Basismethodieken 1: methodiek maatschappelijk werk
Hoofdstuk 1: Welke woorden gebruiken sociaal werkers?
Aanklampende hulpverlening = Een werkwijze waarbij de maatschappelijk werker de
potentiële en/of actuele cliënt actief opspoort, benadert en blijft contacteren vanuit
de overtuiging dat de cliënt zelf de stap naar de hulpverlening (nog) niet kan, wil of
durft zetten terwijl er toch hulpverlening nodig is (zie ook ‘outreaching’ en
‘bemoeizorg’).
Aanmelding = Het eerste contact tussen een hulpvrager/aanmelder en een
organisatie waarbij er vooral informatie gevraagd en informatie gegeven wordt die
direct nodig si om uit te maken of de hulpvrager/aanmelder op de juiste plaats zit.
Aanmeldingsformulier = Een formulier met eerste gegevens over de
aanmeldingsvraag, het aangemelde probleem, de wijze van aanmelding. Het doel is
op een snelle en overzichtelijke manier de eerste gegevens te vragen én te
registreren.
Aanvaarding = Een basisattitude waarbij de social caseworker de cliënt respecteert
om wie of wat hij is, ongeacht huidskleur, sekse, cultuur, gedrag, maatschappelijke
positie, houding, visie. Rogers (1972) heeft het over een onvoorwaardelijke positieve
houding. Aanvaarden van de persoon is iets anders dan het gedrag van de persoon
goedkeuren.
Aanvaarding is niet grenzeloos.
Actief luisteren = Verbale, non-verbale en paralinguïstische (intonatie, klemtonen)
signalen horen en actief respons geven als vorm van totale communicatie.
Advies = Het weloverwogen voorstel van de maatschappelijk werker om de cliënt aan
te zetten tot actie. Een advies wordt onderbouwd of geargumenteerd vanuit testen,
onderzoeken, teambesprekingen en heeft daardoor een zwaardere impact op de
cliënt.
Advocating = Een techniek waarin de maatschappelijk werker als advocaat een
bepaald voorstel tot actie bepleit. De cliënt kan het gedane voorstel daardoor niet zo
gemakkelijk naast zich neerleggen. Als de cliënt het voorstel afwijst of negeert, moet
hem duidelijk op de consequenties worden gewezen.
Analyse = Probleemanalyse: de systematische voortzetting en uitdieping van het
eerste onderzoek van de hulpvraag en de eerste probleemformulering uit de intake.
Anamnese = Het exploreren van de aangemelde situatie waarin veelal gedetailleerd
wordt teruggeblikt op de ontstaansgeschiedenis van de klacht en waarbij meestal
een vaste werkwijze en hulpmiddel (checklist) worden gebruikt.
Bavardage of ‘korte babbel’ = Een Korte, informele babbel – ook wel ‘small talk’
genoemd – om de gesprekssfeer te faciliteren. Soms kan dit informele gesprek op
zich een eigen functie hebben.
Begeleiding = Algemene term om het interactieproces tussen hulpverlener en cliënt
aan te duiden. Het doel kan zowel ondersteunend, stabiliserend dan wel
veranderingsgericht en competentieverhogend zijn.
Belangenbehartiging = Een geheel van activiteiten dat vooral gericht is op het
beïnvloeden van instituties zodat wantoestanden kunnen worden opgeheven of
1
, voorkomen. De maatschappelijk werker treedt hier op als een verdediger van de
cliënten, als een collectieve pleitbezorger.
Bemiddelen = Bemiddelen is een hulpvorm waarbij de bemiddelende partij (die geen
beslissingsmacht heeft) een tussenpositie inneemt t.a.v. de partijen. De bemiddelaar
ondersteunt de partijen om een overeenkomst te bereiken en doet een beroep op de
verantwoordelijkheid van de deelnemers om een beslissing te nemen en om keuzes
te maken. Onderhandelen is hierbij een centrale vaardigheid.
Bemoeizorg = Een actieve, niet-aflatende vasthoudendheid in het bereiken van
mensen (potentiële cliënten), ook wanneer deze duidelijk geen hulpverlening
wensen. De hulp wordt als het ware opgedrongen. Eventueel neemt de
maatschappelijk werker tijdelijk verantwoordelijkheden over van de cliënt.
Casemanager = De hulpverlener die verantwoordelijk is voor het stroomlijnen van
het volledige proces van casemanagement.
Circulair bevragen = Reflectieve techniek waarbij gezinsleden systematisch worden
gevraagd om commentaar te geven op ideeën, gedrag en reacties van de andere
gezinsleden.
Cliënt = Een hulpvrager die beslist (al dan niet gedwongen) gebruik te maken van
het hulp- of dienstverlenend aanbod van een welzijnsorganisatie.
Cliëntsysteem = De cliënt én zijn/haar directe omgeving die in de (probleem)situatie
betrokken zijn. Cliëntsysteem verwijst ook naar de continue, wederzijdse
communicatie of beïnvloeding tussen cliënt en omgeving.
Concrete dienstverlening = Materiële en administratieve ondersteuning gericht op
het verbeteren van de bestaansvoorwaarden.
Confronteren = Een vaardigheid waarbij de maatschappelijk werker discrepanties,
verdraaiingen en inconsequenties op een respectvolle (niet-agressieve) manier
benoemt waardoor de cliënt wordt uitgedaagd tot reflectie en/of tot actie.
Coping/ copingsstijlen = Min of meer vast gedragspatroon dat individuen en
systemen ontwikkelen waardoor ze zich in moeilijke situaties kunnen handhaven en
het evenwicht bewaren.
Dialogische diagnose = Dialogisch diagnosticeren verwijst naar vier dimensies. Er is
sprake van een dialoog met het cliëntsysteem: wederzijds communicatieproces
tussen hulpverlener en cliënt gericht op het leren begrijpen en/of verklaren van de
probleemsituatie met als doelstellingen een helpende, herkenbare en werkbare
(her)definiëring vinden voor de ervaren problemen (inzicht) en een betekenisvol en
perspectiefbiedend uitzicht krijgen. Verder is er een dialoog met de persoon van de
social caseworker, met de organisatie, met de verwijzer, met maatschappelijke
context en met theorieën en referentiekaders.
Discretionaire ruimte = Vrije handelingsruimte van een sociaal werker waarin hij/zij
zich communicatief kan opstellen en zich niet laat domineren door standaardisering
en protocollering.
Disciplinering = Ingrijpen in het leven van een burger, een hulpvrager door een
hulpverlener als gevolg van een controlerende opdracht of in een zorgwekkende
situatie waarbij (deel)verantwoordelijkheid wordt overgenomen.
2
Hoofdstuk 1: Welke woorden gebruiken sociaal werkers?
Aanklampende hulpverlening = Een werkwijze waarbij de maatschappelijk werker de
potentiële en/of actuele cliënt actief opspoort, benadert en blijft contacteren vanuit
de overtuiging dat de cliënt zelf de stap naar de hulpverlening (nog) niet kan, wil of
durft zetten terwijl er toch hulpverlening nodig is (zie ook ‘outreaching’ en
‘bemoeizorg’).
Aanmelding = Het eerste contact tussen een hulpvrager/aanmelder en een
organisatie waarbij er vooral informatie gevraagd en informatie gegeven wordt die
direct nodig si om uit te maken of de hulpvrager/aanmelder op de juiste plaats zit.
Aanmeldingsformulier = Een formulier met eerste gegevens over de
aanmeldingsvraag, het aangemelde probleem, de wijze van aanmelding. Het doel is
op een snelle en overzichtelijke manier de eerste gegevens te vragen én te
registreren.
Aanvaarding = Een basisattitude waarbij de social caseworker de cliënt respecteert
om wie of wat hij is, ongeacht huidskleur, sekse, cultuur, gedrag, maatschappelijke
positie, houding, visie. Rogers (1972) heeft het over een onvoorwaardelijke positieve
houding. Aanvaarden van de persoon is iets anders dan het gedrag van de persoon
goedkeuren.
Aanvaarding is niet grenzeloos.
Actief luisteren = Verbale, non-verbale en paralinguïstische (intonatie, klemtonen)
signalen horen en actief respons geven als vorm van totale communicatie.
Advies = Het weloverwogen voorstel van de maatschappelijk werker om de cliënt aan
te zetten tot actie. Een advies wordt onderbouwd of geargumenteerd vanuit testen,
onderzoeken, teambesprekingen en heeft daardoor een zwaardere impact op de
cliënt.
Advocating = Een techniek waarin de maatschappelijk werker als advocaat een
bepaald voorstel tot actie bepleit. De cliënt kan het gedane voorstel daardoor niet zo
gemakkelijk naast zich neerleggen. Als de cliënt het voorstel afwijst of negeert, moet
hem duidelijk op de consequenties worden gewezen.
Analyse = Probleemanalyse: de systematische voortzetting en uitdieping van het
eerste onderzoek van de hulpvraag en de eerste probleemformulering uit de intake.
Anamnese = Het exploreren van de aangemelde situatie waarin veelal gedetailleerd
wordt teruggeblikt op de ontstaansgeschiedenis van de klacht en waarbij meestal
een vaste werkwijze en hulpmiddel (checklist) worden gebruikt.
Bavardage of ‘korte babbel’ = Een Korte, informele babbel – ook wel ‘small talk’
genoemd – om de gesprekssfeer te faciliteren. Soms kan dit informele gesprek op
zich een eigen functie hebben.
Begeleiding = Algemene term om het interactieproces tussen hulpverlener en cliënt
aan te duiden. Het doel kan zowel ondersteunend, stabiliserend dan wel
veranderingsgericht en competentieverhogend zijn.
Belangenbehartiging = Een geheel van activiteiten dat vooral gericht is op het
beïnvloeden van instituties zodat wantoestanden kunnen worden opgeheven of
1
, voorkomen. De maatschappelijk werker treedt hier op als een verdediger van de
cliënten, als een collectieve pleitbezorger.
Bemiddelen = Bemiddelen is een hulpvorm waarbij de bemiddelende partij (die geen
beslissingsmacht heeft) een tussenpositie inneemt t.a.v. de partijen. De bemiddelaar
ondersteunt de partijen om een overeenkomst te bereiken en doet een beroep op de
verantwoordelijkheid van de deelnemers om een beslissing te nemen en om keuzes
te maken. Onderhandelen is hierbij een centrale vaardigheid.
Bemoeizorg = Een actieve, niet-aflatende vasthoudendheid in het bereiken van
mensen (potentiële cliënten), ook wanneer deze duidelijk geen hulpverlening
wensen. De hulp wordt als het ware opgedrongen. Eventueel neemt de
maatschappelijk werker tijdelijk verantwoordelijkheden over van de cliënt.
Casemanager = De hulpverlener die verantwoordelijk is voor het stroomlijnen van
het volledige proces van casemanagement.
Circulair bevragen = Reflectieve techniek waarbij gezinsleden systematisch worden
gevraagd om commentaar te geven op ideeën, gedrag en reacties van de andere
gezinsleden.
Cliënt = Een hulpvrager die beslist (al dan niet gedwongen) gebruik te maken van
het hulp- of dienstverlenend aanbod van een welzijnsorganisatie.
Cliëntsysteem = De cliënt én zijn/haar directe omgeving die in de (probleem)situatie
betrokken zijn. Cliëntsysteem verwijst ook naar de continue, wederzijdse
communicatie of beïnvloeding tussen cliënt en omgeving.
Concrete dienstverlening = Materiële en administratieve ondersteuning gericht op
het verbeteren van de bestaansvoorwaarden.
Confronteren = Een vaardigheid waarbij de maatschappelijk werker discrepanties,
verdraaiingen en inconsequenties op een respectvolle (niet-agressieve) manier
benoemt waardoor de cliënt wordt uitgedaagd tot reflectie en/of tot actie.
Coping/ copingsstijlen = Min of meer vast gedragspatroon dat individuen en
systemen ontwikkelen waardoor ze zich in moeilijke situaties kunnen handhaven en
het evenwicht bewaren.
Dialogische diagnose = Dialogisch diagnosticeren verwijst naar vier dimensies. Er is
sprake van een dialoog met het cliëntsysteem: wederzijds communicatieproces
tussen hulpverlener en cliënt gericht op het leren begrijpen en/of verklaren van de
probleemsituatie met als doelstellingen een helpende, herkenbare en werkbare
(her)definiëring vinden voor de ervaren problemen (inzicht) en een betekenisvol en
perspectiefbiedend uitzicht krijgen. Verder is er een dialoog met de persoon van de
social caseworker, met de organisatie, met de verwijzer, met maatschappelijke
context en met theorieën en referentiekaders.
Discretionaire ruimte = Vrije handelingsruimte van een sociaal werker waarin hij/zij
zich communicatief kan opstellen en zich niet laat domineren door standaardisering
en protocollering.
Disciplinering = Ingrijpen in het leven van een burger, een hulpvrager door een
hulpverlener als gevolg van een controlerende opdracht of in een zorgwekkende
situatie waarbij (deel)verantwoordelijkheid wordt overgenomen.
2