Ontwikkelings- of levenslooppsychologie
Inleiding
➢ Factoren die de ontwikkeling sturen:
• Rol van de erfelijkheid (nature)
o Erfelijk materiaal of DNA
o Biologische en rijpingsprocessen
• Invloed vanuit het milieu (nurture)
o Opvoeding, vriendenkring, school, woonbuurt, cultuur en samenleving…
o Leerprocessen
• Interacties tussen erfelijkheid en milieu
o Ontwikkeling = product van erfelijke aanleg en inwerking van milieu-invloeden
• Zelfsturing?!: je bent zelf eigenaar voor je gedrag, motivatie is belangrijk (als je niet gemotiveerd bent, dan gaat
het niet, ook al heb je het enorm in je genen)
De ontwikkeling is anders bij elke persoon. Hoe komt dit? Hoe komt het dat mensen van elkaar verschillen?
2 uitgesproken visies:
➢ Nature (nativisten): erfelijkheid
➢ Nurture (empiristen): omgeving, milieu waarin je leeft
Bv. ééneiige tweeling in 2 verschillende milieus “steken” en achteraf bleek dat ze zich hetzelfde gedragen
➔ Nativisten hebben gelijk
Sociale deprivatie: volledig afgezonderd zijn van de wereld, geen menselijk contact
1
,Babytijd (0 tot +- 1 jaar)
1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
➢ 6 waakzaamheidstoestanden
• Slaapt 2/3 van de tijd
Baby’s hebben geen dag-nacht besef
➢ Reflexen
• Blijvende
• Voorbijgaande (<3 maand)
o Snuffel- of zoekreflex
o Zuigreflex
o Grijpreflex
o Babinski-reflex
o Moro-reflex
o Stap- of loopreflex
o Zwemreflex
Huilen is om te communiceren met de mensen rond de baby
Sommige kinderen wenen veel, andere minder
➔ Het is verontrustend als baby’s opvallend weinig huilen
➢ Zintuigen
• Tastzin
o Handpalmen, voetzolen en gelaat: goed ontwikkeld
o Voorkeur voor huidcontact
Baby heeft meer huidcontact, aandacht… nodig dan dat hij eten nodig heeft
o Pijngevoelig
• Smaak
o Positieve reactie op zoete smaken
o Negatieve reactie op zure en bittere smaken
➔ Leren eten
• Reuk
o Voorkeur voor bepaalde geuren
o Herkennen geur moeder
• Auditieve functies
o Opgewonden: intense en hogen tonen
o Rustig: zachte en lage tonen
o Voorkeur menselijke stem
o Baby hoort al in de buik
• Zicht
o Geboorte: licht- en beperkte kleurperceptie, scherp zien op 20-30 cm, vluchtige volgbewegingen,
convergeren gaat moeilijk
o 6 maanden: gezichtvermogen vergelijkbaar met dit van volwassenen
o Baby is niet blind bij de geboorte, maar ziet heel beperkt/wazig en ook scheel (= strabisme: medische
term voor scheel kijken); hij kan niet met 2 ogen samenwerken
➢ Leeftijd één jaar:
• Lengte: 75 cm
• Gewicht: 10 kg
• Hersenen: 900 gram
➢ Verdere evolutie motoriek (eerst hoofd controleren, dan hals, heupen, benen…: van boven naar onder)
• Cefalocaudale en proximodistale ontwikkelingslijn
o Cefalocaudale: van kop tot teen
o Proximodistale: alles die zich verder van het midden bevindt
2
, • Kijkstadium (0-3 mnd)
o 1 mnd: hoofd optillen
o 3 mnd: oprichten op onderarmen
o Steeds beter richten van de blik door betere besturing van oogspieren en halsspieren
o Dieptezicht: aangeboren
• Grijpstadium (3-6 mnd)
o Reiken naar objecten
o Rijfgreep
o Handgreep
o (Pincetgreep (1j))
o (Tanggreep (1j))
• Zitstadium (6-9 mnd)
o 9 mnd: zelfstandig gaan zitten
• Kruip- en optrekstadium (9-12 mnd)
o 9 mnd: kruipen en met steun rechtop blijven staan
o Nadien: optrekken aan meubilair
o 11-12 mnd: zonder steun rechtop staan
• Loopstadium (12-15 mnd)
o Lopen aan één hand
o Zelfstandig lopen -> eerste stapjes meestal voor 15 mnd
2. Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
2.1. Sociale ontwikkeling
➢ Differentiatie in sociale gerichtheid
• Geboorte: huilen als primitief communicatiemiddel (-reflex), asociaal wezen, solitaire glimlach (= lachen in je
eentje)
• 6-8 weken: sociale glimlach (kind lacht naar menselijke gezichten, maakt niet uit wie; alles die een gezicht heeft,
krijgt een lach)
o Interactief
o Ontstaat door het zien van expressief gelaat
o Intensiteit neemt toe als het beantwoord wordt
• 3 maanden: snelheid en intensiteit glimlach neemt toe bij vertrouwde gezichten (beginnende hechting: lachen
naar mama of papa; je merkt het verschil tussen lachen naar de ouders en lachen naar vreemden; kind gaat
‘mooier’ lachen)
• 8 maanden: vreemdenangst (= wenen omdat je iemand niet kent)
• 8 maanden: scheidingsangst of verlatingsangst (= wenen vanaf iemand verdwijnt voor even)
➢ Ontstaan hechtingsgedrag
• Hechting: affectieve/emotionele band opbouwen met een persoon zodat verbondenheid ontstaat die tijd en
ruimte overstijgt; duurzame relatie aangaan voor altijd
o Kenmerk: nabijheid of contact met hechtingspersoon nastreven
o Functie: levensbelang (kind wordt anders hulpeloos overgeleverd aan belagers, voorzien in primaire
functies) + steekt veel op van volwassenen (sociale, cognitieve, taal, cultuur…)
• Bowlby’s hechtingstheorie
Waarom zoveel kinderen, na WO II in weeshuis, slechte toestand -> voortdurende wisseling personeelsbezetting
Volgens Bowlby hebben kinderen die gehechtheidsgedrag vertonen meer kans op overleving en dus op
nakomelingen.
• Vier periodes:
o Voorhechtingsfase (eerste 2-3 mnd)
▪ Je wordt niet geboren met die hechting
▪ Primaire hechtingsstrategieën (huilen, sociale glimlach…)
▪ Voornamelijk interesse in prikkels die lichaam beroeren, weinig interesse in mensen zelf
▪ Aantal instinctieve reactiepatronen
▪ Gevoeligheid menselijke stem, huid, grijpreflex, menselijk gelaat…
3
Inleiding
➢ Factoren die de ontwikkeling sturen:
• Rol van de erfelijkheid (nature)
o Erfelijk materiaal of DNA
o Biologische en rijpingsprocessen
• Invloed vanuit het milieu (nurture)
o Opvoeding, vriendenkring, school, woonbuurt, cultuur en samenleving…
o Leerprocessen
• Interacties tussen erfelijkheid en milieu
o Ontwikkeling = product van erfelijke aanleg en inwerking van milieu-invloeden
• Zelfsturing?!: je bent zelf eigenaar voor je gedrag, motivatie is belangrijk (als je niet gemotiveerd bent, dan gaat
het niet, ook al heb je het enorm in je genen)
De ontwikkeling is anders bij elke persoon. Hoe komt dit? Hoe komt het dat mensen van elkaar verschillen?
2 uitgesproken visies:
➢ Nature (nativisten): erfelijkheid
➢ Nurture (empiristen): omgeving, milieu waarin je leeft
Bv. ééneiige tweeling in 2 verschillende milieus “steken” en achteraf bleek dat ze zich hetzelfde gedragen
➔ Nativisten hebben gelijk
Sociale deprivatie: volledig afgezonderd zijn van de wereld, geen menselijk contact
1
,Babytijd (0 tot +- 1 jaar)
1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
➢ 6 waakzaamheidstoestanden
• Slaapt 2/3 van de tijd
Baby’s hebben geen dag-nacht besef
➢ Reflexen
• Blijvende
• Voorbijgaande (<3 maand)
o Snuffel- of zoekreflex
o Zuigreflex
o Grijpreflex
o Babinski-reflex
o Moro-reflex
o Stap- of loopreflex
o Zwemreflex
Huilen is om te communiceren met de mensen rond de baby
Sommige kinderen wenen veel, andere minder
➔ Het is verontrustend als baby’s opvallend weinig huilen
➢ Zintuigen
• Tastzin
o Handpalmen, voetzolen en gelaat: goed ontwikkeld
o Voorkeur voor huidcontact
Baby heeft meer huidcontact, aandacht… nodig dan dat hij eten nodig heeft
o Pijngevoelig
• Smaak
o Positieve reactie op zoete smaken
o Negatieve reactie op zure en bittere smaken
➔ Leren eten
• Reuk
o Voorkeur voor bepaalde geuren
o Herkennen geur moeder
• Auditieve functies
o Opgewonden: intense en hogen tonen
o Rustig: zachte en lage tonen
o Voorkeur menselijke stem
o Baby hoort al in de buik
• Zicht
o Geboorte: licht- en beperkte kleurperceptie, scherp zien op 20-30 cm, vluchtige volgbewegingen,
convergeren gaat moeilijk
o 6 maanden: gezichtvermogen vergelijkbaar met dit van volwassenen
o Baby is niet blind bij de geboorte, maar ziet heel beperkt/wazig en ook scheel (= strabisme: medische
term voor scheel kijken); hij kan niet met 2 ogen samenwerken
➢ Leeftijd één jaar:
• Lengte: 75 cm
• Gewicht: 10 kg
• Hersenen: 900 gram
➢ Verdere evolutie motoriek (eerst hoofd controleren, dan hals, heupen, benen…: van boven naar onder)
• Cefalocaudale en proximodistale ontwikkelingslijn
o Cefalocaudale: van kop tot teen
o Proximodistale: alles die zich verder van het midden bevindt
2
, • Kijkstadium (0-3 mnd)
o 1 mnd: hoofd optillen
o 3 mnd: oprichten op onderarmen
o Steeds beter richten van de blik door betere besturing van oogspieren en halsspieren
o Dieptezicht: aangeboren
• Grijpstadium (3-6 mnd)
o Reiken naar objecten
o Rijfgreep
o Handgreep
o (Pincetgreep (1j))
o (Tanggreep (1j))
• Zitstadium (6-9 mnd)
o 9 mnd: zelfstandig gaan zitten
• Kruip- en optrekstadium (9-12 mnd)
o 9 mnd: kruipen en met steun rechtop blijven staan
o Nadien: optrekken aan meubilair
o 11-12 mnd: zonder steun rechtop staan
• Loopstadium (12-15 mnd)
o Lopen aan één hand
o Zelfstandig lopen -> eerste stapjes meestal voor 15 mnd
2. Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
2.1. Sociale ontwikkeling
➢ Differentiatie in sociale gerichtheid
• Geboorte: huilen als primitief communicatiemiddel (-reflex), asociaal wezen, solitaire glimlach (= lachen in je
eentje)
• 6-8 weken: sociale glimlach (kind lacht naar menselijke gezichten, maakt niet uit wie; alles die een gezicht heeft,
krijgt een lach)
o Interactief
o Ontstaat door het zien van expressief gelaat
o Intensiteit neemt toe als het beantwoord wordt
• 3 maanden: snelheid en intensiteit glimlach neemt toe bij vertrouwde gezichten (beginnende hechting: lachen
naar mama of papa; je merkt het verschil tussen lachen naar de ouders en lachen naar vreemden; kind gaat
‘mooier’ lachen)
• 8 maanden: vreemdenangst (= wenen omdat je iemand niet kent)
• 8 maanden: scheidingsangst of verlatingsangst (= wenen vanaf iemand verdwijnt voor even)
➢ Ontstaan hechtingsgedrag
• Hechting: affectieve/emotionele band opbouwen met een persoon zodat verbondenheid ontstaat die tijd en
ruimte overstijgt; duurzame relatie aangaan voor altijd
o Kenmerk: nabijheid of contact met hechtingspersoon nastreven
o Functie: levensbelang (kind wordt anders hulpeloos overgeleverd aan belagers, voorzien in primaire
functies) + steekt veel op van volwassenen (sociale, cognitieve, taal, cultuur…)
• Bowlby’s hechtingstheorie
Waarom zoveel kinderen, na WO II in weeshuis, slechte toestand -> voortdurende wisseling personeelsbezetting
Volgens Bowlby hebben kinderen die gehechtheidsgedrag vertonen meer kans op overleving en dus op
nakomelingen.
• Vier periodes:
o Voorhechtingsfase (eerste 2-3 mnd)
▪ Je wordt niet geboren met die hechting
▪ Primaire hechtingsstrategieën (huilen, sociale glimlach…)
▪ Voornamelijk interesse in prikkels die lichaam beroeren, weinig interesse in mensen zelf
▪ Aantal instinctieve reactiepatronen
▪ Gevoeligheid menselijke stem, huid, grijpreflex, menselijk gelaat…
3