Psychologie van de levensloop
Hoofdstuk 1: terreinverkenning
1.1 korte historiek
Levenslooppsychologie ontstond pas in 2e helft van negentiende eeuw.
Gedrag: zichtbaar handelen, maar ook de wijze waarop mensen zichzelf en de wereld
waarnemen, hoe ze denken en fantaseren en welke gevoelens en verlangens ze daarbij
ervaren.
1.1.1 verre voorgeschiedenis
Voedingsbodem bestaat uit spontane vragen en stukjes inzichten die mensen opdoen
bij hun alledaagse bezigheden.
Door veelvuldige ervaringen ontstaan denkbeelden over hoe de wereld in elkaar zit.
Voorwetenschappelijke ontwikkelingspsychologie:
Ook de veranderingen die zich doorheen de verschillende levensfasen voordoen in het
gedrag van mensen, gaven aanleiding tot het ontstaan van zeer uiteenlopende inzichten
en beweringen over wat typisch heet te zijn voor bepaalde leeftijden. Vele daarvan zijn
in de loop der tijden deel gaan maken van het gewone taalgebruik. ‘kinderlijke fantasie’,
‘wijsheid der jaren’, ‘jeugdige overmoed’.
Welke factoren sturen de ontwikkeling aan:
- nativisten: mens uiteindelijk ontwikkelen tot wat de natuur ons heeft
meegegeven (nature)
- empiristen: nadruk op de rol van ervaring en opvoeding, ieder kind kan nog alle
kanten uit. (nurture)
nature-nurture-debat:
- nature: voor natuurlijke aanleg die je meekrijgt bij de bevruchting
- nurture: voor alle invloeden – zowel fysieke als psychosociale – die daar nadien
op inwerken
1.1.2 start van de ‘genetische’ psychologie
In de 18e eeuw, maar vooral in de 19e eeuw
Babybiografieën: min of meer systematische basis aantekeningen over de vorderingen
in het gedrag van hun eigen kinderen.
,Observeren -> vrij boze gegevens – erg subjectieve aantekeningen over de ontwikkeling
van slechts één of hooguit een paar kinderen – nieuw was dat men zich bij zijn
oordeelsvorming baseerde op een meer systematische observatie van het gedrag.
Laatste kwart v/d 19e eeuw
Wetenschappelijke theorievorming: aantonen tussen het ontstaan van de
verschillende levensvormen en de manier waarop een individu zich ontwikkelt.
Aanleiding tot recapitulatietheorie
Recapitulatietheorie: opvatting als zou de ontogenese, dat is de ontwikkeling van ieder
individu apart, een versnelde recapitulatie of herhaling zijn van de fylogenese, de
evaluatie van primitieve naar meer gecompliceerde levensvormen.
- M.a.w de ontogenese is een versnelde herhaling van de fylogenese waarbij de
ontogenese staat voor de ontwikkeling van het individu en de fylogenese voor de
evolutie van de menselijke soort
- De recapitulatietheorie was van oordeel dat de opeenvolgende stadia van de
prenatale ontwikkeling parallel lopen met de ontwikkeling van de verschillende
levensvormen op aarde
Ontogenese: de groei (verandering in omvang) en ontwikkeling (verandering in vorm) van
een organisme.
Fylogenie: de evolutionaire geschiedenis van een soort of andere groep van organismen
Tweede helft van de 20e eeuw
Genetische psychologie, erfelijk gestuurd
1.1.3 omvorming tot een ontwikkelingspsychologie
nieuwe onderzoekstechnieken:
- Waardoor groepen met mensen van diverse leeftijden vlotter en op een meer
objectieve manier onderzocht konden worden.
- Er werden ook statistische methodes ontwikkeld om de verzamelde gegevens
beter te kunnen ordenen en er op een meer verantwoorde manier conclusies uit
te trekken.
Theorievorming nieuwe impulsen: (rijpingsproces)
- In Europa als in Amerika, psychologen met een sterke pedagogische interesse,
die om begrijpelijke redenen veel meer de nadruk legden op de rol van de
opvoeding in de ontwikkeling
, - Opkomst van het Amerikaanse behaviorisme, dat vanuit de studie van het
leerproces bijzonder veel gewicht toekende aan de invloed van ervaringen in het
ontstaan van gedragsveranderingen
Genetische psychologie: de studie van een erfelijk (dat is genetisch) gestuurde
ontwikkeling (of genese) van een ‘volwassen’ mens in feite achterhaald was.
Neutraal klinkende benaming -> ontwikkelingspsychologie
1.1.4 uitgroei tot een volwaardige levenslooppsychologie
halfweg 20e eeuw
overtuigd dat een ontwikkeling eindigde tot aan de puberteit
puberteit: definitieve afscheid van kindertijd en het zich geleidelijk invoegen in het
volwassen leven
vandaag: ontwikkeling als een levenslang veranderingsproces
ieder levensfase opent nieuwe perspectieven:
- gedragsvormen
- opvattingen
- vaardigheden veranderen
kinderen: ijverig bezig blijven met het observeren van kinderen
adolescentie:
- vooral sociologen
- na 2e wereldoorlog, jongeren de kan som langer naar school te gaan
- anders beginnen gedragen dan volwassenen
- daarom interessant
ouderen:
- groeiende interesse voor de problemen van ouderen
- vanuit medische hoek
- pas later een aparte maatschappelijke groep vormen
- ten gevolge van veralgemening van de pensionering
- medische-biologisch georiënteerde gerontologie of ouderdomskunde
volwassenheid:
- langste verstoken van systematisch onderzoek
- gezien als stabiele periode
- vele jaren geen schokkende gedragsveranderingen te verwachten zijn
- introspectiemethode (gevoelens en gewaarwordingen rapporteren)
, levenslooppsychologie: een psychologie waarin de mens bestudeerd wordt in heel zijn
ontwikkelingsgang, van bij het prille begin in de baarmoeder over de verschillende fasen
van kindsheid en volwassenheid heen, tot in de hoge ouderdom en pas eindigend met
de dood.
1.2 de indeling in fasen
1.2.1 de continuïteit of discontinuïteit in de ontwikkeling
iedere levensfase heel specifieke kenmerken:
- kwantitatief: bijvoorbeeld inzake lichaamsgestalte en de hoeveelheid kennis en
vaardigheden waarover hij beschikt
- kwalitatief: manier van denken, voelen en handelen heel anders uitziet dan in de
periodes ervoor of erna
discontinuïteit: periodes met een vrij stabiele verschijningswijze afgewisseld worden
door relatief korte overgangsfasen, die soms zelfs het uitzicht kunnen hebben van een
crisis waar men doorheen moet (bv. puberteit of de adolescentie)
mens veranderd continu?
Continue ontwikkeling: wijzen er onder meer op dat de verschillende aspecten die men
in het gedrag onderscheidt (motorisch, cognitief, sociaal, emotioneel), zich niet steeds
synchroon ontwikkelen en dat er al daarom geen sprake kan zijn van afgescheiden
periodes.
7 soorten theorieën of ontwikkelingsmodellen (Henri Cammaer):
- trapmodel
- lijnmodel
- gelaagde model
- metamorfosemodel
- golfmodel
- slingermodel
- spiraalmodel
1.2.2 het trapmodel
- meest klassieke voorstelling
- symmetrische op- en neergaande trap
- hoogte punt rond de leeftijd van 50 jaar
- iedere levensfase een zinvol onderdeel van een groter geheel
- gestalt: zinvol samenhangend geheel
- gestaltpsychologie
- volgens Duitse psycholoog Charlotte, draait alles rond een levensdoel
- indeling van de levensloop in 5 opeenvolgende fasen:
Hoofdstuk 1: terreinverkenning
1.1 korte historiek
Levenslooppsychologie ontstond pas in 2e helft van negentiende eeuw.
Gedrag: zichtbaar handelen, maar ook de wijze waarop mensen zichzelf en de wereld
waarnemen, hoe ze denken en fantaseren en welke gevoelens en verlangens ze daarbij
ervaren.
1.1.1 verre voorgeschiedenis
Voedingsbodem bestaat uit spontane vragen en stukjes inzichten die mensen opdoen
bij hun alledaagse bezigheden.
Door veelvuldige ervaringen ontstaan denkbeelden over hoe de wereld in elkaar zit.
Voorwetenschappelijke ontwikkelingspsychologie:
Ook de veranderingen die zich doorheen de verschillende levensfasen voordoen in het
gedrag van mensen, gaven aanleiding tot het ontstaan van zeer uiteenlopende inzichten
en beweringen over wat typisch heet te zijn voor bepaalde leeftijden. Vele daarvan zijn
in de loop der tijden deel gaan maken van het gewone taalgebruik. ‘kinderlijke fantasie’,
‘wijsheid der jaren’, ‘jeugdige overmoed’.
Welke factoren sturen de ontwikkeling aan:
- nativisten: mens uiteindelijk ontwikkelen tot wat de natuur ons heeft
meegegeven (nature)
- empiristen: nadruk op de rol van ervaring en opvoeding, ieder kind kan nog alle
kanten uit. (nurture)
nature-nurture-debat:
- nature: voor natuurlijke aanleg die je meekrijgt bij de bevruchting
- nurture: voor alle invloeden – zowel fysieke als psychosociale – die daar nadien
op inwerken
1.1.2 start van de ‘genetische’ psychologie
In de 18e eeuw, maar vooral in de 19e eeuw
Babybiografieën: min of meer systematische basis aantekeningen over de vorderingen
in het gedrag van hun eigen kinderen.
,Observeren -> vrij boze gegevens – erg subjectieve aantekeningen over de ontwikkeling
van slechts één of hooguit een paar kinderen – nieuw was dat men zich bij zijn
oordeelsvorming baseerde op een meer systematische observatie van het gedrag.
Laatste kwart v/d 19e eeuw
Wetenschappelijke theorievorming: aantonen tussen het ontstaan van de
verschillende levensvormen en de manier waarop een individu zich ontwikkelt.
Aanleiding tot recapitulatietheorie
Recapitulatietheorie: opvatting als zou de ontogenese, dat is de ontwikkeling van ieder
individu apart, een versnelde recapitulatie of herhaling zijn van de fylogenese, de
evaluatie van primitieve naar meer gecompliceerde levensvormen.
- M.a.w de ontogenese is een versnelde herhaling van de fylogenese waarbij de
ontogenese staat voor de ontwikkeling van het individu en de fylogenese voor de
evolutie van de menselijke soort
- De recapitulatietheorie was van oordeel dat de opeenvolgende stadia van de
prenatale ontwikkeling parallel lopen met de ontwikkeling van de verschillende
levensvormen op aarde
Ontogenese: de groei (verandering in omvang) en ontwikkeling (verandering in vorm) van
een organisme.
Fylogenie: de evolutionaire geschiedenis van een soort of andere groep van organismen
Tweede helft van de 20e eeuw
Genetische psychologie, erfelijk gestuurd
1.1.3 omvorming tot een ontwikkelingspsychologie
nieuwe onderzoekstechnieken:
- Waardoor groepen met mensen van diverse leeftijden vlotter en op een meer
objectieve manier onderzocht konden worden.
- Er werden ook statistische methodes ontwikkeld om de verzamelde gegevens
beter te kunnen ordenen en er op een meer verantwoorde manier conclusies uit
te trekken.
Theorievorming nieuwe impulsen: (rijpingsproces)
- In Europa als in Amerika, psychologen met een sterke pedagogische interesse,
die om begrijpelijke redenen veel meer de nadruk legden op de rol van de
opvoeding in de ontwikkeling
, - Opkomst van het Amerikaanse behaviorisme, dat vanuit de studie van het
leerproces bijzonder veel gewicht toekende aan de invloed van ervaringen in het
ontstaan van gedragsveranderingen
Genetische psychologie: de studie van een erfelijk (dat is genetisch) gestuurde
ontwikkeling (of genese) van een ‘volwassen’ mens in feite achterhaald was.
Neutraal klinkende benaming -> ontwikkelingspsychologie
1.1.4 uitgroei tot een volwaardige levenslooppsychologie
halfweg 20e eeuw
overtuigd dat een ontwikkeling eindigde tot aan de puberteit
puberteit: definitieve afscheid van kindertijd en het zich geleidelijk invoegen in het
volwassen leven
vandaag: ontwikkeling als een levenslang veranderingsproces
ieder levensfase opent nieuwe perspectieven:
- gedragsvormen
- opvattingen
- vaardigheden veranderen
kinderen: ijverig bezig blijven met het observeren van kinderen
adolescentie:
- vooral sociologen
- na 2e wereldoorlog, jongeren de kan som langer naar school te gaan
- anders beginnen gedragen dan volwassenen
- daarom interessant
ouderen:
- groeiende interesse voor de problemen van ouderen
- vanuit medische hoek
- pas later een aparte maatschappelijke groep vormen
- ten gevolge van veralgemening van de pensionering
- medische-biologisch georiënteerde gerontologie of ouderdomskunde
volwassenheid:
- langste verstoken van systematisch onderzoek
- gezien als stabiele periode
- vele jaren geen schokkende gedragsveranderingen te verwachten zijn
- introspectiemethode (gevoelens en gewaarwordingen rapporteren)
, levenslooppsychologie: een psychologie waarin de mens bestudeerd wordt in heel zijn
ontwikkelingsgang, van bij het prille begin in de baarmoeder over de verschillende fasen
van kindsheid en volwassenheid heen, tot in de hoge ouderdom en pas eindigend met
de dood.
1.2 de indeling in fasen
1.2.1 de continuïteit of discontinuïteit in de ontwikkeling
iedere levensfase heel specifieke kenmerken:
- kwantitatief: bijvoorbeeld inzake lichaamsgestalte en de hoeveelheid kennis en
vaardigheden waarover hij beschikt
- kwalitatief: manier van denken, voelen en handelen heel anders uitziet dan in de
periodes ervoor of erna
discontinuïteit: periodes met een vrij stabiele verschijningswijze afgewisseld worden
door relatief korte overgangsfasen, die soms zelfs het uitzicht kunnen hebben van een
crisis waar men doorheen moet (bv. puberteit of de adolescentie)
mens veranderd continu?
Continue ontwikkeling: wijzen er onder meer op dat de verschillende aspecten die men
in het gedrag onderscheidt (motorisch, cognitief, sociaal, emotioneel), zich niet steeds
synchroon ontwikkelen en dat er al daarom geen sprake kan zijn van afgescheiden
periodes.
7 soorten theorieën of ontwikkelingsmodellen (Henri Cammaer):
- trapmodel
- lijnmodel
- gelaagde model
- metamorfosemodel
- golfmodel
- slingermodel
- spiraalmodel
1.2.2 het trapmodel
- meest klassieke voorstelling
- symmetrische op- en neergaande trap
- hoogte punt rond de leeftijd van 50 jaar
- iedere levensfase een zinvol onderdeel van een groter geheel
- gestalt: zinvol samenhangend geheel
- gestaltpsychologie
- volgens Duitse psycholoog Charlotte, draait alles rond een levensdoel
- indeling van de levensloop in 5 opeenvolgende fasen: