FYSIOLOGIE
2023-2024
, 1. ZENUWSTELSTEL
O H10: ORGANISATIE VAN HET ZENUWSTELSEL
➢ HET MENSELIJK BREIN
• Meest complexe weefsel in het lichaam (“orgaan van het bewustzijn”), krijgt veel input
o Onderverdeeld in en wordt gescheiden door 3 membranen (“meninges”): dura mater,
arachnoid en pa mater (binnenste)
▪ Centrale zenuwstelsel (CNS): brein en ruggengraat
• Oligodendrocyten voorzien myeline
• Axonen kunnen niet regenereren
• Informatieverwerking
▪ Perifere zenuwstelsel (PNS): perifere ganglia, sensorische receptoren, …
• Informatieverwerking
▪ Autonome zenuwstelsel (ANS): geselecteerde regio’s van CNS en PNS
• Controleert/ reguleert de organen (viscera)
• Functioneert op zichzelf
• Maakt gebruik van CNS en PNS
o Hoe wordt informatie getransporteerd? (eerste indeling neuronen)
▪ Afferent = naar CNS (sensorische input vb. pijn)
▪ Efferent = weg van CNS (vb. motoreenheden)
➢ ALGEMENE MORFOLOGIE NEURONEN
• Neuronen bestaan uit 4 regio’s:
o Cellichaam (soma): regio rond de kern die zorgt voor neuronale ‘huishoud functies’ zoals
synthese van proteïnen
o Dendrieten: uitsteeksels van het cellichaam die informatie verzamelen en
versturen, bevatten receptoren en microtubili/ ER uitlopers (informatie komt
toe vanuit dendrieten)
▪ Stimulatie:
• Neurotransmitter (vb. van presynaptisch
uiteinde):synaptische potentiaal
• Mechanisch (vb. pijn of licht): receptor potentiaal
• Bij beide verandering in membraanpotentiaal
o Axonen: initiëren van APs (initiale segment: niet gemelyeniseerd -> bepalen
of er APs gevuurd zullen worden) en versturen van signalen over lange
afstanden.
▪ Kunnen zeer lang zijn (myeline)
▪ Verbruiken veel energie (mitochondriën aanwezig)
▪ Bevatten microtubili/neurofilamenten die snel materiaal kunnen
verplaatsen tussen de nucleus en uiteinden van de axonen
o Presynaptische terminals: transmissie van elektrische/chemische signalen
2
,• Georganiseerde structuur (gepolariseerde cel, cytoskelet) van neuronen wordt onderbouwd door
MAP (microtubule associated proteins)
o Zorgen dat er snel transport van eiwitten is van soma
naar presynaptisch uiteinde (diffusie is zeer traag,
dus actief transport nodig)
▪ Kinesin en dynein zijn ATPases
• Kinesin: cellichaam -> synaptisch
uiteinde of dendriet (anterograde)
• Dynein: presynaptisch uiteinde of
dendriet -> cellichaam (retrograde)
o Transport van afgebroken
vesikel membraan en afval
proteïnen + geabsorbeerd
exogeen materiaal (vb.
groeifactoren, toxines, virussen)
➢ BASISCLASSIFICATIE VAN NEURONEN
• Afstand axonale projectie (hoe ver gaat het projecteren?)
o Projecterend of principal neuron: lange afstand
▪ Invloed op verschillende gebieden in het brein
▪ Bv. pijnsensatie door ruggengraat
• Dorsale root ganglion cel
o Gelokaliseerde neuronen: dichtbij (vb. interneuronen)
▪ Alleen een invloed bij dichte neuronen
▪ Retinale bipolaire cel
• Patroon van dendritische boom
o Piramidale vorm
▪ Duidelijke verschil tussen dendrieten en axon als
uitloper
▪ Hier: aspiny
o Radiaal neuron
▪ Geen duidelijk verschil tussen dendrieten en axon
▪ Hier: spiny
• Aantal processen
o Unipolair neuron
▪ 1 proces (signaal wordt enkel doorgegeven en niet
verwerkt)
▪ Bv. dorsale root ganglion cel
o Bipolair neuron
▪ 2 processen (beperkte verwerking van signaal)
▪ Bv. retinale bipolaire cel
o Multipolair
▪ Veel processen (veel inputs die worden verwerkt)
▪ Bv. spinale motorneuronen
3
, • Type informatie verstuurd door een neuron (neuronale modaliteit) wordt getypeerd door 3
termen
o Richting van informatie:
▪ Afferent (sensorisch) van de periferie naar het CZS (bv. DRG)
▪ Efferent (motorisch) van het CZS naar spieren of secretoire cellen
o Anatomische distributie van de information flow
▪ Visceraal: van en naar interne organen
▪ Somatisch: van en naar alles behalve interne organen (bv. huid, spier)
o (embryologische oorsprong van de bezenuwde structuur)
➢ ANATOMISCHE OPBOUW CNS
• Centraal zenuwstelsel kan worden opgedeeld in 5 regio’s
o Telencephalon
o Cerebellum
o Diencephalon (thalamus, subthalamus,
hypothalamus)
o Hersenstam
o Wervelkolom
• Deze 5 regio’s zijn omgeven door de 3 membranen: dura mater/
arachnoid en pia mater
o Maken een onderscheid tussen centrale en perifere
zenuwstelsel
o Bloedvaten aanwezig: toevoer van essentiële stoffen
O H11: DE NEURALE MICRO-OMGEVING
➢ CEREBROSIPINAL FLUID (CSF)
• CSF omgeeft de hersenen
o Bevat voedingsstoffen voor de hersenen
o Zorgt ervoor dat de omgeving van neuronen goed
gecontroleerd is, want bloedplasma is niet uniform
genoeg
o Productie van ongeveer 500ml/dag en ververst zich
ongeveer 3x per dag
o In evenwicht (diffusie) met BCEF: voorraad en
afvalverwerking
o Aangemaakt door de choroid plexus (epitheelcellen) en geabsorbeerd door de arachnoid
granulaties
o Schokdemper
o CSF is geen ultrafiltraat van plasma (niet enkel bloed zonder de cellen en proteïnen)
• Extracellulaire vloeistof (BCEF) tussen neuronen en gliacellen
o In contact met CSF + sluiten aan met elkaar => uitwisseling via diffusie
• Aanwezigheid van oplossingen verschilt lichtelijk tussen plasma en CSF
4