RZL: RELIGIE, ZINGEVING EN LEVENSBESCHOUWING
RELIGIE
Een levensbeschouwing waarin verbondenheid centraal staat en
waarin het mysterie-karakter van de werkelijkheid of het leven wordt
erkend.
Verbondenheid met jezelf, de anderen, de natuur, het grotere geheel
Mysterie karakter er is meer dan wat er zintuigelijk zichtbaar is en dan wat we
met ons verstand kunnen begrijpen
GODSDIENST
Een levensbeschouwing waarin ‘geloven’ in God’ als betekenisvol
wordt ervaren en een doorslaggevende rol speelt in het beantwoorden
van de vraag naar zingeving
Er bestaan verschillende (soorten) godsdienst.
Waarin God op een verschillende manier betekenis krijgt.
Net zoals elke Levensbeschouwing bestaat godsdienst uit een geheel van
opvattingen, overtuigingen en praktijken.
Godsdienst heeft dezelfde basiskenmerken als Levensbeschouwing.
Een godsdienst is dus een religie maar onderscheidt zich hiervan door de
aanwezigheid en concrete benoeming van een God. Een voorbeeld hiervan is het
rooms-katholieke geloof. Het boeddhisme benoemen we als een religie omdat
Boeddha geen God is, al is hij hun grote voorbeeld.
ZINGEVING
Zingeving is alles wat te maken heeft met de vraag wat zin, betekenis,
waarde of kwaliteit geeft aan het leven en hoe je daarmee kunt
omgaan.
Zingeving heeft te maken met geluk en betekenis en heeft zowel een actief als
een passief component.
Passief: je ontdekt iets dat je als zinvol ervaart; het overkomt je als het
ware, het wordt je gegeven of geschonken
Actief: je moet iets ondernemen om een zinvol leven te hebben/kunnen
ervaren
Zin heeft te maken met:
- Goesting
- Oriëntatie of richting vinden/ervaren
- Wat je als betekenisvol en waardevol ervaart
,Zingeving is de behoefte om te ‘weten’.
Betekenis geven aan het leven kan je op 2 manieren zien:
- De mens moet elke dag zelf betekenis geven
- Het leven heeft betekenis in zichzelf (wij kunnen er ‘zin’ in aantreffen)
Zin geven, betekenis geven actief proces. Eens er zin gevonden is geeft het
een mens evenwicht en richting in de wereld.
SPIRITUALITEIT
= de vaardigheid om open te staan voor het ander en hiermee te verbinden.
Het heeft te maken met voelen, verbeelding en waardering
LEVENSBESCHOUWING MET EEN KLEINE ‘L’
Waarin geloof je wel/niet. Het zijn je overtuigingen. Antwoorden die je voor jezelf
geeft op de vraag naar zingeving, op levensbeschouwelijke vakken.
= levensbeschouwelijke visie, persoonlijke levensovertuiging,
levensbeschouwelijke positie, geloofsovertuiging
Je levensbeschouwing is je hoogstpersoonlijke kijk op het leven. Je
ontwikkelt een levensbeschouwing door wat je meemaakt en hoe je
daar betekenis en waarde aan geeft.
Je kunt niet geen levensbeschouwelijke overtuiging hebben. Datgene waarin je
niet gelooft zegt iets over jouw persoonlijke levensovertuiging
Levensbeschouwelijk leren is het proces van bewust ontwikkelen van
een eigen persoonlijke levensbeschouwing.
Levensbeschouwelijke ontwikkeling is het proces van steeds opnieuw
betekenis geven aan de wereld om je heen. Deze ontwikkeling gaat je
leven lang door en je levensbeschouwing is dus nooit ‘af’
LEVENSBESCHOUWING MET EEN GROTE ‘L’
Het omvat gedeelde opvattingen over wat het leven de moeite waard maakt en
hoe je zin kunt geven aan je leven.
Het is een min of meer samenhangend geheel van verhalen, bronnen,
ideeën, praktijken, tradities en rituelen. Samen vormen deze het
antwoord op de levensvragen van mensen.
Worden doorgegeven van generatie op generatie
Voorbeelden: christendom, boeddhisme, atheïsme, rationalisme, vrijzinnig,
humanisme, socialisme…
,Één of meerdere Levensbeschouwingen kunnen jouw levensbeschouwing
beïnvloeden
Functies van Levensbeschouwing:
- Zin geven aan het leven (een doel geven)
- Zorgen voor structuur en veiligheid in het leven
- Steun en troost in moeilijke tijden
- Levenswaarden aanreiken
- Handelingsmodellen voorleven
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT
Gaat over de morele en ethische verantwoordelijkheid die leraren hebben.
Leraren geven niet alleen kennis door, maar ook waarden en normen.
Normatieve professionaliteit gaat uit van de vooronderstelling dat:
- elk professioneel handelen,
- behalve technische en
- communicatieve kwaliteiten,
- ook een morele kant heeft
Anders gezegd: bij professioneel handelen spelen altijd ook normen
en waarden een rol.
Professioneel handelen
De activiteiten die we verrichten binnen het professionele kader van ons beroep.
Effectief lesgeven of zelfs bij het voorbereiden van een les.
Technische kwaliteiten
De activiteiten die we verrichten moeten van voldoende technische kwaliteit zijn.
De pedagogische kant is hier van groot belang.
Communicatieve kwaliteiten
Het communiceren met anderen (lln. ouders, collega’s & directie)
Beleefdheid en respect in oog houden
Morele kant
Leerkrachten die inzicht hebben in wat onze normatieve professionaliteit is en
met hart en ziel voor de klas staan.
MET HART EN ZIEL VOOR DE KLAS
Leerkracht vanuit je hart:
Iets met je hart doen: je bent er met je gevoel heel betrokken bij
Belang van passie en betrokkenheid.
Emotionele betrokkenheid en verbinding met lln. doet ertoe
, Invloed op lln: Lln. raken geïnspireerd en
gemotiveerd door een authentieke leraar die CONTEXT
echt geeft om hun groei en welzijn
Leerkracht vanuit je ziel:
Je ziel: de kern van wie jij bent. Je identiteit.
institutione
DE VERSCHILLENDE ELEMENTEN VAN DE le
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT
1. Persoonlijke identiteit
Normatieve
2. Professionele identiteit
professionalit
3. Institutionele identiteit. eit
De context heeft hier steeds een professionel persoonlijk
invloed op e e
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT: DE CONTEXT
= datgene dat een constante invloed uitoefent op elk van de onderdelen.
Context op:
- Individueel niveau (micro)
- Sociaal niveau (meso)
- Maatschappelijk niveau (macro)
Biedt ruimte voor persoonlijke groei en zelfontplooiing, MAAR brengt ook
uitdagingen met zich mee
Onze context is de verzameling van externe factoren die een invloed
hebben op wie je bent en hoe je handelt. . Hoewel deze context een
sterke invloed op ons uitoefent, hebben we een actief bewustzijn
nodig om zelf invloed uit te oefenen op deze context.
Deze context bestaat uit sociale, culturele, economische en fysieke
omstandigheden en omgevingen waarin een persoon leeft en zich ontwikkelt. Het
omvat elementen zoals gezinsachtergrond, onderwijs, sociale netwerken,
culturele waarden, economische status en de fysieke omgeving.
De context beïnvloedt op verschillende niveaus onze normatieve professionaliteit.
Deze invloed werkt niet alleen op onszelf in, maar ook op de mensen om ons
heen.
= individuele niveau & collectief niveau
DE CONTEXT EN WIE JIJ BENT
Wie jij bent, ben je.
Door echt stil te staan bij wat invloed heeft op jou, kunnen we ook de tijd nemen
om na te gaan wat jij echt denkt en gelooft.
Keuzes die je maakt doe je vanuit zelf opgebouwde overtuigingen, maar vooral
uit overtuigingen die je hebt meegekregen. Je moet daarom je overtuigingen
onder de loep nemen
RELIGIE
Een levensbeschouwing waarin verbondenheid centraal staat en
waarin het mysterie-karakter van de werkelijkheid of het leven wordt
erkend.
Verbondenheid met jezelf, de anderen, de natuur, het grotere geheel
Mysterie karakter er is meer dan wat er zintuigelijk zichtbaar is en dan wat we
met ons verstand kunnen begrijpen
GODSDIENST
Een levensbeschouwing waarin ‘geloven’ in God’ als betekenisvol
wordt ervaren en een doorslaggevende rol speelt in het beantwoorden
van de vraag naar zingeving
Er bestaan verschillende (soorten) godsdienst.
Waarin God op een verschillende manier betekenis krijgt.
Net zoals elke Levensbeschouwing bestaat godsdienst uit een geheel van
opvattingen, overtuigingen en praktijken.
Godsdienst heeft dezelfde basiskenmerken als Levensbeschouwing.
Een godsdienst is dus een religie maar onderscheidt zich hiervan door de
aanwezigheid en concrete benoeming van een God. Een voorbeeld hiervan is het
rooms-katholieke geloof. Het boeddhisme benoemen we als een religie omdat
Boeddha geen God is, al is hij hun grote voorbeeld.
ZINGEVING
Zingeving is alles wat te maken heeft met de vraag wat zin, betekenis,
waarde of kwaliteit geeft aan het leven en hoe je daarmee kunt
omgaan.
Zingeving heeft te maken met geluk en betekenis en heeft zowel een actief als
een passief component.
Passief: je ontdekt iets dat je als zinvol ervaart; het overkomt je als het
ware, het wordt je gegeven of geschonken
Actief: je moet iets ondernemen om een zinvol leven te hebben/kunnen
ervaren
Zin heeft te maken met:
- Goesting
- Oriëntatie of richting vinden/ervaren
- Wat je als betekenisvol en waardevol ervaart
,Zingeving is de behoefte om te ‘weten’.
Betekenis geven aan het leven kan je op 2 manieren zien:
- De mens moet elke dag zelf betekenis geven
- Het leven heeft betekenis in zichzelf (wij kunnen er ‘zin’ in aantreffen)
Zin geven, betekenis geven actief proces. Eens er zin gevonden is geeft het
een mens evenwicht en richting in de wereld.
SPIRITUALITEIT
= de vaardigheid om open te staan voor het ander en hiermee te verbinden.
Het heeft te maken met voelen, verbeelding en waardering
LEVENSBESCHOUWING MET EEN KLEINE ‘L’
Waarin geloof je wel/niet. Het zijn je overtuigingen. Antwoorden die je voor jezelf
geeft op de vraag naar zingeving, op levensbeschouwelijke vakken.
= levensbeschouwelijke visie, persoonlijke levensovertuiging,
levensbeschouwelijke positie, geloofsovertuiging
Je levensbeschouwing is je hoogstpersoonlijke kijk op het leven. Je
ontwikkelt een levensbeschouwing door wat je meemaakt en hoe je
daar betekenis en waarde aan geeft.
Je kunt niet geen levensbeschouwelijke overtuiging hebben. Datgene waarin je
niet gelooft zegt iets over jouw persoonlijke levensovertuiging
Levensbeschouwelijk leren is het proces van bewust ontwikkelen van
een eigen persoonlijke levensbeschouwing.
Levensbeschouwelijke ontwikkeling is het proces van steeds opnieuw
betekenis geven aan de wereld om je heen. Deze ontwikkeling gaat je
leven lang door en je levensbeschouwing is dus nooit ‘af’
LEVENSBESCHOUWING MET EEN GROTE ‘L’
Het omvat gedeelde opvattingen over wat het leven de moeite waard maakt en
hoe je zin kunt geven aan je leven.
Het is een min of meer samenhangend geheel van verhalen, bronnen,
ideeën, praktijken, tradities en rituelen. Samen vormen deze het
antwoord op de levensvragen van mensen.
Worden doorgegeven van generatie op generatie
Voorbeelden: christendom, boeddhisme, atheïsme, rationalisme, vrijzinnig,
humanisme, socialisme…
,Één of meerdere Levensbeschouwingen kunnen jouw levensbeschouwing
beïnvloeden
Functies van Levensbeschouwing:
- Zin geven aan het leven (een doel geven)
- Zorgen voor structuur en veiligheid in het leven
- Steun en troost in moeilijke tijden
- Levenswaarden aanreiken
- Handelingsmodellen voorleven
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT
Gaat over de morele en ethische verantwoordelijkheid die leraren hebben.
Leraren geven niet alleen kennis door, maar ook waarden en normen.
Normatieve professionaliteit gaat uit van de vooronderstelling dat:
- elk professioneel handelen,
- behalve technische en
- communicatieve kwaliteiten,
- ook een morele kant heeft
Anders gezegd: bij professioneel handelen spelen altijd ook normen
en waarden een rol.
Professioneel handelen
De activiteiten die we verrichten binnen het professionele kader van ons beroep.
Effectief lesgeven of zelfs bij het voorbereiden van een les.
Technische kwaliteiten
De activiteiten die we verrichten moeten van voldoende technische kwaliteit zijn.
De pedagogische kant is hier van groot belang.
Communicatieve kwaliteiten
Het communiceren met anderen (lln. ouders, collega’s & directie)
Beleefdheid en respect in oog houden
Morele kant
Leerkrachten die inzicht hebben in wat onze normatieve professionaliteit is en
met hart en ziel voor de klas staan.
MET HART EN ZIEL VOOR DE KLAS
Leerkracht vanuit je hart:
Iets met je hart doen: je bent er met je gevoel heel betrokken bij
Belang van passie en betrokkenheid.
Emotionele betrokkenheid en verbinding met lln. doet ertoe
, Invloed op lln: Lln. raken geïnspireerd en
gemotiveerd door een authentieke leraar die CONTEXT
echt geeft om hun groei en welzijn
Leerkracht vanuit je ziel:
Je ziel: de kern van wie jij bent. Je identiteit.
institutione
DE VERSCHILLENDE ELEMENTEN VAN DE le
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT
1. Persoonlijke identiteit
Normatieve
2. Professionele identiteit
professionalit
3. Institutionele identiteit. eit
De context heeft hier steeds een professionel persoonlijk
invloed op e e
NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT: DE CONTEXT
= datgene dat een constante invloed uitoefent op elk van de onderdelen.
Context op:
- Individueel niveau (micro)
- Sociaal niveau (meso)
- Maatschappelijk niveau (macro)
Biedt ruimte voor persoonlijke groei en zelfontplooiing, MAAR brengt ook
uitdagingen met zich mee
Onze context is de verzameling van externe factoren die een invloed
hebben op wie je bent en hoe je handelt. . Hoewel deze context een
sterke invloed op ons uitoefent, hebben we een actief bewustzijn
nodig om zelf invloed uit te oefenen op deze context.
Deze context bestaat uit sociale, culturele, economische en fysieke
omstandigheden en omgevingen waarin een persoon leeft en zich ontwikkelt. Het
omvat elementen zoals gezinsachtergrond, onderwijs, sociale netwerken,
culturele waarden, economische status en de fysieke omgeving.
De context beïnvloedt op verschillende niveaus onze normatieve professionaliteit.
Deze invloed werkt niet alleen op onszelf in, maar ook op de mensen om ons
heen.
= individuele niveau & collectief niveau
DE CONTEXT EN WIE JIJ BENT
Wie jij bent, ben je.
Door echt stil te staan bij wat invloed heeft op jou, kunnen we ook de tijd nemen
om na te gaan wat jij echt denkt en gelooft.
Keuzes die je maakt doe je vanuit zelf opgebouwde overtuigingen, maar vooral
uit overtuigingen die je hebt meegekregen. Je moet daarom je overtuigingen
onder de loep nemen