Leerkracht = iedereen die de verantwoordelijkheid draagt om doelen te bereiken bij
anderen.
Thema motivatie (syllabus p5-6, handboek p245-268):
Motivatie zijn beweegreden voor gedrag, waarom doen we wat we doen?
Er zijn verschillen in motivatie: moeten(= geen psychologische vrijheid),
mogen(psychologische vrijheid)
Zelfdeterminatietheorie (ZDT):
Soorten motivatie:
Amotivatie: niet kunnen
Gecontroleerde motivatie: moeten
Autonome motivatie: willen
Type motivatie:
Extrinsiek: door iemand of iets buiten zichzelf
Intrinsiek: vanuit zichzelf (bv. Sam kookt graag, maar na de lessen praktijk kkokt hij thuis
ook veel omdat hij het tof vindt en hierdoor bijleert. Dit is intrinsieke motivatie, het is
vanuit passie, intern, vrijheid)
1
,Type regulatie:
Externe regulatie: het gaat om straffen of belonen (operante conditionering), krijgen van
punten, vermijden van strafstudie
Geïntrojecteerde regulatie: druk van binnenuit, bv kinderen die de lat voor zichzelf heel
hoog leggen. Ze motiveren zichzelf om gevoelens van trots te ervaren en schuld en
schaamtegevoel te vermijden.
Geïdentificeerde regulatie: activiteiten die we niet per se leuk vinden maar wel
ondernemen omdat we het belang ervan inzien. Bv. Het leren schrijven zonder dt-fouten,
schoolregels, … . wanneer een kind het nut ervan inziet of het persoonlijk belang, zal
hij/zij hiervoor gemotiveerd zijn.
Intrinsieke regulatie: alles wat je doet omdat je het leuk of interessant vindt om te
doen. Bv. Hardlopen omdat je het leuk vindt (intrinsieke regulatie), is totaal iets anders
dan hardlopen voor je gezondheid (geïdentificeerde regulatie).
2 voorbeelden: naar de les komen en elke week zwemmen:
-
Verschil tussen kwaliteit en kwantiteit van motivatie:
Vroeger ging het alleen over de hoeveelheid van motivatie: hoe meer gemotiveerd hoe
beter. Nu gaat het ook over de kwaliteit: hoe kwalitatiever gemotiveerd, hoe beter.
Autonome motivatie hangt samen met psychologisch welzijn en positieve
leeruitkomsten.
Gecontroleerde motivatie hangt samen met negatieve leerresultaten, slecht omgaan
met falen, … .
2
,De drie psychologische basisbehoeften (ABC)
Autonomie: ik kan het zelf kiezen
- Vrijheid in keuze
- Eigenaar van de eigen acties, denken en voelen
- Zichzelf kunnen en mogen zijn
Vb. tijdens een les PAV dwing je een leerling om zelfstandig te werken
→ geen rekening met autonomie van leerling
tijdens een les PAV geef je de leerling de keuze om ofwel per 2 ofwel alleen te werken
→ keuzevrijheid, rekening met autonomie
Vb. – inspraak geven aan leerlingen
- Leerlingen structureel keuzes laten maken
- Leerlingen doelstellingen laten kiezen
- Openstaan voor persoonlijke doelen van de leerlingen
- Leerlingen eigen deadlines laten bepalen
verBondenheid: ik hoor erbij:
- Hebben van goede en hechte relaties met anderen
- Een gevoel van verbondenheid met medeleerlingen en leerkracht.
- Voldoening halen uit sociale relaties
- Warm en veilig leerklimaat
Vb. Je verwelkomt de leerlingen spontaan aan het begin van de les.
→ draagt bij tot behoefte van relationele verbondenheid.
Vb. -empathisch en respectvol reageren naar de leerlingen toen
- Bij probleemgedrag aandacht hebben voor de leerling als persoon
Competentie: ik kan het
- Geloof en vertrouwen dat men bekwaam is om de gewenste (leer)resultaten te
behalen.
- Belang van succeservaringen, positieve feedback
bv. Een leerling haakt af tijdens de les omdat de tekst te moeilijk is en niet weet
hoe er aan te beginnen.
→ er wordt geen rekening gehouden met competentie
Bv. - Verwachtingen en regels helder en duidelijk communiceren
- Realistische maar uitdagende doelstellingen vooropstellen
- Leerlingen doelstellingen laten kiezen
- Openstaan voor persoonlijke doelen van leerlingen
- Concrete werkpunten aanbieden
3
, Belangrijk om deze drie basisbehoeften te vervullen, want in dat geval zijn de
leerlingen kwalitatief gemotiveerd. Ze voelen zich eigenaar van hun gedrag en de
kans is groter dat ze beter presteren.
Als leerkracht werken aan autonomie:
Een autonomieondersteunende leerkrachtstijl:
- Stimuleren van autonoom functioneren staat centraal
- Gevoel geven dat lln zichzelf kunnen en mogen zijn
Leerkrachtegedragingen die bijdragen aan autonomie-ondersteuning:
- Identificeren (van interesses en persoonlijke waarden : Luistertijd, spreektijd van
leerling, vragen wat leerlingen wensen, inspraak, empathie →lln krijgen gevoel
dat ze gerespecteerd worden en dat hun mening telt
- Voeden (van interesses en persoonlijke waarden): Zelfstandig werk,
verantwoordelijkheid, informationele positieve feedback/tips/werkpunten,
aanmoedigen, keuzes, autonomie-ondersteunend taalgebruik, focus op
individuele vooruitgang →niet: je moet sneller werken!, wel: probeer wat sneller
te werken zodat je sneller kan pauzeren.
- Opbouwen (van nieuwe interesses en persoonlijke waarden): Zinvolle uitleg,
leerlingen verbinden met de leerinhoud. Ze zullen niet alles interessant vinden
maar door een zinvolle uitleg zullen ze het belang er misschien van inzien.
→zie vb handboek p 258-260 tabel A, B, C
4