1. T-cellen
T-cellen, vooral de CD8+ cytotoxische T-cellen en CD4+ helper T-cellen, zijn centraal in de cellulaire
immuniteit. Deze cellen worden geactiveerd wanneer hun T-celreceptor (TCR) specifieke antigenen
herkent die gepresenteerd worden door MHC (Major Histocompatibility Complex) moleculen op de
oppervlakte van antigeenpresenterende cellen (APC's).
• CD8+ T-cellen richten zich direct op geïnfecteerde of abnormale cellen en doden deze door het
induceren van apoptose.
• CD4+ T-cellen secretie van cytokines die de activiteit van andere immuuncellen zoals
macrofagen en B-cellen reguleren.
2. Antigeenpresenterende cellen (APC's)
APC's, waaronder dendritische cellen, macrofagen, en B-cellen, spelen een sleutelrol door antigenen te
vangen, te verwerken en te presenteren aan T-cellen. Ze dragen MHC klasse I en II moleculen die helpen
bij de presentatie van antigenen aan respectievelijk CD8+ en CD4+ T-cellen.
3. MHC-moleculen
MHC-moleculen zijn essentieel voor de antigeenpresentatie:
• MHC klasse I moleculen presenteren endogene antigenen (van binnenuit de cel) aan CD8+ T-
cellen.
• MHC klasse II moleculen presenteren exogene antigenen (van buiten de cel) aan CD4+ T-cellen.
4. Co-stimulatoire signalen
Voor effectieve T-cel activatie, naast de herkenning van het MHC-antigeencomplex, zijn co-stimulatoire
signalen nodig. Essentieel voor een volledige T-celrespons.
5. Cytokines
Cytokines zijn communicatiemoleculen die door verschillende cellen van het immuunsysteem worden
geproduceerd om de aard en omvang van de immuunrespons te reguleren. Voorbeelden zijn interleukine-
2 (IL-2), dat T-cel proliferatie stimuleert, en interferon-gamma (IFN-γ), dat de antimicrobiële activiteit van
macrofagen versterkt.
6. Cytotoxische mechanismen
CD8+ T-cellen doden doelcellen via:
• Perforine en Granzymen: Perforine vormt poriën in de membraan van de doelcel, waardoor
granzymen binnen kunnen dringen en enzymen activeren die leiden tot apoptose.
• Fas/FasL interactie: Dit pad induceert ook apoptose wanneer FasL op de T-cel bindt aan Fas op
de doelcel.
7. Regulatoire T-cellen (Tregs)
Tregs zijn essentieel voor het handhaven van immunologische tolerantie en het voorkomen van auto-
immuunziekten door de activiteit van andere immuuncellen te onderdrukken.
,Bespreek de microscopische bouw van de milt. Geef, waar mogelijk, de structuur- functie
relatie weer.
1. Capsule en Trabekels
De milt is omgeven door een dichte vezelige capsule, die bestaat uit collageenvezels en enkele elastische
vezels. Vanuit de capsule strekken zich trabekels uit, die dieper in het orgaan doordringen en een intern
raamwerk vormen. Dit structuur biedt mechanische steun en vormt de basis waarlangs bloedvaten en
zenuwen de milt binnengaan en verlaten.
Functie: De capsule en trabekels geven structuur en beschermen de delicate cellulaire componenten
binnenin de milt tegen fysieke schade.
2. Pulpa
De milt bestaat uit twee hoofdtypen van pulpa: rode en witte pulpa, elk met unieke functies:
• Witte Pulpa: De witte pulpa bevat veel lymfocyten en omvat lymfoïde follikels met een centrale
arteriool, bekend als periarteriolaire lymfoïde schedes (PALS). Deze follikels zijn rijk aan B-cellen,
terwijl de PALS voornamelijk T-cellen bevat.
Functie: De witte pulpa is cruciaal voor de immuunfunctie van de milt, inclusief de productie van
antilichamen en het initiëren van de immuunrespons op bloed-geborneerde pathogenen.
• Rode Pulpa: De rode pulpa bestaat uit een netwerk van sinusoiden (bloedvaten met grote
openingen), gevuld met macrofagen en bloedcellen. Tussen de sinusoiden bevinden zich de rode
pulpstrengen of cords van Billroth, bestaande uit reticulaire cellen en vezels, macrofagen, en
bloedcellen.
Functie: De rode pulpa is verantwoordelijk voor de filtratie van het bloed, waarbij oude en beschadigde
rode bloedcellen worden verwijderd en afgebroken. De macrofagen in de rode pulpa zijn ook betrokken bij
het verwijderen van pathogenen en andere vreemde deeltjes.
3. Bloedvoorziening en Vasculaire Structuur
De bloedvoorziening van de milt begint met de miltarterie, die zich vertakt in kleinere arteriolen gevolgd
door capillairen die uitmonden in de sinusoiden van de rode pulpa. De unieke structuur van deze
sinusoiden staat toe dat bloed langzaam stroomt en grondig gefiltreerd wordt.
Functie: Deze trage bloedstroom zorgt ervoor dat macrofagen voldoende tijd hebben om oude en defecte
bloedcellen te identificeren en te fagocyteren. De speciale structuur van de sinusoiden vergemakkelijkt
ook de uitwisseling van cellen en antigenen tussen het bloed en lymfoïde weefsels, wat de
immuuncontrole en -reactie bevordert.
4. Marginaal Zone
De marginaal zone scheidt de witte en rode pulpa en bevat gespecialiseerde macrofagen en dendritische
cellen.
Functie: Deze zone is belangrijk voor het vangen van antigenen uit het bloed en het faciliteren van hun
snelle presentatie aan de lymfocyten in de witte pulpa, wat de snelle start van de immuunrespons
bevordert.
, Bespreek de microscopische bouw van een lymfeknoop. Geef, waar mogelijk, de
structuur-functie relatie weer.
Een lymfeknoop is een goed gestructureerd lymfoïd orgaan dat fungeert als een filter voor de lymfe en een
plaats biedt voor immuunresponsen.
Algemene opbouw
De lymfeknoop heeft een boonvormige structuur en bevat een hilus, waarlangs bloedvaten binnenkomen
en efferente lymfevaten uittreden. Lymfe komt de knoop binnen via afferente lymfevaten aan de perifere
zijde en stroomt naar de centrale efferente vaten.
De opbouw van de lymfeknoop bestaat uit:
1. Kapsel en stroma
o Het kapsel bestaat uit dicht ongeordend bindweefsel, van waaruit trabekels
(schotvormige structuren) diep in het orgaan dringen.
o Het stroma is opgebouwd uit reticulaire vezels, geproduceerd door reticulocyten die
het netwerk ondersteunen voor het lymfoïde weefsel.
2. Schors (cortex)
o De cortex bevat lymfefollikels met kiemcentra, waar B-lymfocyten prolifereren en
rijpen.
o De paracorticale zone, gelegen tussen cortex en merg, bevat voornamelijk T-lymfocyten
en is afhankelijk van thymusactiviteit voor hun ontwikkeling.
3. Merg (medulla)
o In het merg bevinden zich mergstrengen, bestaande uit lymfocyten en plasmacellen,
gescheiden door mergsinussen, waar de lymfe naar de efferente vaten stroomt.
o De mergstrengen spelen een rol in de productie van antilichamen door plasmacellen.
Structuur-functie relatie
1. Lymfestroom:
o De lymfe komt binnen via afferente vaten en stroomt door de subcapsulaire sinus, die
zich onder het kapsel bevindt. Via de sinussen in de cortex en medulla wordt de lymfe
gefilterd en uiteindelijk afgevoerd via de efferente lymfevaten aan de hilus.
o Dit zorgt ervoor dat pathogenen en antigenen maximaal in contact komen met
lymfocyten, wat een efficiënte immuunrespons bevordert.
2. Postcapillaire venulen:
o In de paracortex bevinden zich hoogendotheliale venulen (HEV) met kubisch
endotheel, wat lymfocyten uit de bloedbaan aantrekt en naar het lymfeklierparenchym
leidt.
o Deze structuren faciliteren de migratie van naïeve lymfocyten naar de lymfeknoop voor
antigenherkenning.
3. Lymfefollikels:
o De kiemcentra van de follikels in de cortex zijn verantwoordelijk voor de proliferatie en
differentiatie van B-cellen in plasmacellen en geheugen B-cellen.