BASISOBSERVATIES CYTOLOGIE, HISTOLOGIE EN ANATOMIE
1. INLEIDING
Cytologie = celleer/bestuderen v cellulaire structuren
Histologie = weefselleer
Anatomie = studie organen & omliggende verbanden
Oriëntatie
Longitudinaal/overlangs // met lichaams-as
Transversaal/dwars ⊥ op lichaams-as
Proximaal/basaal Aan basis (v uitsteeksel)
Distaal Aan de top (v uitsteeksel)
Dorsaal Aan de rugzijde
Ventraal Aan de buikzijde
Rostraal/cardinaal Aan de voorzijde (nr kop toe)
Caudaal Aan de achterzijde (nr staart toe)
Lateraal Aan de zijkant
Mediaan Vlak dat dier verdeelt in 2 helften → elkaars spiegelbeeld
Sagittaal Vlak evenwijdig met mediaan vlak
Apicaal Nr oppervlak gericht
Basaal Tegenovergestelde zijde gericht
≠ niveaus structurele organisatie (CYTOLOGIE)
- Chemisch niveau
- Cellulair niveau
- Weefselniveau
- Orgaanniveau
- Anatomie
2. DIERKUNDE 1: CYTOLOGIE
Basisprincipes v celtheorie
- Alle organismen zijn opgebouwd uit één of meerdere cellen
- Cel = structurele basiseenheid vr alle organismen
- Alle cellen ontstaan alleen uit reeds bestaande cellen
3 belangrijke factoren bepalen waarom cellen niet groter zijn (dierlijke cellen 10-100μm)
- Een geschikte opp/volume verhouding
- Een diffusiesnelheid v moleculen
- De noodzaak om de juiste lokale concentraties in stand te houden v specifieke substanties &
enzymen → noodzakelijk vr allerlei cellulaire processen
Eukaryote cellen
- Gecompartimenteerd (DNA niet los in cytoplasma)
▪ Organellen
GA
Ribosomen
Mitochondriën
…
- Kern omgeven dr kernenvelop
- Nucleolus
- Cytoplasma
- CM = plasmamembraan
1
,1. Preparaat v wangepitheel vd mens (HOMO)
- Plavei-epitheelcellen
▪ Kern = basofiel
▪ Cytoplasma = acidofiel
- Witte bloedcellen
- Bacteriën = sferische vorm
Cellen v wangepitheel
- Binnenkant: meerlagig plavei-epitheel
▪ Voortdurend vernieuwd vanuit basale laag
▪ Oppervlakkige/afgeplatte cellen afgestoten
- Plavei-epitheel = niet verhoornd
▪ Bezitten nog kern
2. Preparaat (uitrijkpreparaat) v menselijk bloed (HOMO)
Bloed = speciale vorm v bindweefsel
- Bloedcellen = bloedlichaampjes in vloeibare IC stof = cytoplasma zitten
Onderdelen/cellen v ons bloed
- Rode bloedcellen of erytrocyten
▪ Transport v O2 & CO2 (binnen de bloedvaten)
- Witte bloedcellen of leukocyten
▪ Belangrijk onderdeel v immuunsysteem (buiten bloedvaten)
- Bloedplaatjes of trombocyten
▪ Bloedstollingsmechanismen (binnen bloedvaten)
- Worden allemaal gevormd bij de volwassenen in het beenmerg (proces = hematopoiesis)
2.1. Erytrocyten (rode bloedcellen)
- Kleine, kernloze, biconcave schijfjes met een glad opp
- Bleke kleur v centrale deel → dr concave schijfvorm → toont plaats v verdwenen kern
▪ Vorm geeft cel groot tov celvolume → efficiënt vr gasuitwisseling
- Diameter: 6-8μm
- minste mechanische druk & vormverandering
- Ontwikkeld zich uit gekernde, in het beenmerg aangetroffen voorlopercellen
▪ = de erytroblasten
- Bevat enkel nog hemoglobine & beperkt aantal enymes
2.2. Leukocyten (witte bloedcellen)
- Gekernde cellen
- Ontstaan, functioneren & steven af buiten bloedbaan
▪ Bloedbaan = transportmiddel
- > dan erytrocyten (8-20μm)
- Afgeronde vorm (ong)
- In weefsels aangetroffen als zwerfcellen
- Actieve amoeboïde voortbeweging mbv pseudopodiën
▪ Kunnen dr wand v kleine bloedvaten dringen (lokale ontstekingsreacties)
- Belangrijkste rol = bescherming v weefsels tegen indringers (bacteriën)
▪ Fagocytair vermogen
2
, 2.2.1. Granulocyten
- Veellobbige kern
- 2 soorten granula
Primaire granula (in alle granulocyten)
Secundaire/specifieke granula (vr elk soort granulocyt)
Neutrofielen (60-70%) - Talrijkste in bloed vd leukocyten
- Diameter: 12-14μm (groter in afgeplatte vorm)
- Gelobde kern
- Aantal lobben afv leeftijd/pathologische omst
- Kernlobben verbonden met elkaar door fijne brugjes
• Niet veelkernig!!!
- Weinig affiniteit vr kleurstoffen
- Vrouw: lob kan lichaampje v Barr zijn (trommelstokvorm)
Eosinofielen (2-4%) - Diameter 12-15μm
- Tweelobbige kern (“brilkern”)
- Cytoplasma volgepropt met grote bolvormige & dr eosine
donkerroos gekleurde, specifieke granula
Basofielen (0,5-1%) - Minst talrijke leukocyten
- Kleine, bolvormige bloedcellen
- Diameter: 10-14μm
- Grote, niet gelobde tot tweelobbige kern verborgen dr
onregelmatige grove korrels → kleuren met basische
kleurstoffen
- Bevatten weinig primaire granula
2.2.2. Agranulocyten
- Geen lichtmicroscopische aantoonbare cytoplasmatische granula
- Kern is niet gelobd (kan toch indeuking vertonen)
Lymfocyten (20-30%) - Kleinste witte bloedcellen
- Diameter: 6-15μm
- 2e meest voorkomende type leukocyten
- Ronde/lichtingedeukte grote kern
- Omgeven dr vrij smalle band cytoplasma
• Hoeveelheid cytoplasma varieert met
activiteitstoestand
Monocyten (3-8%) - Grootste witte bloedcellen
- Diameter: 15 – 20μm
- Grote, excentrisch geplaatste kern met meestal
een indeuking
- Kern omgeven dr grote hoeveelheid basofiel
cytoplasma met talrijke kleine lysosomen
2.3. Trombocyten (bloedplaatjes)
- Kleine, ronde/ovale, kernloze schijfvormige lichaampjes
- Diameter: 2-3μm
- Afgesnoerde fragmenten v megakaryocyten
- Bezitten eigen metabolisme & belangrijke rol bij bloedstolling
3
1. INLEIDING
Cytologie = celleer/bestuderen v cellulaire structuren
Histologie = weefselleer
Anatomie = studie organen & omliggende verbanden
Oriëntatie
Longitudinaal/overlangs // met lichaams-as
Transversaal/dwars ⊥ op lichaams-as
Proximaal/basaal Aan basis (v uitsteeksel)
Distaal Aan de top (v uitsteeksel)
Dorsaal Aan de rugzijde
Ventraal Aan de buikzijde
Rostraal/cardinaal Aan de voorzijde (nr kop toe)
Caudaal Aan de achterzijde (nr staart toe)
Lateraal Aan de zijkant
Mediaan Vlak dat dier verdeelt in 2 helften → elkaars spiegelbeeld
Sagittaal Vlak evenwijdig met mediaan vlak
Apicaal Nr oppervlak gericht
Basaal Tegenovergestelde zijde gericht
≠ niveaus structurele organisatie (CYTOLOGIE)
- Chemisch niveau
- Cellulair niveau
- Weefselniveau
- Orgaanniveau
- Anatomie
2. DIERKUNDE 1: CYTOLOGIE
Basisprincipes v celtheorie
- Alle organismen zijn opgebouwd uit één of meerdere cellen
- Cel = structurele basiseenheid vr alle organismen
- Alle cellen ontstaan alleen uit reeds bestaande cellen
3 belangrijke factoren bepalen waarom cellen niet groter zijn (dierlijke cellen 10-100μm)
- Een geschikte opp/volume verhouding
- Een diffusiesnelheid v moleculen
- De noodzaak om de juiste lokale concentraties in stand te houden v specifieke substanties &
enzymen → noodzakelijk vr allerlei cellulaire processen
Eukaryote cellen
- Gecompartimenteerd (DNA niet los in cytoplasma)
▪ Organellen
GA
Ribosomen
Mitochondriën
…
- Kern omgeven dr kernenvelop
- Nucleolus
- Cytoplasma
- CM = plasmamembraan
1
,1. Preparaat v wangepitheel vd mens (HOMO)
- Plavei-epitheelcellen
▪ Kern = basofiel
▪ Cytoplasma = acidofiel
- Witte bloedcellen
- Bacteriën = sferische vorm
Cellen v wangepitheel
- Binnenkant: meerlagig plavei-epitheel
▪ Voortdurend vernieuwd vanuit basale laag
▪ Oppervlakkige/afgeplatte cellen afgestoten
- Plavei-epitheel = niet verhoornd
▪ Bezitten nog kern
2. Preparaat (uitrijkpreparaat) v menselijk bloed (HOMO)
Bloed = speciale vorm v bindweefsel
- Bloedcellen = bloedlichaampjes in vloeibare IC stof = cytoplasma zitten
Onderdelen/cellen v ons bloed
- Rode bloedcellen of erytrocyten
▪ Transport v O2 & CO2 (binnen de bloedvaten)
- Witte bloedcellen of leukocyten
▪ Belangrijk onderdeel v immuunsysteem (buiten bloedvaten)
- Bloedplaatjes of trombocyten
▪ Bloedstollingsmechanismen (binnen bloedvaten)
- Worden allemaal gevormd bij de volwassenen in het beenmerg (proces = hematopoiesis)
2.1. Erytrocyten (rode bloedcellen)
- Kleine, kernloze, biconcave schijfjes met een glad opp
- Bleke kleur v centrale deel → dr concave schijfvorm → toont plaats v verdwenen kern
▪ Vorm geeft cel groot tov celvolume → efficiënt vr gasuitwisseling
- Diameter: 6-8μm
- minste mechanische druk & vormverandering
- Ontwikkeld zich uit gekernde, in het beenmerg aangetroffen voorlopercellen
▪ = de erytroblasten
- Bevat enkel nog hemoglobine & beperkt aantal enymes
2.2. Leukocyten (witte bloedcellen)
- Gekernde cellen
- Ontstaan, functioneren & steven af buiten bloedbaan
▪ Bloedbaan = transportmiddel
- > dan erytrocyten (8-20μm)
- Afgeronde vorm (ong)
- In weefsels aangetroffen als zwerfcellen
- Actieve amoeboïde voortbeweging mbv pseudopodiën
▪ Kunnen dr wand v kleine bloedvaten dringen (lokale ontstekingsreacties)
- Belangrijkste rol = bescherming v weefsels tegen indringers (bacteriën)
▪ Fagocytair vermogen
2
, 2.2.1. Granulocyten
- Veellobbige kern
- 2 soorten granula
Primaire granula (in alle granulocyten)
Secundaire/specifieke granula (vr elk soort granulocyt)
Neutrofielen (60-70%) - Talrijkste in bloed vd leukocyten
- Diameter: 12-14μm (groter in afgeplatte vorm)
- Gelobde kern
- Aantal lobben afv leeftijd/pathologische omst
- Kernlobben verbonden met elkaar door fijne brugjes
• Niet veelkernig!!!
- Weinig affiniteit vr kleurstoffen
- Vrouw: lob kan lichaampje v Barr zijn (trommelstokvorm)
Eosinofielen (2-4%) - Diameter 12-15μm
- Tweelobbige kern (“brilkern”)
- Cytoplasma volgepropt met grote bolvormige & dr eosine
donkerroos gekleurde, specifieke granula
Basofielen (0,5-1%) - Minst talrijke leukocyten
- Kleine, bolvormige bloedcellen
- Diameter: 10-14μm
- Grote, niet gelobde tot tweelobbige kern verborgen dr
onregelmatige grove korrels → kleuren met basische
kleurstoffen
- Bevatten weinig primaire granula
2.2.2. Agranulocyten
- Geen lichtmicroscopische aantoonbare cytoplasmatische granula
- Kern is niet gelobd (kan toch indeuking vertonen)
Lymfocyten (20-30%) - Kleinste witte bloedcellen
- Diameter: 6-15μm
- 2e meest voorkomende type leukocyten
- Ronde/lichtingedeukte grote kern
- Omgeven dr vrij smalle band cytoplasma
• Hoeveelheid cytoplasma varieert met
activiteitstoestand
Monocyten (3-8%) - Grootste witte bloedcellen
- Diameter: 15 – 20μm
- Grote, excentrisch geplaatste kern met meestal
een indeuking
- Kern omgeven dr grote hoeveelheid basofiel
cytoplasma met talrijke kleine lysosomen
2.3. Trombocyten (bloedplaatjes)
- Kleine, ronde/ovale, kernloze schijfvormige lichaampjes
- Diameter: 2-3μm
- Afgesnoerde fragmenten v megakaryocyten
- Bezitten eigen metabolisme & belangrijke rol bij bloedstolling
3