Arresten personen en familierecht
Afstammings- en erfrecht en EVRM
1. Arrest-Marckx p. 16 boek
België = veroordeeld door EHRM omdat toen onze afstammingswetgeving het EVRM in verscheidene
opzichten schond.
Paula Marckx = ongehuwd & had dochter die ze moest erkennen & adopteren om haar zelfde rechten
te geven als wettig kind.
- Vaststellingen natuurlijke afstamming: art. 8 EVRM = geschonden doordat natuurlijke moeder
haar kind moest erkennen om van haar moederschap te doen blijken.
2. Arrest-Vermeire
Uitsluiting uit een nalatenschap o.b.v. buitenechtelijk karakter van de afstamming art. 14 en 8 EVRM
schendt.
Het verlies aan erfrecht voor een buitenhuwelijks kind in de nalatenschap van zijn in 1980 overleden
grootvader moet worden vergoed;
Het verlies aan erfrecht voor een buitenhuwelijks kind in de nalatenschap van zijn in 1975 overleden
grootmoeder moet niet worden vergoed.
3. Ongrondwettigverklaring art. 321 oud BW door GwH 14 juli 2022, nr. 99/2022 (randnummer
124)
Een halfbroer en halfzus kregen samen een kind. De man wou het kind erkennen, ondanks dat dat
eigenlijk strijdig is met art. 321 oud BW. De rechtbank heeft de erkenning toch toegestaan, waardoor
het OM een nietigheidsvordering heeft ingesteld tegen die erkenning. Die nietigheid is er gekomen
omdat als het OM de nietigverklaring wou wegens strijdigheid met art. 321 oud BW, er een
automatische gegrond verklaring van die vordering moest zijn.
Dat laatste heeft het GwH onwettig verklaard. Het mag niet zijn dat die nietigheidsvordering
automatisch gegrond moet worden verklaard, omdat het belang van het kind niet wordt getoetst. Het
kan wel eens in het belang van het kind zijn dat die erkenning kan blijven bestaan.
4. GwH 28 november 2019 & GwH 18 juni 2020 (randnummer 178)
In wettekst staat: als zowel moeder, kind > 12 j. & OM voor de vordering tot gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap zijn; en enkel de beweerde vader voert verweer, is er geen toetsing mogelijk aan
het belang van het kind.
Ongrondwettig bevonden door GwH. Nu moet er ook een toets aan het belang van het kind
mogelijk zijn als de man verweer voert.
Bewijs van niet-vaderschap bij gerechtelijke vaststelling (randnummer 198)
1. GwH 7 februari 2019
Man en vrouw hadden samen ingestemd voor een kind te krijgen via MBV en de man overlijdt voor de
geboorte van het kind. De vrouw wou een gerechtelijke vaststelling laten doen maar de erfgenamen
1
, van die man wouden dat niet en brachten aan dat de man niet de biologische vader is maar voor de
mensen die MBV hebben laten doen is er een uitzondering op het bewijs van niet vaderschap
Onderzoek naar het vaderschap (randnummer 202)
1. GwH 17 oktober 2019
“ Art. 331ter [oud] BW schendt art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in
zoverre aan diegene die de identiteit van zijn vermeende vader na het verstrijken v/d
verjaringstermijn verneemt, een vordering tot onderzoek naar het vaderschap wordt ontzegd”
Als men pas na die 30 jaar de identiteit van de vermeende vader te weten komt, kunnen ze toch nog
een vordering inleiden ook al is de termijn verstreken.
Betwisting vaderschap echtgenoot
1. GwH 3 februari 2011, GwH 9 juli 2013, GwH 7 november 2013 en 3 februari 2016 (randnummer
269)
“Art. 318, § 1, eerste lid [oud] BW schendt art. 22 Gw., in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in
zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van
staat heeft t.a.v. de echtgenoot van de moeder”
GwH 3 februari 2011: vordering echtgenoot (er was bezig van staat maar de echtgenoot was bedrogen)
GwH 9 juli 2013: vordering beweerde vader (= persoon die vaderschap opeist)
GwH 7 november 2013: vordering kind → biologische realiteit na 1/7/2007 aan het licht gekomen
GwH 3 februari 2016: vordering kind → kind had biologische realiteit al ontdekt voor inwerkingtreding
van art. 318 oud BW dus voor 1/7/2007
2. Cass. 7 april 2017 (randnummer 270)
“Uit een grondwetsconforme lezing van art. 318, § 1 [oud] BW zoals opgevat door het GwH, volgt
dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens het bezit van staat geen absoluut
karakter heeft en dat de rechter, rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen,
in het bijzonder met die van het kind, hierop een uitzondering kan maken”
Het cassatiemiddel, dat in zijn drie onderdelen ervan uitgaat dat het bezit van staat nooit een grond
van niet-ontvankelijkheid uitmaakt, zodat elke rechterlijke controlemogelijkheid op het belang van het
minderjarig kind dat de volle leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt, ontbreekt wanneer de moeder zich
niet tegen de vaderschapsbetwisting verzet, en dat verder ervan uitgaat dat bij gebrek aan de
mogelijkheid voor de echtgenoot-vader om verzet aan te tekenen, laatstgenoemde geen gelegenheid
heeft om het belang van het kind in te roepen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Conclusie Cass: bezit van staat kan grond van onontvankelijkheid zijn, maar geen absolute grond meer.
Indien bezit van staat moet er belangenafweging zijn tussen alle partijen in het geding. Maar belangen
van het kind wegen zwaarder door
3. Cass. 26 mei 2023 (randnummer 271)
“Uit een grondwetsconforme lezing van artikel 318, § 1 oud BW, zoals voorgestaan door het
Grondwettelijk Hof en (de tekst van) art. 318, § 3, eerste lid oud BW volgt dat de familierechter die
het bezit van staat t.a.v. de echtgenoot v/d moeder v/h kind vaststelt, bij zijn beoordeling van hetzij
2
Afstammings- en erfrecht en EVRM
1. Arrest-Marckx p. 16 boek
België = veroordeeld door EHRM omdat toen onze afstammingswetgeving het EVRM in verscheidene
opzichten schond.
Paula Marckx = ongehuwd & had dochter die ze moest erkennen & adopteren om haar zelfde rechten
te geven als wettig kind.
- Vaststellingen natuurlijke afstamming: art. 8 EVRM = geschonden doordat natuurlijke moeder
haar kind moest erkennen om van haar moederschap te doen blijken.
2. Arrest-Vermeire
Uitsluiting uit een nalatenschap o.b.v. buitenechtelijk karakter van de afstamming art. 14 en 8 EVRM
schendt.
Het verlies aan erfrecht voor een buitenhuwelijks kind in de nalatenschap van zijn in 1980 overleden
grootvader moet worden vergoed;
Het verlies aan erfrecht voor een buitenhuwelijks kind in de nalatenschap van zijn in 1975 overleden
grootmoeder moet niet worden vergoed.
3. Ongrondwettigverklaring art. 321 oud BW door GwH 14 juli 2022, nr. 99/2022 (randnummer
124)
Een halfbroer en halfzus kregen samen een kind. De man wou het kind erkennen, ondanks dat dat
eigenlijk strijdig is met art. 321 oud BW. De rechtbank heeft de erkenning toch toegestaan, waardoor
het OM een nietigheidsvordering heeft ingesteld tegen die erkenning. Die nietigheid is er gekomen
omdat als het OM de nietigverklaring wou wegens strijdigheid met art. 321 oud BW, er een
automatische gegrond verklaring van die vordering moest zijn.
Dat laatste heeft het GwH onwettig verklaard. Het mag niet zijn dat die nietigheidsvordering
automatisch gegrond moet worden verklaard, omdat het belang van het kind niet wordt getoetst. Het
kan wel eens in het belang van het kind zijn dat die erkenning kan blijven bestaan.
4. GwH 28 november 2019 & GwH 18 juni 2020 (randnummer 178)
In wettekst staat: als zowel moeder, kind > 12 j. & OM voor de vordering tot gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap zijn; en enkel de beweerde vader voert verweer, is er geen toetsing mogelijk aan
het belang van het kind.
Ongrondwettig bevonden door GwH. Nu moet er ook een toets aan het belang van het kind
mogelijk zijn als de man verweer voert.
Bewijs van niet-vaderschap bij gerechtelijke vaststelling (randnummer 198)
1. GwH 7 februari 2019
Man en vrouw hadden samen ingestemd voor een kind te krijgen via MBV en de man overlijdt voor de
geboorte van het kind. De vrouw wou een gerechtelijke vaststelling laten doen maar de erfgenamen
1
, van die man wouden dat niet en brachten aan dat de man niet de biologische vader is maar voor de
mensen die MBV hebben laten doen is er een uitzondering op het bewijs van niet vaderschap
Onderzoek naar het vaderschap (randnummer 202)
1. GwH 17 oktober 2019
“ Art. 331ter [oud] BW schendt art. 22 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in
zoverre aan diegene die de identiteit van zijn vermeende vader na het verstrijken v/d
verjaringstermijn verneemt, een vordering tot onderzoek naar het vaderschap wordt ontzegd”
Als men pas na die 30 jaar de identiteit van de vermeende vader te weten komt, kunnen ze toch nog
een vordering inleiden ook al is de termijn verstreken.
Betwisting vaderschap echtgenoot
1. GwH 3 februari 2011, GwH 9 juli 2013, GwH 7 november 2013 en 3 februari 2016 (randnummer
269)
“Art. 318, § 1, eerste lid [oud] BW schendt art. 22 Gw., in samenhang gelezen met art. 8 EVRM, in
zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van
staat heeft t.a.v. de echtgenoot van de moeder”
GwH 3 februari 2011: vordering echtgenoot (er was bezig van staat maar de echtgenoot was bedrogen)
GwH 9 juli 2013: vordering beweerde vader (= persoon die vaderschap opeist)
GwH 7 november 2013: vordering kind → biologische realiteit na 1/7/2007 aan het licht gekomen
GwH 3 februari 2016: vordering kind → kind had biologische realiteit al ontdekt voor inwerkingtreding
van art. 318 oud BW dus voor 1/7/2007
2. Cass. 7 april 2017 (randnummer 270)
“Uit een grondwetsconforme lezing van art. 318, § 1 [oud] BW zoals opgevat door het GwH, volgt
dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens het bezit van staat geen absoluut
karakter heeft en dat de rechter, rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen,
in het bijzonder met die van het kind, hierop een uitzondering kan maken”
Het cassatiemiddel, dat in zijn drie onderdelen ervan uitgaat dat het bezit van staat nooit een grond
van niet-ontvankelijkheid uitmaakt, zodat elke rechterlijke controlemogelijkheid op het belang van het
minderjarig kind dat de volle leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt, ontbreekt wanneer de moeder zich
niet tegen de vaderschapsbetwisting verzet, en dat verder ervan uitgaat dat bij gebrek aan de
mogelijkheid voor de echtgenoot-vader om verzet aan te tekenen, laatstgenoemde geen gelegenheid
heeft om het belang van het kind in te roepen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Conclusie Cass: bezit van staat kan grond van onontvankelijkheid zijn, maar geen absolute grond meer.
Indien bezit van staat moet er belangenafweging zijn tussen alle partijen in het geding. Maar belangen
van het kind wegen zwaarder door
3. Cass. 26 mei 2023 (randnummer 271)
“Uit een grondwetsconforme lezing van artikel 318, § 1 oud BW, zoals voorgestaan door het
Grondwettelijk Hof en (de tekst van) art. 318, § 3, eerste lid oud BW volgt dat de familierechter die
het bezit van staat t.a.v. de echtgenoot v/d moeder v/h kind vaststelt, bij zijn beoordeling van hetzij
2