Frontotemporale dementie (FTD) Hoofdstuk 20
Frontotemporale dementie (FTD) is een vorm van dementie die vooral op jongere leeftijd voorkomt
en wordt gekenmerkt door veranderingen in gedrag, taal en/of motorische functies. Het is een
neurodegeneratieve aandoening die een breed spectrum beslaat, zowel klinisch, genetisch als
pathologisch. Binnen dit spectrum is de gedragsvariant (bvFTD) het meest voorkomend, gevolgd
door taalvarianten zoals primair progressieve afasie (PPA). Andere aandoeningen die tot het FTD-
spectrum behoren, zijn amyotrofische laterale sclerose (ALS), corticobasale degeneratie (CBD) en
progressieve supranucleaire parese (PSP).
Klinische kenmerken van FTD
FTD kent een sluipend begin, wat betekent dat de eerste symptomen zich langzaam ontwikkelen en
niet altijd direct als dementie worden herkend. Dit, in combinatie met de relatief jonge
debuutleeftijd en de overlap met andere vormen van dementie en psychiatr ische stoornissen,
maakt de diagnose complex. Gemiddeld duurt het meer dan zes jaar voordat de juiste diagnose
wordt gesteld.
Wetenschappelijk onderzoek richt zich steeds meer op de presymptomatische fase, waarbij men
probeert biomarkers te vinden die kunnen helpen bij vroege diagnose. Biomarkers zijn biologische
indicatoren, zoals bepaalde eiwitten in het hersenvocht of afwijkingen op hersenscans, die kunnen
wijzen op de aanwezigheid van FTD voordat duidelijke klinische symptomen optreden.
Genetische en sporadische vormen
Bij 70 tot 90 procent van de patiënten is FTD sporadisch, wat betekent dat er geen duidelijke
erfelijke oorzaak is. In deze gevallen kan de onderliggende pathologie niet nauwkeurig worden
voorspeld op basis van de symptomen. Bij de resterende 10 tot 30 procent is FTD genetisch
bepaald, en in deze gevallen is de onderliggende pathologie vaak wel voorspelbaar.
Er zijn drie belangrijke genetische mutaties die FTD veroorzaken:
• GRN-mutatie (progranuline-gen): geassocieerd met een ophoping van het TDP-43-eiwit.
• C9orf72-mutatie: leidt tot een herhalingsexpansie in het DNA en wordt zowel bij FTD als
ALS gevonden.
• MAPT-mutatie (microtubule-associated protein tau): geassocieerd met een ophoping van
het tau-eiwit.
Deze mutaties beïnvloeden hoe bepaalde eiwitten zich in de hersenen ophopen, wat leidt tot
neurodegeneratie en de verschillende symptomen van FTD.
Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) en de link met FTD
ALS is een zeldzame neurologische aandoening waarbij de motorische zenuwcellen in het
ruggenmerg, de hersenstam en de motorische schors van de hersenen progressief afsterven. Dit
,leidt tot spierzwakte, krampen en fasciculaties (kleine onwillekeurige spierbewegingen). De ziekte
verloopt snel en de gemiddelde levensverwachting na diagnose is slechts twee tot vijf jaar.
Voorheen werd gedacht dat ALS alleen een ziekte van het motorische zenuwstelsel was en dat de
cognitieve functies intact bleven. Recent onderzoek toont echter aan dat veel ALS-patiënten ook
cognitieve stoornissen hebben. Vooral executieve functiestoornissen (problemen met plannen,
organiseren en flexibel denken) komen vaak voor. Daarnaast kunnen geheugenproblemen (vooral
inprenting), taalstoornissen, visuoperceptuele problemen en verminderde sociale cognitie
optreden.
Overlap tussen ALS en FTD
Er is steeds meer bewijs dat ALS en FTD verwant zijn en mogelijk deel uitmaken van hetzelfde
neurodegeneratieve spectrum.
• Sommige patiënten met FTD ontwikkelen later ook symptomen van ALS.
• Ongeveer 35 tot 40 procent van de ALS-patiënten vertoont cognitieve en gedragsmatige
achteruitgang.
• Bij 10 tot 15 procent van de ALS-patiënten wordt uiteindelijk ook FTD vastgesteld, meestal
de gedragsvariant (bvFTD), maar soms ook een taalvariant van PPA.
Genetische overlap
Bij ongeveer 10 procent van de ALS-patiënten is sprake van een autosomaal dominante vorm van
de ziekte, waarbij een erfelijke mutatie de oorzaak is. De meest voorkomende genetische mutatie
bij zowel ALS als FTD is de C9orf72-repeat expansie. Deze mutatie kan leiden tot FTD, ALS of een
gecombineerde vorm van FTD-ALS.
Dit betekent dat FTD en ALS niet alleen klinisch, maar ook genetisch en pathologisch aan elkaar
gerelateerd zijn. Dit inzicht helpt bij het ontwikkelen van behandelingen die zich richten op
gedeelde ziekteprocessen in beide aandoeningen.
diagnostische criteria voor Frontotemporale Dementie (FTD) en Primaire Progressieve Afasie
(PPA). Dit zijn neurodegeneratieve aandoeningen die verschillende delen van de hersenen
aantasten en leiden tot specifieke cognitieve en gedragsveranderingen. Hieronder volgt een uitleg
van de belangrijkste punten:
Frontotemporale Dementie (FTD)
❖ FTD is voor het eerst beschreven door de Tsjechische psychiater Arnold Pick in 1882.
❖ De ziekte tast de frontale en temporale hersengebieden aan en heeft een grote invloed op
gedrag, persoonlijkheid en taal.
❖ Er zijn verschillende vormen van FTD, waarvan de gedragsvariant (bvFTD) en de
taalvariant (PPA) de bekendste zijn.
❖ De internationale consensuscriteria van Rascovsky et al. (2011) worden gebruikt voor de
diagnose van bvFTD.
, Gedragsvariant FTD (bvFTD) -Bij bvFTD worden drie niveaus van diagnostische zekerheid
onderscheiden:
1. Mogelijke bvFTD: de patiënt vertoont gedragsveranderingen en cognitieve achteruitgang.
2. Waarschijnlijke bvFTD: naast de gedragsveranderingen is er bewijs van
hersenafwijkingen op een MRI- of PET-scan.
3. Zekere bvFTD: de diagnose wordt bevestigd via een hersenbiopt, postmortemonderzoek of
genetische test.
De kernsymptomen van bvFTD zijn:
▫ Gedragsmatige ontremming: sociaal ongepast gedrag zoals impulsiviteit, grof taalgebruik,
ongepaste aanrakingen, roekeloos gedrag.
▫ Apathie en empathieverlies: patiënten verliezen interesse in hobby’s, vrienden en familie,
en reageren onverschillig op emoties van anderen.
▫ Stereotiep en compulsief gedrag: bijvoorbeeld steeds dezelfde bewegingen maken
(handen wrijven, voorwerpen tellen).
▫ Veranderd eetgedrag: sterke voorkeur voor zoet of calorierijk voedsel, eetbuien, of orale
fixaties (bijvoorbeeld niet-eetbare dingen in de mond stoppen).
Cognitief gezien hebben patiënten vooral problemen met executieve functies en sociale cognitie,
terwijl hun geheugen en visuospatiële vaardigheden relatief intact blijven.
Primaire Progressieve Afasie (PPA)
• PPA is een vorm van FTD waarbij de taalvaardigheid achteruitgaat.
• De diagnosecriteria van Gorno-Tempini et al. (2011) worden gebruikt.
• De ziekte verloopt in twee stappen:
o Stap 1: vaststellen of de patiënt progressieve taalstoornissen heeft die het dagelijks
leven beïnvloeden.
o Stap 2: bepalen welk subtype PPA de patiënt heeft.
De drie subtypes van PPA zijn:
1. Semantische variant (svPPA)
a. Problemen met woordbegrip en benoemen (anomie).
b. Gebruik van algemene termen (bijvoorbeeld ‘dier’ in plaats van ‘hond’).
c. Semantische parafasieën: het vervangen van woorden door betekenisverwante
woorden.
d. Oppervlakte-dyslexie en -dysgrafie: moeite met lezen en schrijven van
uitzonderingswoorden.
2. Niet-vloeiende variant (nfvPPA)
a. Moeizame en trage spraak door spraakapraxie.
b. Grammaticale problemen: moeite met langere en complexe zinnen.
c. Fonematische fouten: klanken worden verwisseld (bijvoorbeeld ‘lopel’ in plaats
van ‘lepel’).
Frontotemporale dementie (FTD) is een vorm van dementie die vooral op jongere leeftijd voorkomt
en wordt gekenmerkt door veranderingen in gedrag, taal en/of motorische functies. Het is een
neurodegeneratieve aandoening die een breed spectrum beslaat, zowel klinisch, genetisch als
pathologisch. Binnen dit spectrum is de gedragsvariant (bvFTD) het meest voorkomend, gevolgd
door taalvarianten zoals primair progressieve afasie (PPA). Andere aandoeningen die tot het FTD-
spectrum behoren, zijn amyotrofische laterale sclerose (ALS), corticobasale degeneratie (CBD) en
progressieve supranucleaire parese (PSP).
Klinische kenmerken van FTD
FTD kent een sluipend begin, wat betekent dat de eerste symptomen zich langzaam ontwikkelen en
niet altijd direct als dementie worden herkend. Dit, in combinatie met de relatief jonge
debuutleeftijd en de overlap met andere vormen van dementie en psychiatr ische stoornissen,
maakt de diagnose complex. Gemiddeld duurt het meer dan zes jaar voordat de juiste diagnose
wordt gesteld.
Wetenschappelijk onderzoek richt zich steeds meer op de presymptomatische fase, waarbij men
probeert biomarkers te vinden die kunnen helpen bij vroege diagnose. Biomarkers zijn biologische
indicatoren, zoals bepaalde eiwitten in het hersenvocht of afwijkingen op hersenscans, die kunnen
wijzen op de aanwezigheid van FTD voordat duidelijke klinische symptomen optreden.
Genetische en sporadische vormen
Bij 70 tot 90 procent van de patiënten is FTD sporadisch, wat betekent dat er geen duidelijke
erfelijke oorzaak is. In deze gevallen kan de onderliggende pathologie niet nauwkeurig worden
voorspeld op basis van de symptomen. Bij de resterende 10 tot 30 procent is FTD genetisch
bepaald, en in deze gevallen is de onderliggende pathologie vaak wel voorspelbaar.
Er zijn drie belangrijke genetische mutaties die FTD veroorzaken:
• GRN-mutatie (progranuline-gen): geassocieerd met een ophoping van het TDP-43-eiwit.
• C9orf72-mutatie: leidt tot een herhalingsexpansie in het DNA en wordt zowel bij FTD als
ALS gevonden.
• MAPT-mutatie (microtubule-associated protein tau): geassocieerd met een ophoping van
het tau-eiwit.
Deze mutaties beïnvloeden hoe bepaalde eiwitten zich in de hersenen ophopen, wat leidt tot
neurodegeneratie en de verschillende symptomen van FTD.
Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) en de link met FTD
ALS is een zeldzame neurologische aandoening waarbij de motorische zenuwcellen in het
ruggenmerg, de hersenstam en de motorische schors van de hersenen progressief afsterven. Dit
,leidt tot spierzwakte, krampen en fasciculaties (kleine onwillekeurige spierbewegingen). De ziekte
verloopt snel en de gemiddelde levensverwachting na diagnose is slechts twee tot vijf jaar.
Voorheen werd gedacht dat ALS alleen een ziekte van het motorische zenuwstelsel was en dat de
cognitieve functies intact bleven. Recent onderzoek toont echter aan dat veel ALS-patiënten ook
cognitieve stoornissen hebben. Vooral executieve functiestoornissen (problemen met plannen,
organiseren en flexibel denken) komen vaak voor. Daarnaast kunnen geheugenproblemen (vooral
inprenting), taalstoornissen, visuoperceptuele problemen en verminderde sociale cognitie
optreden.
Overlap tussen ALS en FTD
Er is steeds meer bewijs dat ALS en FTD verwant zijn en mogelijk deel uitmaken van hetzelfde
neurodegeneratieve spectrum.
• Sommige patiënten met FTD ontwikkelen later ook symptomen van ALS.
• Ongeveer 35 tot 40 procent van de ALS-patiënten vertoont cognitieve en gedragsmatige
achteruitgang.
• Bij 10 tot 15 procent van de ALS-patiënten wordt uiteindelijk ook FTD vastgesteld, meestal
de gedragsvariant (bvFTD), maar soms ook een taalvariant van PPA.
Genetische overlap
Bij ongeveer 10 procent van de ALS-patiënten is sprake van een autosomaal dominante vorm van
de ziekte, waarbij een erfelijke mutatie de oorzaak is. De meest voorkomende genetische mutatie
bij zowel ALS als FTD is de C9orf72-repeat expansie. Deze mutatie kan leiden tot FTD, ALS of een
gecombineerde vorm van FTD-ALS.
Dit betekent dat FTD en ALS niet alleen klinisch, maar ook genetisch en pathologisch aan elkaar
gerelateerd zijn. Dit inzicht helpt bij het ontwikkelen van behandelingen die zich richten op
gedeelde ziekteprocessen in beide aandoeningen.
diagnostische criteria voor Frontotemporale Dementie (FTD) en Primaire Progressieve Afasie
(PPA). Dit zijn neurodegeneratieve aandoeningen die verschillende delen van de hersenen
aantasten en leiden tot specifieke cognitieve en gedragsveranderingen. Hieronder volgt een uitleg
van de belangrijkste punten:
Frontotemporale Dementie (FTD)
❖ FTD is voor het eerst beschreven door de Tsjechische psychiater Arnold Pick in 1882.
❖ De ziekte tast de frontale en temporale hersengebieden aan en heeft een grote invloed op
gedrag, persoonlijkheid en taal.
❖ Er zijn verschillende vormen van FTD, waarvan de gedragsvariant (bvFTD) en de
taalvariant (PPA) de bekendste zijn.
❖ De internationale consensuscriteria van Rascovsky et al. (2011) worden gebruikt voor de
diagnose van bvFTD.
, Gedragsvariant FTD (bvFTD) -Bij bvFTD worden drie niveaus van diagnostische zekerheid
onderscheiden:
1. Mogelijke bvFTD: de patiënt vertoont gedragsveranderingen en cognitieve achteruitgang.
2. Waarschijnlijke bvFTD: naast de gedragsveranderingen is er bewijs van
hersenafwijkingen op een MRI- of PET-scan.
3. Zekere bvFTD: de diagnose wordt bevestigd via een hersenbiopt, postmortemonderzoek of
genetische test.
De kernsymptomen van bvFTD zijn:
▫ Gedragsmatige ontremming: sociaal ongepast gedrag zoals impulsiviteit, grof taalgebruik,
ongepaste aanrakingen, roekeloos gedrag.
▫ Apathie en empathieverlies: patiënten verliezen interesse in hobby’s, vrienden en familie,
en reageren onverschillig op emoties van anderen.
▫ Stereotiep en compulsief gedrag: bijvoorbeeld steeds dezelfde bewegingen maken
(handen wrijven, voorwerpen tellen).
▫ Veranderd eetgedrag: sterke voorkeur voor zoet of calorierijk voedsel, eetbuien, of orale
fixaties (bijvoorbeeld niet-eetbare dingen in de mond stoppen).
Cognitief gezien hebben patiënten vooral problemen met executieve functies en sociale cognitie,
terwijl hun geheugen en visuospatiële vaardigheden relatief intact blijven.
Primaire Progressieve Afasie (PPA)
• PPA is een vorm van FTD waarbij de taalvaardigheid achteruitgaat.
• De diagnosecriteria van Gorno-Tempini et al. (2011) worden gebruikt.
• De ziekte verloopt in twee stappen:
o Stap 1: vaststellen of de patiënt progressieve taalstoornissen heeft die het dagelijks
leven beïnvloeden.
o Stap 2: bepalen welk subtype PPA de patiënt heeft.
De drie subtypes van PPA zijn:
1. Semantische variant (svPPA)
a. Problemen met woordbegrip en benoemen (anomie).
b. Gebruik van algemene termen (bijvoorbeeld ‘dier’ in plaats van ‘hond’).
c. Semantische parafasieën: het vervangen van woorden door betekenisverwante
woorden.
d. Oppervlakte-dyslexie en -dysgrafie: moeite met lezen en schrijven van
uitzonderingswoorden.
2. Niet-vloeiende variant (nfvPPA)
a. Moeizame en trage spraak door spraakapraxie.
b. Grammaticale problemen: moeite met langere en complexe zinnen.
c. Fonematische fouten: klanken worden verwisseld (bijvoorbeeld ‘lopel’ in plaats
van ‘lepel’).