De Oudheid
Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis
I Inleiding
1 Bronnen en chronologie
Bronnen
Geschreven bronnen
Producten van alle menselijke schriftsystemen. Kan onderverdeeld worden in primaire bronnen,
dat zijn bronnen die een directe neerslag van het verleden vormen en in secundaire bronnen, dat
zijn bronnen die bij wijze van spreken reeds door een filter zijn gegaan. In welke categorie de bron
ingedeeld wordt is afhankelijk van de gestelde vraag.
Ongeschreven bronnen
Ten eerste zijn er voorwerpen: alle zaken die uit het verleden zijn overgebleven, van complete
bouwwerken tot de kleinste bodemvondsten. Deze voorwerpen hoeven niet altijd door de mens
vervaardigd te zijn. Ten tweede zijn er door de mens vervaardigde afbeeldingen.
In het algemeen moet worden opgemerkt dat het ongeschreven bronnenmateriaal alleen de
hoofdrol speelt, wanneer (leesbare) teksten ontbreken. De geschreven bronnen blijven
fundamenteel.
Brongebruik
Voor onderzoek al een historicus vaak beginnen te onderzoeken in moderne literatuur over het
desbetreffende onderwerp. Voor serieus en innovatief wetenschappelijk werk is het overigens
vrijwel altijd noodzakelijk om uiteindelijk naar de primaire bronnen terug te keren.
Chronologie
Relatieve en absolute datering
Relatieve datering geeft de ouderdom van feiten of objecten aan ten opzichte van andere feiten en
objecten. Absolute datering doet dit ten opzichte van een vast punt in de tijd. Een voorbeeld van
relatieve datering is de stratigrafische methode in de archeologie (laag x onder laag y, dus laag x is
ouder). Een voorbeeld van absolute datering is de vaststelling dat laag x gedateerd wordt (‘’na 54
n.C., want in laag x is een munt gevonden met de beeltenis van keizer Nero).
Tijdrekensysteem
Bij het gebruik van de absolutie chronologie, met als uitgangspunt het traditionele jaar van
Christus’ geboorte, dient men te beseffen dat in het verleden vele dateringssystemen gangbaar zijn
geweest die vanuit andere principes werkten. Deze systemen moeten worden herleid tot de
huidige jaartelling.
Natuurwetenschappelijke dateringsmethoden
Bekendste procedé is de radiokoolstofdatering, de C14-methode. 12C is de normale koolstof;
daarnaast vormt zich onder invloed van kosmische straling het radioactieve isotoop 14C. In
organisch materiaal is de resterende hoeveelheid 14C te meten.
De dendrochronologie levert dateringen aan via de jaarringen van bomen.
2 De materiële grondslagen
Fysische geografie
Klimatologische en geologische veranderingen
De paleoklimatologie bestudeert het klimaat in het verleden: het klimaat is namelijk geen
onveranderlijk gegeven. Voor de geologie geldt hetzelfde als voor het klimaat: het aardoppervlak is
aan voortdurende verandering onderhevig.
Natuurlijke vegetatiezones en klimaatzones
Eerste zone: 40⁰ NB, alleen in Europa 50⁰ NB. Tweede zone ligt tussen de wijngrens en de
, Kreeftskeerkring (23.5⁰ NB). Derde zone bezuiden de Kreeftskeerkring, met subtropen en
tropische vegetatie.
Landbouw en de pre-industriële economie
Carrying capacity
Landbouw is het door de mens manipuleren van andere levende organismen, zowel planten als
dieren, om in de eigen voedselvoorziening te kunnen voorzien. Belangrijk is hierbij het concept van
de carrying capacity, het draagvermogen van een bepaald milieu.
Ontstaan en verbreiding van de landbouw
Landbouw leidt tot de mogelijkheid meer monden te voeden met evenveel grond. Waarom zijn we
hier mee begonnen? Eén hypothese zegt dat de bevolkingsdichtheid toenam en de natuurlijke
hulpbronnen afnamen. Domesticatie houdt niet op, het blijft zich verspreiden.
Landbouwopbrengsten
Een door de landbouw vergrote carrying capactiy betekende nog geen overvloed. In de gebieden
rond Griekenland was geen goed irrigatiesysteem ten opzichte van irrigatiegebieden als
Mesopotamië. De opbrengsten waren er laag.
Nadelige gevolgen voor het milieu
Door de landbouw vergrootte de carrying capacity zich wel, maar dit bracht ook nadelen met zich
mee. In het algemeen het afnemen van de complexiteit van het ecosysteem.
Uitwisseling
Zeer eenvoudige boerensamenlevingen met een zelfvoorzienende economie zijn vrij zeldzaam. Er
heerste vooral een boerensamenleving, waarin boeren zichzelf voeden én surplus produceren. Dit
impliceert dat er een markt was waar deze goederen uitgewisseld werden en er overkoepelende
sociale en politieke verbanden bestaan. Niet alleen producten, maar ook ideeën worden
overgedragen.
De aard van de economie in de oudheid
Uitwisseling in enigerlei vorm is de basis van elk economisch netwerk. De vroege economieën
draaiden alleen nog niet optimaal: er was vrijwel geen overheidsbemoeienis, geen
geldhoeveelheid en afwezigheid van giraal verkeer. De agrarische normen en waarden bleven
dominant. Ook was er een technologisch plafond: kennis schoot te kort.
Demografie
Grenzen aan de groei
Vooral ziekten stonden de bevolkingsgroei erg in de weg. Natuurlijk ontstaan binnen een
menselijke groep altijd immuniteit tegen bepaalde ziekten, maar voor overwonnen ziekten kwamen
nieuwe ziekten in de plaats.
Reconstructie van een bevolkingspatroon
De menselijke vruchtbaarheid en levensverwachting worden beïnvloed door zeel veel factoren: het
milieu, de voedselindustrie, hygiëne, woonomstandigheden etc.
II Vóór de 10de eeuw v.C.
1 De prehistorie
Het Paleolithicum
Economie en maatschappij
In de hele periode van het Paleolithicum leefde de mens in kleine, nomadische groepjes van
jagers-verzamelaars. Mobiliteit is in de economieën van jagers-verzamelaars een
levensvoorwaarde.
Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis
I Inleiding
1 Bronnen en chronologie
Bronnen
Geschreven bronnen
Producten van alle menselijke schriftsystemen. Kan onderverdeeld worden in primaire bronnen,
dat zijn bronnen die een directe neerslag van het verleden vormen en in secundaire bronnen, dat
zijn bronnen die bij wijze van spreken reeds door een filter zijn gegaan. In welke categorie de bron
ingedeeld wordt is afhankelijk van de gestelde vraag.
Ongeschreven bronnen
Ten eerste zijn er voorwerpen: alle zaken die uit het verleden zijn overgebleven, van complete
bouwwerken tot de kleinste bodemvondsten. Deze voorwerpen hoeven niet altijd door de mens
vervaardigd te zijn. Ten tweede zijn er door de mens vervaardigde afbeeldingen.
In het algemeen moet worden opgemerkt dat het ongeschreven bronnenmateriaal alleen de
hoofdrol speelt, wanneer (leesbare) teksten ontbreken. De geschreven bronnen blijven
fundamenteel.
Brongebruik
Voor onderzoek al een historicus vaak beginnen te onderzoeken in moderne literatuur over het
desbetreffende onderwerp. Voor serieus en innovatief wetenschappelijk werk is het overigens
vrijwel altijd noodzakelijk om uiteindelijk naar de primaire bronnen terug te keren.
Chronologie
Relatieve en absolute datering
Relatieve datering geeft de ouderdom van feiten of objecten aan ten opzichte van andere feiten en
objecten. Absolute datering doet dit ten opzichte van een vast punt in de tijd. Een voorbeeld van
relatieve datering is de stratigrafische methode in de archeologie (laag x onder laag y, dus laag x is
ouder). Een voorbeeld van absolute datering is de vaststelling dat laag x gedateerd wordt (‘’na 54
n.C., want in laag x is een munt gevonden met de beeltenis van keizer Nero).
Tijdrekensysteem
Bij het gebruik van de absolutie chronologie, met als uitgangspunt het traditionele jaar van
Christus’ geboorte, dient men te beseffen dat in het verleden vele dateringssystemen gangbaar zijn
geweest die vanuit andere principes werkten. Deze systemen moeten worden herleid tot de
huidige jaartelling.
Natuurwetenschappelijke dateringsmethoden
Bekendste procedé is de radiokoolstofdatering, de C14-methode. 12C is de normale koolstof;
daarnaast vormt zich onder invloed van kosmische straling het radioactieve isotoop 14C. In
organisch materiaal is de resterende hoeveelheid 14C te meten.
De dendrochronologie levert dateringen aan via de jaarringen van bomen.
2 De materiële grondslagen
Fysische geografie
Klimatologische en geologische veranderingen
De paleoklimatologie bestudeert het klimaat in het verleden: het klimaat is namelijk geen
onveranderlijk gegeven. Voor de geologie geldt hetzelfde als voor het klimaat: het aardoppervlak is
aan voortdurende verandering onderhevig.
Natuurlijke vegetatiezones en klimaatzones
Eerste zone: 40⁰ NB, alleen in Europa 50⁰ NB. Tweede zone ligt tussen de wijngrens en de
, Kreeftskeerkring (23.5⁰ NB). Derde zone bezuiden de Kreeftskeerkring, met subtropen en
tropische vegetatie.
Landbouw en de pre-industriële economie
Carrying capacity
Landbouw is het door de mens manipuleren van andere levende organismen, zowel planten als
dieren, om in de eigen voedselvoorziening te kunnen voorzien. Belangrijk is hierbij het concept van
de carrying capacity, het draagvermogen van een bepaald milieu.
Ontstaan en verbreiding van de landbouw
Landbouw leidt tot de mogelijkheid meer monden te voeden met evenveel grond. Waarom zijn we
hier mee begonnen? Eén hypothese zegt dat de bevolkingsdichtheid toenam en de natuurlijke
hulpbronnen afnamen. Domesticatie houdt niet op, het blijft zich verspreiden.
Landbouwopbrengsten
Een door de landbouw vergrote carrying capactiy betekende nog geen overvloed. In de gebieden
rond Griekenland was geen goed irrigatiesysteem ten opzichte van irrigatiegebieden als
Mesopotamië. De opbrengsten waren er laag.
Nadelige gevolgen voor het milieu
Door de landbouw vergrootte de carrying capacity zich wel, maar dit bracht ook nadelen met zich
mee. In het algemeen het afnemen van de complexiteit van het ecosysteem.
Uitwisseling
Zeer eenvoudige boerensamenlevingen met een zelfvoorzienende economie zijn vrij zeldzaam. Er
heerste vooral een boerensamenleving, waarin boeren zichzelf voeden én surplus produceren. Dit
impliceert dat er een markt was waar deze goederen uitgewisseld werden en er overkoepelende
sociale en politieke verbanden bestaan. Niet alleen producten, maar ook ideeën worden
overgedragen.
De aard van de economie in de oudheid
Uitwisseling in enigerlei vorm is de basis van elk economisch netwerk. De vroege economieën
draaiden alleen nog niet optimaal: er was vrijwel geen overheidsbemoeienis, geen
geldhoeveelheid en afwezigheid van giraal verkeer. De agrarische normen en waarden bleven
dominant. Ook was er een technologisch plafond: kennis schoot te kort.
Demografie
Grenzen aan de groei
Vooral ziekten stonden de bevolkingsgroei erg in de weg. Natuurlijk ontstaan binnen een
menselijke groep altijd immuniteit tegen bepaalde ziekten, maar voor overwonnen ziekten kwamen
nieuwe ziekten in de plaats.
Reconstructie van een bevolkingspatroon
De menselijke vruchtbaarheid en levensverwachting worden beïnvloed door zeel veel factoren: het
milieu, de voedselindustrie, hygiëne, woonomstandigheden etc.
II Vóór de 10de eeuw v.C.
1 De prehistorie
Het Paleolithicum
Economie en maatschappij
In de hele periode van het Paleolithicum leefde de mens in kleine, nomadische groepjes van
jagers-verzamelaars. Mobiliteit is in de economieën van jagers-verzamelaars een
levensvoorwaarde.