Klinische Neuropsychologie – 200300073
Universiteit Utrecht
Inhoud:
- Hoofdstuk 12 Intelligentie
- Hoofdstuk 18 Alcoholgerelateerde Cognitieve Stoornissen
, Lecture 6, H12 intelligentie (vanuit het boek)
12.1 inleiding
Intelligentie: Algemene mentale vaardigheid die onder andere het volgede
omvat: vermogen tot redeneren/plannen/probleemoplossen/abstract
denken/leren van nieuwe ervaringen. Intellegentie is niet slechts
kennis/acedemische vaardigheden, maar ook een veelomvattende vaardigheid
die je instaat stelt om onze omgeving te begrijpen/betekenis geven.
IQ score: een score van het individu op een algemene intelligentietest,
vergeleken met een representatieve steekproef en gecorrigeerd voor leeftijd.
12.2.1 Theorieen over intelligentie, Biologische basis van intelligentie
Structurele kenmerken
hogere intelligentie: groter hersenvolume, meer grijze stof, dikkere cortex.
Echter geen specefieke hersengebieden vooral functionele kenmerken van de
hersenen (ipv structurele) spelen een rol bij intelligentie.
Erfelijkheid/genetische factoren
Intelligentie is ongeveer 50% genetisch bepaald, maar speelt een grotere factor
later in het leven. Er is sprake van een predispositie (erfelijk) om intelligent
gedrag te vertonen, mits er gebruikt wordt gemaakt van de mogelijkheiden
(omgeving). Als ideale omstandigheden aanwezig zijn, zal men gedurende het
leven een omgeving creeren die meer past bij de intellecutuele predispositie
relatieve invloed van de erflijkheidsfactor stijgt met leeftijd. Deze
erfelijkheidsfactor is dus dynamisch en afhankelijk van omstandigheden (bijv.
Socio-economische status) en verschilt dus per populatie.
Er is geen duidelijk intelligentie gen: veel genen spelen een rol. De invloed
van mutaties kan echter wel erg groot zijn.
Verstandelijke beperking: beperking in het verstandelijke én adaptieve
functioneren. Gaat doorgaans samen met een lage IQ score (70). 50-80%
van de mensen met verstandelijk beperking kan genetische oorzaak
worden aangetoont.
12.2.2 de psychometrische benadering van intelligentie
Psychosometerische benadering: geeft inzicht in de structuur van intellegentie,
op basis van de score van verschillende tests. Blijkt dat er vaak samenhang is
tussen te prestaties op neuropsychologische tests. Deze tests meten dus ook
deels een onderliggende gemeenschappelijke factor general mental ability of
“g”. Later werd dit ondergedeeld in 7 primary mental abilities.
Cattell-Horn-Carroll Model van intelligentie (CHC model)
samenvoeging van 2 modellen, beschrijft momenteel 17 brede cognitieve
processen. Neemt als basis vanuit het model van Carroll een onderverdling in 3
strata: generiek process (g) brede cognitieve processen (onderverdeeld in Gf
en Gc) Specefieke cognitieve funties
Vanuit het model van Horn en Cattell is het onderscheidt in Gf en Gc gemaakt.
Gf: fluide intelligentie, vermogen om logisch te redeneren/info verwerking/
probleem oplossing, zonder dat je kunt vaaren op eerder verworven
Universiteit Utrecht
Inhoud:
- Hoofdstuk 12 Intelligentie
- Hoofdstuk 18 Alcoholgerelateerde Cognitieve Stoornissen
, Lecture 6, H12 intelligentie (vanuit het boek)
12.1 inleiding
Intelligentie: Algemene mentale vaardigheid die onder andere het volgede
omvat: vermogen tot redeneren/plannen/probleemoplossen/abstract
denken/leren van nieuwe ervaringen. Intellegentie is niet slechts
kennis/acedemische vaardigheden, maar ook een veelomvattende vaardigheid
die je instaat stelt om onze omgeving te begrijpen/betekenis geven.
IQ score: een score van het individu op een algemene intelligentietest,
vergeleken met een representatieve steekproef en gecorrigeerd voor leeftijd.
12.2.1 Theorieen over intelligentie, Biologische basis van intelligentie
Structurele kenmerken
hogere intelligentie: groter hersenvolume, meer grijze stof, dikkere cortex.
Echter geen specefieke hersengebieden vooral functionele kenmerken van de
hersenen (ipv structurele) spelen een rol bij intelligentie.
Erfelijkheid/genetische factoren
Intelligentie is ongeveer 50% genetisch bepaald, maar speelt een grotere factor
later in het leven. Er is sprake van een predispositie (erfelijk) om intelligent
gedrag te vertonen, mits er gebruikt wordt gemaakt van de mogelijkheiden
(omgeving). Als ideale omstandigheden aanwezig zijn, zal men gedurende het
leven een omgeving creeren die meer past bij de intellecutuele predispositie
relatieve invloed van de erflijkheidsfactor stijgt met leeftijd. Deze
erfelijkheidsfactor is dus dynamisch en afhankelijk van omstandigheden (bijv.
Socio-economische status) en verschilt dus per populatie.
Er is geen duidelijk intelligentie gen: veel genen spelen een rol. De invloed
van mutaties kan echter wel erg groot zijn.
Verstandelijke beperking: beperking in het verstandelijke én adaptieve
functioneren. Gaat doorgaans samen met een lage IQ score (70). 50-80%
van de mensen met verstandelijk beperking kan genetische oorzaak
worden aangetoont.
12.2.2 de psychometrische benadering van intelligentie
Psychosometerische benadering: geeft inzicht in de structuur van intellegentie,
op basis van de score van verschillende tests. Blijkt dat er vaak samenhang is
tussen te prestaties op neuropsychologische tests. Deze tests meten dus ook
deels een onderliggende gemeenschappelijke factor general mental ability of
“g”. Later werd dit ondergedeeld in 7 primary mental abilities.
Cattell-Horn-Carroll Model van intelligentie (CHC model)
samenvoeging van 2 modellen, beschrijft momenteel 17 brede cognitieve
processen. Neemt als basis vanuit het model van Carroll een onderverdling in 3
strata: generiek process (g) brede cognitieve processen (onderverdeeld in Gf
en Gc) Specefieke cognitieve funties
Vanuit het model van Horn en Cattell is het onderscheidt in Gf en Gc gemaakt.
Gf: fluide intelligentie, vermogen om logisch te redeneren/info verwerking/
probleem oplossing, zonder dat je kunt vaaren op eerder verworven