NATUURWETENSCHAPPEN: BIOMOLECULEN
P. 33 – p. 44
2.1 Monomeer, dimeer en polymeer
Polymeer= macromoleculen / reuzenmoleculen met een zeer hoge molaire
massa
ontstaan door aaneenschakeling van duizenden kleine moleculen
= monomeren= vormen bouwstenen van een macromolecule
dimeer= slechts 2 monomeren aan elkaar geschakeld
polymerisatie / polymeervorming= chemische reactie waarbij monomeren
aan elkaar gekoppeld worden
indelen in natuurlijke en synthetische polymeren:
natuurlijke polymeren= van plantaardige of dierlijke oorsprong =
biomolecule / biopolymeren
4 soorten biomoleculen:
- lipiden
- polysachariden
- proteïnen, eiwitten
- polynucleotiden / nucleïnezuren
Synthetische polymeren= chemische macromoleculen die door de mens zijn
gemaakt (kunststoffen / plastics)
2. Algemene structuur van biomoleculen
2.2.1 polysachariden
1. Bouwstenen
monosachariden= kleinste bouwstenen / monomeren van polysachariden
algemene brutoformule= Cn(H2O)m of (CH2O)m
belangrijkste monosachariden:
, 2. Chemische opbouw: glycosidebinding
disachariden= 2 monosachariden op elkaar geschakeld condensatieractie
(watermolecule wordt afgesplitst)
leidt tot vorming van glycosidebinding tussen 2 monosacharidenbouwstenen
vb. sacharose (glucose en fructose), maltose (glucose en glucose), lactose
(glucose en galactose)
Polysachariden= minstens 10 monosachariden aan elkaar verbonden door
polycondensatiereactie
glycosidebindingen= bindingen tussen monosachariden
! zetmeel (planten) en glycogeen (dierlijke organismen)= bestaan uit een
aaneenschakeling van glucose= trage suikers
Soorten zetmeel:
- amylose= onvertakte spiraalvormige gewonden ketens opgebouwd uit 250 tot
300
glucosebouwstenen aan elkaar gekoppeld door
glycosidenbindingen
- amylopectine= lange vertakte ketens opgebouwd uit duizenden
glucosebouwstenen
glycogeen: meervoudig vertakt polymeer van glucose
P. 33 – p. 44
2.1 Monomeer, dimeer en polymeer
Polymeer= macromoleculen / reuzenmoleculen met een zeer hoge molaire
massa
ontstaan door aaneenschakeling van duizenden kleine moleculen
= monomeren= vormen bouwstenen van een macromolecule
dimeer= slechts 2 monomeren aan elkaar geschakeld
polymerisatie / polymeervorming= chemische reactie waarbij monomeren
aan elkaar gekoppeld worden
indelen in natuurlijke en synthetische polymeren:
natuurlijke polymeren= van plantaardige of dierlijke oorsprong =
biomolecule / biopolymeren
4 soorten biomoleculen:
- lipiden
- polysachariden
- proteïnen, eiwitten
- polynucleotiden / nucleïnezuren
Synthetische polymeren= chemische macromoleculen die door de mens zijn
gemaakt (kunststoffen / plastics)
2. Algemene structuur van biomoleculen
2.2.1 polysachariden
1. Bouwstenen
monosachariden= kleinste bouwstenen / monomeren van polysachariden
algemene brutoformule= Cn(H2O)m of (CH2O)m
belangrijkste monosachariden:
, 2. Chemische opbouw: glycosidebinding
disachariden= 2 monosachariden op elkaar geschakeld condensatieractie
(watermolecule wordt afgesplitst)
leidt tot vorming van glycosidebinding tussen 2 monosacharidenbouwstenen
vb. sacharose (glucose en fructose), maltose (glucose en glucose), lactose
(glucose en galactose)
Polysachariden= minstens 10 monosachariden aan elkaar verbonden door
polycondensatiereactie
glycosidebindingen= bindingen tussen monosachariden
! zetmeel (planten) en glycogeen (dierlijke organismen)= bestaan uit een
aaneenschakeling van glucose= trage suikers
Soorten zetmeel:
- amylose= onvertakte spiraalvormige gewonden ketens opgebouwd uit 250 tot
300
glucosebouwstenen aan elkaar gekoppeld door
glycosidenbindingen
- amylopectine= lange vertakte ketens opgebouwd uit duizenden
glucosebouwstenen
glycogeen: meervoudig vertakt polymeer van glucose