
kauwspieren
- Thv kaakgewricht: kaakrelaties
- Thv de tanden: posities met of zonder tandcontacten
• Occlusie of statisch contact (sluiten van de mond)
• Articulatie of dynamisch contact (sluiten na verplaatsen)
K: kaakkopje
F: Fossa
D: discus (kraakbenig gedeelte)
E: enimentia
P: m. pterygoideus lateralis
1) Neurologische (musculaire) kenmerken
• spieren: dwarsgestreept (pees) / willekeurig (bewuste controle)
• isotonisch of isometrisch contraheren: met gelijke kracht of gelijke lengte (m.
masseter: openen vs klemmen)
• spier → spierbundels → myofibrillen of spiervezels
Kauwpsieren:
• m. masseter
• m. temporalis
• m. pterygoideus medialis
• m. pterygoideus lateralis
• suprahyoidale spieren (tongbeen of hyoid): digastricus, mylohyoideus,
stylohyoideus
Neuronen of zenuwcellen: verwerken neurologische informatie, overal in lichaam
aanwezig
Bestaan uit: cellichaam & zenuwvezels of dendrieten
- Afferente vezels: ontvangen info, sturen door à centraal zenuwstelsel
3
, - Efferente vezels: versturen info vanuit CZS
Receptief deel (ontvangen), cunductief deel (versturen) en transmissief deel
Activatie spiervezels door hetzelfde neuron = motor-unit
Receptoren of sensoren: behoren tot PZS → transformeren interne en externe stimuli
tot zenuwimpulsen die langs zenuwbanen naar CZS geleid worden
- Mechano- en pijnreceptoren (typisch voor kaakstelsel)
2 typische mechanoreceptoren:
1. Spierspoelen → tussen de spiervezels
- Detecteren veranderingen in spierlengte en actuele spierlengte
- Reageren snel (lage drempelwaarde)
- Beschermende functie
2. Golgi-peeslichaampjes → op de pezen van de spieren
- Detecteren spanningen
- Trage reactie (hoge drempelwaarde)
- Beschermende functie
Synapsen = overgangen tussen de zenuwcellen voor het doorsturen van informatie
tussen CZS en PZS
Kaakstelsel is een bewegend stelsel met neurale regulering (op 3 niveaus):
• Reflexen
1. Strekreflex: na strekken volgt contractie (want spier wil niet in volle lengte zijn,
contractie nodig om Fz tegen te gaan) ; belangrijkste reflex
ook: jaw-jerk of masseter-reflex (bv. contractie: neutralisatie van
zwaartekracht op het gewicht van onderkaak)
2. Flex-reflex: terugtrekken van een lichaamsdeel na stimulatie (bv. kogeltje in
vlees van wild)
3. Autogene inhibitie of omgekeerde strekreflex: na extensief strekken geeft deze
relaxatie (bv. geeuwen)
• Stereotiepe bewegingen: geprogrammeerd, maar onbewust uitgevoerd: kauwen
• Geïntensioneerde bewegingen: gewilde, via cortex aangezet (snelle, getrainde
kaakbewegingen bv. gebruik van kauwgom)
4
,1.2 Tanden en tandbogen
1.2.1 Tanden
- Occlusaal vlak: occlusaal vlak: bestaat uit knobbels, fossae en marginale
kammen
- Aproximaal vlak: mesiaal en distaal vlak
- Occlusale vernauwing: ligt tussen de grootste kroonomtrek en de marginale kam
- Contactpunt of -vlak: het gebied waar 2 aangrenzende tanden elkaar raken
Individuele tandbeweeglijkheid: in 2 richtingen
Beweging is mogelijk als:
- geen vergroeiing tussen wortel en tandkas
- een tussenstructuur van vocht en vezels (parodontaal ligament)
Elke tand zit in een alveole en wordt ondersteund door het parodontium, dat krachten
opvangt. Hierdoor kan een tand beperkt bewegen:
• Axiale verplaatsing (langs de lengteas): De tand wordt in zijn alveole gedrukt.
Door capillaire doorbloeding keert hij in twee fasen (snelle fase en trage fase met
pulsaties) terug naar zijn oorspronkelijke positie. Bij snelle opeenvolgende
krachten verplaatst de tand progressief verder. Na kauwen zit hij dieper en
beweegt hij minder. (verminderde mobiliteit)
• Horizontale verplaatsing: Herhaalde belasting verhoogt de tandmobiliteit.
Deze bewegingen volgen een visco-elastisch model* en zijn normaal minimaal, tenzij
er pathologie zoals een periapicaal abces of parodontitis aanwezig is.
*Visco-elastisch model: fysisch model dat probeert te verklaren hoe een weefsel
reageert op impact van krachten per oppervlakte eenheid
- 0,01 - 0,1N: verplaatst vloeistoffase: sulcusvocht (geen wijziging)
- 0,1 - 1N: verplaatst collagene vezels van het parodontaal ligament (verticaal)
- >1N: verplaatst kaakbot (orthodontie)
- >10N: mogelijk bij knarsen of kaakklemmen, tand -’vervorming’ (schade ad harde
structuur) vbn!
5
, Tandmobiliteit: fysiologische schommelingen
• verhoogt tijdens kauwen van hard voedsel
• is verhoogd ‘s morgens bij het ontwaken
• is groter bij vrouwen, stijgt (hormonaal) bij zwangerschap
• vermindert bij het ouder worden (parodontaal ligament nauwer)
• vermindert bij regelmatig kaakklemmen
Hypo- of hypermobiliteit
• Bij ankylose (tand volledig vast) = hypomobiliteit
• Indien geen antagonist aanwezig is = hypomobiliteit
• Hypermobiliteit mogelijk bij verminderde parodontale steun
Parodontitis = Tandvlees en parodontaal ligament
probleem waarbij bacteriën onder tandvlees de
ondersteunende structuren gaan kapot maken =
hypermobiliteit
1.2.2 Tandbogen
Tandbogen vormen een aaneengesloten geheel en zijn georganiseerd volgens een halve
ellips.
Bepalende factor voor tandboogvorm blijkt plaats van doorbreken te zijn.
Tandboog-index: (breedte x 100) / lengte
(Smal = < 115; Medium = tussen 115 en 130; Breed = > 130)
1.2.3 Referentievlakken en lijnen
• Incisiefpunt: het raakpunt tussen de incisale randen van de centrale incisieven in
de mandibula
• Occlusievlak: vlak in de mandibula dat loopt van het incisiefpunt tot de disto
buccale knobbels van de 2de molaren.
• Oriëntatievlak (saggitale vlak): loopt van het incisiefpunt tot de
mesio-vestibulaire knobbels van de 1ste molaren, zowel in
maxilla als mandibula, vooral aangenomen in de maxilla
• Campervlak (saggitale vlak): bepaald door het subnasale punt
en het midden van de uitwendige gehoorgang beiderzijds (meatus acusticus
externus).
6