1 Leren
1.1 Leren
• Kenmerken:
1. Mentaal proces
2. Leeractiviteiten
3. Altijd leerinhoud
a. Feitelijke kennis = basiselementen om problemen op te lossen.
b. Conceptuele kennis = relaties tussen basiselementen om verbanden te zien.
c. Procedurele kennis = manieren van onderzoeken en criteria van methodes.
d. Metacognitieve kennis = kennis over kennis, zelfkennis en zelfbewustzijn.
4. Binnen context, leeromgeving of situatie
5. Relatief stabiel
6. Vorm van gedragsverandering
o Tijdelijke of toevallige gedragsveranderingen door drugs, alcohol en vermoeidheid
o Als rijping wanneer interne factoren hebben bijgedragen
o Tussen rijping en leren zit een wisselwerking
- Hele tijd, op verschillende manieren vb: theorie verwerken, interactie, ervaring…
7. Leren en onderwijzen met elkaar verbonden
• Vormen van leren:
- Schoolse leren = doelgericht, gestructureerd en gericht op vooropgestelde doelen.
o Formeel en intentioneel van aard
- Buitenschoolse leren = kan overal gebeuren en is spontaan.
o Informeel en incidenteel
• Leertheorieën:
1. Behavioristische visie: Respons
o Black-box-benadering: Stimulus Lerende (waarneembaar)
o Mentale leerprocessen buiten beschouwing
o Shaping = procedure om nieuw gedrag stapsgewijs aan te leren via positieve
bekrachtiging.
a. Klassieke conditionering = 1 gebeurtenis met een andere associëren.
▪ Associatieprincipe door Pavlov
▪ Onwillekeurige/reflexmatige gedragingen = buiten onze wil.
-> Reflex is automatische reactie op een specifieke prikkel
▪ Uitdoving of extinctie
▪ Uitgedoofde relatie is gemakkelijk te herconditioneren
▪ Stimulusveralgemening of -generalisatie
▪ Stimulusdiscriminatie
b. Operante conditionering = leren door proberen. (trial-and-error)
▪ Door Skinner &Thorndike
▪ Wet van effect:
▪ Gedrag + bekrachting = aanleren.
• Vaker voorkomen
▪ Gedrag + geen bekrachting = afleren.
• Minder voorkomen
▪ Gedrag verandert door gevolgen
c. Leren door imiteren, modelleren of sociaal leren
▪ Fasen van imitatie
, 1) Verwervingsfase = leren door anderen waar te nemen en modelgedrag
op te slaan (cognitief proces)
2) Uitvoeringsfase = gedrag van geobserveerde model nadoen. Hangt af
van staat van persoon en mogelijke consequenties van gedrag.
▪ Kenmerken:
• Gevolgen van gedrag bij ander waarnelen
• Aandachtig en bewust waarnemen
• Gemotiveerd zijn om te imiteren
• Lerende wil gelijkenis vertonen met model
• In staat zijn om gedrag te reproduceren
2. Cognitivistische visie:
o Informatie verwerkend systeem: Input Verwerking Output
o Input = informatie uit omgeving selecteren en opnemen om er betekenis aan te geven.
o Verwerking = opslaan in langetermijngeheugen.
o Output = bepaalde beslissingen maken a.d.h.v. de informatie.
o Jerome Burner & David Ausubel: elk mens heeft een kennisstructuur,
representatiesysteem
▪ Met opslagfunctie en rol bij ophalen van kennis
▪ Door te koppelen aan ankerbegrippen
a. Inzichtelijk leren = oplossing voor problemen vinden door elementen uit omgeving.
▪ Doelgerichte organisatie van probleemsituatie
▪ Kenmerken:
• Aha-erlebnis
• Inzicht in gelijkaardige situaties kunnen gebruiken
• Oplossing die geen resultaat oplevert, proberen we niet
• Volledige situatie om tot inzicht te komen
3. Constructivistische visie:
o Kritiek op cognitivisme
▪ Sterk accent op cognitief leren
▪ Spontane, natuurlijke leren ontbreekt
▪ Individueel, sociaal leren ontbreekt
o Leren is…
▪ Actief ▪ Doelgericht
▪ Betekenis verlenend ▪ Gesitueerd
▪ Cumulatief ▪ Individueel van kennisverwerving,
▪ Zelfregulerend betekenisgeving en vaardigheidsontwikkeling
o Nieuwe kennis wordt gekoppeld aan voorkennis
o Lerende staat centraal en bouwt zelf kennis op
▪ Doel krijgen om naartoe te werken
o Lkr gidst en begeleidt leerprocessen
4. Connectivistische visie:
o Technologie en verbinding als leeractiviteiten
▪ Waarmee, hoe en waar we leren
o Belangrijker om toegang te hebben tot kennis
o Kenmerken:
▪ Informeel leren op verschillende manieren
▪ Continu proces
▪ Technologie heeft impact op onze hersenen
1.2 Geheugen
• Geheugenprocessen: