Actuele criminologie
Jan van Dijk, Wim Huisman, Paul Nieuwbeerta
Inhoud
Hoofdstuk 1; Criminologie; een terreinverkenning.................................................4
H1.1 de opdracht van criminologie.....................................................................4
H1.2 wat is criminologie..................................................................................... 4
H1.3 geschiedenis van de criminologie..............................................................5
H1.3.1 Klassieke oudheid tot middeleeuwen...................................................5
H1.3.2 Renaissance naar verlichting...............................................................5
H1.3.3 De klassieke school.............................................................................. 5
H1.3.4 de positivistische school......................................................................6
H1.3.5 De Italiaanse antroplogieschool...........................................................6
H1.3.6; de franse millieuschool.......................................................................6
H1.3.7 De socialistische criminologie..............................................................6
H1.3.8 Kritische criminologie...........................................................................6
H1.3.9 veramerikanisering.............................................................................. 6
H1.4 Aandachtsgebieden binnen criminologie....................................................6
Hoofdstuk 2; beschrijvende criminologie...............................................................7
H2.1; Inleiding.................................................................................................... 7
H2.2; Politiecijfers............................................................................................... 7
H2.3 Onderzoek naar verborgen criminaliteit.....................................................9
Hoofdstuk 4; Verklaringen voor criminaliteit, psychologisch aspect....................11
H4.1 antisociaal gedrag en aggressie...............................................................11
H4.1.1 Associaal gedrag................................................................................11
H4.1.2 Internaliseren en internaliserend gedrag...........................................12
H4.1.3 agressie.............................................................................................. 12
H4.2 medische en biologische factoren............................................................12
H4.2.1 kwantitatieve erfelijkheidsstudies......................................................13
H4.2.2 adoptiestudies....................................................................................13
H4.2.3 moleculaire genetische studies..........................................................14
H4.2.4 andere biologische factoren...............................................................14
H4.2.5 Epigenetica........................................................................................ 14
H4.3 Persoonlijkheid en antisociaal gedrag......................................................14
4.3.1 Inleiding................................................................................................... 14
H4.3.2 Typologieën van persoonlijkheid........................................................15
, H4.3.3 Spanningsbehoefte en impulsiviteit...................................................16
H4.3.4 Het vijf-factorenmodel: de 'Big Five'-persoonlijkheidstest..................16
H4.3.5: persoonlijkheidstypen als risicofactor voor antisociaal gedrag.........17
H4.3. 6: persoonlijkheidsstoornissen............................................................18
H4.3.7: attention deficit and hyperactivity disorder (ADHD).........................19
H4.3.8: cognitieve vaardigheden en intelligentie..........................................19
H4.3.9 zelfbeheersing als overkoepelend begrip...........................................19
H4.4: opvoeding en ontwikkeling......................................................................20
H4.4.1 Ouder-kindinteracties en opvoedingsvaardigheden...........................20
H4.4.2 Risicofactoren van ouders..................................................................20
H4.4.3 Ouder- en kindfactoren.......................................................................20
H4.4.4 Parent-Child Interaction Therapy (PCIT).............................................20
H4.5sociaalpsychologisch factoren...................................................................21
4.6 Leertheorieën: Het aan- en afleren van gedrag..........................................22
4.6.1 Klassieke conditionering.......................................................................22
4.6.2 Instrumenteel leren.............................................................................. 22
4.6.3 Sociaal leren......................................................................................... 22
Hoofdstuk 5; Het economisch en sociologisch perspectief..................................23
H5.1: Inleiding.................................................................................................. 23
H5.2: het economische perspectief..................................................................23
H5.2.1 klassieke ideeën................................................................................. 23
H5.2.2: criminologisch model van rationele keuzes.......................................24
H5.2.3 afschrikkingstheorie...........................................................................24
H5.2.4 Gelegenheidsstructuren, routineactiviteiten en situationele preventie
...................................................................................................................... 25
H5.3: het sociologische perspectief..................................................................26
H5.3.2 socialecontroletheorieen....................................................................28
H5.3.3 socialedesorganisatietheorieen..........................................................28
5.3.4 Sociale labelingtheorieën.....................................................................29
5.3.5 Synthetische theorieën.........................................................................29
5.3.6 Situationele actietheorie (SAT).............................................................29
Hoofdstuk 6: criminaliteitspreventie....................................................................30
H6.1 inleiding.................................................................................................... 30
H6.2 beproefde preventie strategieën..............................................................31
6.3 Een tweedimensionale typologie van preventiestrategieën.......................31
6.4 Dadergerichte preventie.............................................................................32
6.4.1 Primaire dadergerichte preventie.........................................................32
, 6.4.2 Secundaire dadergerichte preventie.....................................................32
6.4.3 Tertiaire dadergerichte preventie.........................................................32
6.5 Situationele preventie................................................................................. 32
H6.5.2 tertaire ofwel geindiceerde situationele preventie.............................33
H6.6 slachtoffergerichte preventie...................................................................33
H6.6.1 primaire slachtoffergerichte preventie...............................................33
H6.6.2 Secundaire slachtoffergerichte preventie...........................................34
H6.6.3 tertaire slachtoffer preventie.............................................................34
H6.7 discussie................................................................................................... 34
6.8 Criminaliteitspreventie in Nederland..........................................................34
6.9 Internationale ontwikkelingen.....................................................................35
, Hoofdstuk 1; Criminologie; een
terreinverkenning
H1.1 de opdracht van criminologie
In 2019 was 61% van de Nederlandse bevolking van mening dat criminaliteit in
Nederland alsmaar toeneemt. Daarnaast is 54% van de bevolking van mening
dat criminaliteit echt een groot probleem aan het worden is. Ouderen en
laagopgeleiden hebben deze mening het vaakst. Gezien deze opvattingen
kunnen we zien dat veel Nederlanders hun persoonlijke veiligheid een probleem
vinden
Hoewel autochtonen criminaliteit vaker als een groot probleem zijn voelen juist
Nederlanders met een migratieachtergrond zich vaker onveilig.
Een groot deel van de Nederlandse bevolking (zon 68%) vinden dat de rechter te
lichtte straffen uitdeelt.
Vooral als men bepaalde sociale kenmerken gemeen heeft met het slachtoffer
kunnen de angstgevoelens hoog oplopen. Hoe dichter bij een incident
plaatsvindt hoe banger de bewoners worden, bijvoorbeeld in eigen gemeente.
Ernstige misdrijven roepen naast empathie met de slachtoffers en gevoelens van
angst ook gevoelens van afschuw en woede op. Men is moreel verontwaardigd
dat de dader de ander zoveel leed aandoet en kennelijk lak heeft aan
elementaire normen van goed en kwaad zoals respect voor andermans fysieke of
seksuele integriteit
De beroemde Franse socioloog Durkheim (1858-1917) heeft erop gewezen dat
criminaliteit juist door het oproepen van negatieve emoties een positieve sociale
functie vervult door hun gevoelens van morele verontwaardiging met elkaar te
delen bevestigen de groepsleden bovendien elkaar in normbesef, iedereen wordt
weer schep en bewust van waar de normatieve grenzen liggen.
De informele reacties op misdrijven hebben door de loskomende sterke emoties
de neiging te ontsporen. In beschaafde landen staat de overheid daarom
terughoudend tegenover burgerwachten en zeker burgers die het hef in eigen
handen nemen en zelf straffen gaan uitdelen. Dit staat in primitievere culturen
waar interne sociale spanningen opgeheven worden door een zondebok te
doden. Het zondebokmeganisme (girard, 1982) kan ook in de moderne tijd nog
optreden, bijvoorbeeld het ophangen van getinte Amerikanen tijdens de
rassenrellen.
Het leggen van een relatie tussen etnische minderheden of asielzoekers en
criminaliteit kan gemakkelijk voedsel geven aan sluimerende gevoelens van
vreemdelingenhaat
H1.2 wat is criminologie
De criminologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van
de aard en achtergronden van menselijke gedragingen die door de wetgever
Jan van Dijk, Wim Huisman, Paul Nieuwbeerta
Inhoud
Hoofdstuk 1; Criminologie; een terreinverkenning.................................................4
H1.1 de opdracht van criminologie.....................................................................4
H1.2 wat is criminologie..................................................................................... 4
H1.3 geschiedenis van de criminologie..............................................................5
H1.3.1 Klassieke oudheid tot middeleeuwen...................................................5
H1.3.2 Renaissance naar verlichting...............................................................5
H1.3.3 De klassieke school.............................................................................. 5
H1.3.4 de positivistische school......................................................................6
H1.3.5 De Italiaanse antroplogieschool...........................................................6
H1.3.6; de franse millieuschool.......................................................................6
H1.3.7 De socialistische criminologie..............................................................6
H1.3.8 Kritische criminologie...........................................................................6
H1.3.9 veramerikanisering.............................................................................. 6
H1.4 Aandachtsgebieden binnen criminologie....................................................6
Hoofdstuk 2; beschrijvende criminologie...............................................................7
H2.1; Inleiding.................................................................................................... 7
H2.2; Politiecijfers............................................................................................... 7
H2.3 Onderzoek naar verborgen criminaliteit.....................................................9
Hoofdstuk 4; Verklaringen voor criminaliteit, psychologisch aspect....................11
H4.1 antisociaal gedrag en aggressie...............................................................11
H4.1.1 Associaal gedrag................................................................................11
H4.1.2 Internaliseren en internaliserend gedrag...........................................12
H4.1.3 agressie.............................................................................................. 12
H4.2 medische en biologische factoren............................................................12
H4.2.1 kwantitatieve erfelijkheidsstudies......................................................13
H4.2.2 adoptiestudies....................................................................................13
H4.2.3 moleculaire genetische studies..........................................................14
H4.2.4 andere biologische factoren...............................................................14
H4.2.5 Epigenetica........................................................................................ 14
H4.3 Persoonlijkheid en antisociaal gedrag......................................................14
4.3.1 Inleiding................................................................................................... 14
H4.3.2 Typologieën van persoonlijkheid........................................................15
, H4.3.3 Spanningsbehoefte en impulsiviteit...................................................16
H4.3.4 Het vijf-factorenmodel: de 'Big Five'-persoonlijkheidstest..................16
H4.3.5: persoonlijkheidstypen als risicofactor voor antisociaal gedrag.........17
H4.3. 6: persoonlijkheidsstoornissen............................................................18
H4.3.7: attention deficit and hyperactivity disorder (ADHD).........................19
H4.3.8: cognitieve vaardigheden en intelligentie..........................................19
H4.3.9 zelfbeheersing als overkoepelend begrip...........................................19
H4.4: opvoeding en ontwikkeling......................................................................20
H4.4.1 Ouder-kindinteracties en opvoedingsvaardigheden...........................20
H4.4.2 Risicofactoren van ouders..................................................................20
H4.4.3 Ouder- en kindfactoren.......................................................................20
H4.4.4 Parent-Child Interaction Therapy (PCIT).............................................20
H4.5sociaalpsychologisch factoren...................................................................21
4.6 Leertheorieën: Het aan- en afleren van gedrag..........................................22
4.6.1 Klassieke conditionering.......................................................................22
4.6.2 Instrumenteel leren.............................................................................. 22
4.6.3 Sociaal leren......................................................................................... 22
Hoofdstuk 5; Het economisch en sociologisch perspectief..................................23
H5.1: Inleiding.................................................................................................. 23
H5.2: het economische perspectief..................................................................23
H5.2.1 klassieke ideeën................................................................................. 23
H5.2.2: criminologisch model van rationele keuzes.......................................24
H5.2.3 afschrikkingstheorie...........................................................................24
H5.2.4 Gelegenheidsstructuren, routineactiviteiten en situationele preventie
...................................................................................................................... 25
H5.3: het sociologische perspectief..................................................................26
H5.3.2 socialecontroletheorieen....................................................................28
H5.3.3 socialedesorganisatietheorieen..........................................................28
5.3.4 Sociale labelingtheorieën.....................................................................29
5.3.5 Synthetische theorieën.........................................................................29
5.3.6 Situationele actietheorie (SAT).............................................................29
Hoofdstuk 6: criminaliteitspreventie....................................................................30
H6.1 inleiding.................................................................................................... 30
H6.2 beproefde preventie strategieën..............................................................31
6.3 Een tweedimensionale typologie van preventiestrategieën.......................31
6.4 Dadergerichte preventie.............................................................................32
6.4.1 Primaire dadergerichte preventie.........................................................32
, 6.4.2 Secundaire dadergerichte preventie.....................................................32
6.4.3 Tertiaire dadergerichte preventie.........................................................32
6.5 Situationele preventie................................................................................. 32
H6.5.2 tertaire ofwel geindiceerde situationele preventie.............................33
H6.6 slachtoffergerichte preventie...................................................................33
H6.6.1 primaire slachtoffergerichte preventie...............................................33
H6.6.2 Secundaire slachtoffergerichte preventie...........................................34
H6.6.3 tertaire slachtoffer preventie.............................................................34
H6.7 discussie................................................................................................... 34
6.8 Criminaliteitspreventie in Nederland..........................................................34
6.9 Internationale ontwikkelingen.....................................................................35
, Hoofdstuk 1; Criminologie; een
terreinverkenning
H1.1 de opdracht van criminologie
In 2019 was 61% van de Nederlandse bevolking van mening dat criminaliteit in
Nederland alsmaar toeneemt. Daarnaast is 54% van de bevolking van mening
dat criminaliteit echt een groot probleem aan het worden is. Ouderen en
laagopgeleiden hebben deze mening het vaakst. Gezien deze opvattingen
kunnen we zien dat veel Nederlanders hun persoonlijke veiligheid een probleem
vinden
Hoewel autochtonen criminaliteit vaker als een groot probleem zijn voelen juist
Nederlanders met een migratieachtergrond zich vaker onveilig.
Een groot deel van de Nederlandse bevolking (zon 68%) vinden dat de rechter te
lichtte straffen uitdeelt.
Vooral als men bepaalde sociale kenmerken gemeen heeft met het slachtoffer
kunnen de angstgevoelens hoog oplopen. Hoe dichter bij een incident
plaatsvindt hoe banger de bewoners worden, bijvoorbeeld in eigen gemeente.
Ernstige misdrijven roepen naast empathie met de slachtoffers en gevoelens van
angst ook gevoelens van afschuw en woede op. Men is moreel verontwaardigd
dat de dader de ander zoveel leed aandoet en kennelijk lak heeft aan
elementaire normen van goed en kwaad zoals respect voor andermans fysieke of
seksuele integriteit
De beroemde Franse socioloog Durkheim (1858-1917) heeft erop gewezen dat
criminaliteit juist door het oproepen van negatieve emoties een positieve sociale
functie vervult door hun gevoelens van morele verontwaardiging met elkaar te
delen bevestigen de groepsleden bovendien elkaar in normbesef, iedereen wordt
weer schep en bewust van waar de normatieve grenzen liggen.
De informele reacties op misdrijven hebben door de loskomende sterke emoties
de neiging te ontsporen. In beschaafde landen staat de overheid daarom
terughoudend tegenover burgerwachten en zeker burgers die het hef in eigen
handen nemen en zelf straffen gaan uitdelen. Dit staat in primitievere culturen
waar interne sociale spanningen opgeheven worden door een zondebok te
doden. Het zondebokmeganisme (girard, 1982) kan ook in de moderne tijd nog
optreden, bijvoorbeeld het ophangen van getinte Amerikanen tijdens de
rassenrellen.
Het leggen van een relatie tussen etnische minderheden of asielzoekers en
criminaliteit kan gemakkelijk voedsel geven aan sluimerende gevoelens van
vreemdelingenhaat
H1.2 wat is criminologie
De criminologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van
de aard en achtergronden van menselijke gedragingen die door de wetgever