Lisse Gebruers
INTERACTIEVE BEWEGINGSACTIVITEITEN
INLEIDING
OPEN TAKEN
- Grote verscheidenheid
- Dynamische omgeving
- Aandacht extern gericht op tegenstander & ontwerpen van gepaste strategie om
vooruit te lopen op spelgebeurtenissen
- Basket, voetbal, hockey,…
GESLOTEN TAKEN
- Statische omgeving
- Voorspelbaar
- Gymnastiek, dans
DEEL1: DE MOTORISCHE COMPONENT
INLEIDING
Richard Smidt: definieert motorisch leren als “een proces dat leidt tot relatief duurzame
veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de
omgeving”
Vereiste voor te spreken van motorisch leren:
1: veranderingen in het gedragspotentieel na oefening blijft een zekere tijd voortbestaan
2: mbt het gedragspotentieel; is een verandering allen indirect meetbaar via het gedrag of
de prestatie zelf. Het is mogelijk dat een leermethode tijdens de training een beperkt effect
lijkt te hebben omdat de prestatie maar weinig verbetert, maar op termijn wel effect heeft.
Omgekeerd is het ook mogelijk.
“Wat de sporter leert in een trainingssessie en tijdens die sessie aan prestatieverbetering
laat zien, heeft geen betekenis voor de vraag of er iets geleerd dat gereproduceerd kan
worden in de toekomst”
In kaart brengen via retentietesten
3: is het gevolg van specifieke ervaringen in en met de omgeving
Testen of het geleerde ook in andere omstandigheden kan = via transfertest
1
, Anders Ericsson: ‘Deliberate practice’ = oefening die erop gericht is een vaardigheid of
techniek onder de knie te krijgen die men nog niet beheerst
2. MOTORISCHE VAARDIGHEDEN
Lopen:
- Loopt rechtdoor
- Moeilijk observeerbare zweeffase
3&4 jaar - Beperkte beenzwaai
- Gekruiste coördinatie
- Kan scherpe bochten nemen
- Loopt efficiënt
- Mooi rechtop en goede lichaamsbeheersing
5&6 jaar - Drijft snelheid op
- Vlot rond obstakels
- Start, stopt en draait & kan versnellen en vertragen
- Sprint op bal van de voet
- Matuur looppatroon:
- Goede arm-beencoördinatie
7&8 jaar
- Duidelijke voetafrol
- Lange zweeffase
- Zwaaibeen is 90° gebogen thv knie
- Grote paslengte
- Volledige strekking steunbeen bij afstoot
Springen&landen:
Springen in het - Lichaam niet stabiel
algemeen - Armzwaai is voor evenwicht, niet ter
ondersteuning
- Huppelen, hinkelen en touwtjespringen zijn
moeilijk
Springen in de - Blijft rechtop of leunt in kleine maten naar
3&4 jaar verte voor
- 30-50cm ver
- 3 tal sprongen na elkaar
Springen in de - Moeilijk met 2 voeten samen
hoogte - 15-25cm hoog
- Springt over touw van 5a10cm hoog
- Ondersteunt sprong niet met armen
- Strekt lichaam niet volledig
- Kan tiental passen voorwaarts op een balk of
plank stappen
, Springen in het - Armen steeds meer ter ondersteuning
algemeen - Kleine en korte aanloop
- Sprongkracht aanpassen
- Basis huppelen, gekruiste coördinatie,
hinkelen en touwtjespringen
Springen in de verte - Dieper door benen gaan ter
voorbereiding
5&6 jaar - Armen zijwaarts voor evenwicht
- Heupen buigen tijdens landing
- Landt met 2 voeten samen
- Kan op bank stappen, met een voet
afstoten en 50-75cm ver springen
Springen in de hoogte - Springt 2 voeten samen & buigt knieën
voor sprong
- 30-35cm hoog
- Springt over een touw van 25cm
- Begint stabieler te landen
Springen in het - Matuur springpatroon
algemeen - Armen ondersteunen de sprong en zorgt
voor extra kracht
- Strekt heupen, knieën en enkels
- Stabiel flexie in heupen
7&8 jaar - Vlot huppelen, hinkelen en
touwtjespringen
Springen in de verte - Diep door de benen
- Stoot af in hoek van ongeveer 45°
- Gewicht naar voor bij landing
Springen in de hoogte - Goede armcoördinatie
- Stabiel landen
Dribbelen:
- 2 handen, neerwaartse druk beweging
- Dicht bij lichaam botsen, bal soms op voeten
3&4 jaar - Ogen op bal gericht, ziet niet wat er rondom gebeurt
- Niet verplaatsen
- Geen controle, grote variatie in hoogte, botst 1-3 keer
- Leunt over de bal, bal botst tot op borsthoogte
5&6 jaar - Houdt ogen enkel op bal
- Begint controle te krijgen
- Meerdere keren dribbelen met voorkeurshand
- Romp lichtjes voorover
3
INTERACTIEVE BEWEGINGSACTIVITEITEN
INLEIDING
OPEN TAKEN
- Grote verscheidenheid
- Dynamische omgeving
- Aandacht extern gericht op tegenstander & ontwerpen van gepaste strategie om
vooruit te lopen op spelgebeurtenissen
- Basket, voetbal, hockey,…
GESLOTEN TAKEN
- Statische omgeving
- Voorspelbaar
- Gymnastiek, dans
DEEL1: DE MOTORISCHE COMPONENT
INLEIDING
Richard Smidt: definieert motorisch leren als “een proces dat leidt tot relatief duurzame
veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de
omgeving”
Vereiste voor te spreken van motorisch leren:
1: veranderingen in het gedragspotentieel na oefening blijft een zekere tijd voortbestaan
2: mbt het gedragspotentieel; is een verandering allen indirect meetbaar via het gedrag of
de prestatie zelf. Het is mogelijk dat een leermethode tijdens de training een beperkt effect
lijkt te hebben omdat de prestatie maar weinig verbetert, maar op termijn wel effect heeft.
Omgekeerd is het ook mogelijk.
“Wat de sporter leert in een trainingssessie en tijdens die sessie aan prestatieverbetering
laat zien, heeft geen betekenis voor de vraag of er iets geleerd dat gereproduceerd kan
worden in de toekomst”
In kaart brengen via retentietesten
3: is het gevolg van specifieke ervaringen in en met de omgeving
Testen of het geleerde ook in andere omstandigheden kan = via transfertest
1
, Anders Ericsson: ‘Deliberate practice’ = oefening die erop gericht is een vaardigheid of
techniek onder de knie te krijgen die men nog niet beheerst
2. MOTORISCHE VAARDIGHEDEN
Lopen:
- Loopt rechtdoor
- Moeilijk observeerbare zweeffase
3&4 jaar - Beperkte beenzwaai
- Gekruiste coördinatie
- Kan scherpe bochten nemen
- Loopt efficiënt
- Mooi rechtop en goede lichaamsbeheersing
5&6 jaar - Drijft snelheid op
- Vlot rond obstakels
- Start, stopt en draait & kan versnellen en vertragen
- Sprint op bal van de voet
- Matuur looppatroon:
- Goede arm-beencoördinatie
7&8 jaar
- Duidelijke voetafrol
- Lange zweeffase
- Zwaaibeen is 90° gebogen thv knie
- Grote paslengte
- Volledige strekking steunbeen bij afstoot
Springen&landen:
Springen in het - Lichaam niet stabiel
algemeen - Armzwaai is voor evenwicht, niet ter
ondersteuning
- Huppelen, hinkelen en touwtjespringen zijn
moeilijk
Springen in de - Blijft rechtop of leunt in kleine maten naar
3&4 jaar verte voor
- 30-50cm ver
- 3 tal sprongen na elkaar
Springen in de - Moeilijk met 2 voeten samen
hoogte - 15-25cm hoog
- Springt over touw van 5a10cm hoog
- Ondersteunt sprong niet met armen
- Strekt lichaam niet volledig
- Kan tiental passen voorwaarts op een balk of
plank stappen
, Springen in het - Armen steeds meer ter ondersteuning
algemeen - Kleine en korte aanloop
- Sprongkracht aanpassen
- Basis huppelen, gekruiste coördinatie,
hinkelen en touwtjespringen
Springen in de verte - Dieper door benen gaan ter
voorbereiding
5&6 jaar - Armen zijwaarts voor evenwicht
- Heupen buigen tijdens landing
- Landt met 2 voeten samen
- Kan op bank stappen, met een voet
afstoten en 50-75cm ver springen
Springen in de hoogte - Springt 2 voeten samen & buigt knieën
voor sprong
- 30-35cm hoog
- Springt over een touw van 25cm
- Begint stabieler te landen
Springen in het - Matuur springpatroon
algemeen - Armen ondersteunen de sprong en zorgt
voor extra kracht
- Strekt heupen, knieën en enkels
- Stabiel flexie in heupen
7&8 jaar - Vlot huppelen, hinkelen en
touwtjespringen
Springen in de verte - Diep door de benen
- Stoot af in hoek van ongeveer 45°
- Gewicht naar voor bij landing
Springen in de hoogte - Goede armcoördinatie
- Stabiel landen
Dribbelen:
- 2 handen, neerwaartse druk beweging
- Dicht bij lichaam botsen, bal soms op voeten
3&4 jaar - Ogen op bal gericht, ziet niet wat er rondom gebeurt
- Niet verplaatsen
- Geen controle, grote variatie in hoogte, botst 1-3 keer
- Leunt over de bal, bal botst tot op borsthoogte
5&6 jaar - Houdt ogen enkel op bal
- Begint controle te krijgen
- Meerdere keren dribbelen met voorkeurshand
- Romp lichtjes voorover
3