MEERSCHAUT
1. SITUERING
1.1 DEFINITIE VAN SUBFERTILITEIT
- Infertiliteit strictu sensu: onmogelijkheid tot conceptie
- Reproductive failure: onmogelijkheid om levend kind te baren (vrouwen lijden aan herhaaldelijk
miskraam)
- Onvruchtbaar wanneer na 2 jaar pogen om een zwangerschap te bekomen en de kinderwens nog
steeds onvervuld blijft
- Verminderde vruchtbaarheid vanaf 1 jaar proberen
- Infertiliteit: enkel met medische oorzaak (sterilisatie) (ziet men als ziekte)
- Fertiliteit bij de mens: weinig efficiënt “vroege” natuurlijke selectievroege” natuurlijke selectie
- Zwangerschapskans per cyclus: 20%
- Probleem van een koppel
- Leeftijd vrouw cruciaal
- kans op zwangerschap is cumulatief!
WHO definitie: het onvermogen om zwanger te worden na 12 maanden of langer ondanks regelmatige seks
zonder bescherming (10-15% van alle koppels).
1.2 VOORWAARDEN VOOR MENSELIJKE VRUCHTBAARHEID
- Productie van normale gameten (spermatogenese en oögenese)
- Extrusie van mature gameten (ejaculatie en ovulatie)
- Samenkomst van mannelijke en vrouwelijke gameten
- Penetratie van de zaadcel in de eicel (fertilisatie)
- Migratie en inplanting van de bevruchte eicel in de baarmoeder
1.3 OORZAKEN VAN MENSELIJKE ONVRUCHTBAARHEID
- Niet aanwezig zijn van een of meerdere van genoemde voorwaarden
- 30% man, 30% vrouw, 30% gecombineerd en 10% geen oorzaak
1.3.1 PRODUCTIE VAN NORMALE MANNELIJKE GAMETEN: SPERMATOGENESE
1.3.1.1 S PERMATOGENESE
- Totale afwezigheid van sperma (uitzondering): azoöspermie
- Concentratie te laag: oligozoöspermie
- Beweeglijkheid schiet te kort: asthenozoöspermie
- Morfologie onder normale grens: teratozoöspermie
Bij semenanalyse: 3 belangrijke parameters
- Concentratie zaadcellen: normaal > 15milj/ml
- Beweeglijkheid: normaal > 40% progressief vooruit bewegend
- De morfologie: normaal > 4% ideaal gevormde zaadcellen
,Richtlijnen diagnostische sperma-analyse
- Steriel potje gebruiken
- Bij voorkeur productie in het ziekenhuis/labo (masturbatie)
- Indien thuis, dan op lichaamstemperatuur bewaren en binnen het uur na productie afgeven op het
labo
- Seksuele onthouding 2-7 dagen
- Vooraf penis en handen wassen
- Geen condoom gebruiken
- Geen voorafgaande betrekkingen
1.3.1.2 O ÖGENESE
- Normaal: gaat aan profase 1 van meiose 1 stoppen, dan elke maand 1 rijpen
- Afwezigheid van eicelrijping kan gevolg zijn van ovariële stoornissen (genetische syndromen zoals
Turner, ovariële dysgenese) of endocriene factoren
1.3.2 EXTRUSIE VAN MATURE GAMETEN (EJACULATIE EN OVULATIE )
1.3.2.1 E JACULATIE
- Ejaculatiestoornissen zeldzame oorzaak van infertiliteit
- Meest frequente oorzaken:
Neurologische aandoeningen
Diabetes
Psychogene stoornissen
1.3.2.2 O VULATIE
- 60% van de oorzaken van vrouwelijke subfertiliteit
- Onderscheid anovulatie (niet hetzelfde als menopauze) en oligo-ovulatie (<8 ovulaties/jaar)
1.3.3 SAMENKOMST VAN DE MANNELIJKE EN VROUWELIJKE GAMETEN
- In ampulla
- Er kunnen voor beide hindernissen en obstakels bestaan:
1.3.3.1 S TOORNISSEN IN DE MIGRATIE VAN DE ZAADCEL
- Congenitale of verworven obstructie van mannelijke afvoerwegen:
Postinfectieus
Congenitale afwezigheid van het vas deferens
Post vasectomie
- Verminderd vermogen of onmogelijkheid van sperma om in cervixslijm op te zwemmen
Dysmucorroe
Sperma antistoffen bij man of vrouw
Stenose van cervix
Athenozoöspermie
- Hostiliteit (“vroege” natuurlijke selectievijandigheid”), stoornis van receptiviteit van cervixslijm of ontoegankelijkheid van
baarmoederholte
- Ondoorgankelijkheid tubae
1.3.3.2 S TOORNISSEN IN DE MIGRATIE VAN DE EICEL
- Pick-up stoornis door tubaire stoornissen, endometriosis
- Tubaire obstructive
,- Destructive van endotubair epitheel (postinfecteus)
1.3.4 PENETRATIE VAN ZAADCEL IN EICEL
- Stoornissen van de zaadcel
- Stoornissen eicel
1.3.5 MIGRATIE EN INPLANTING VAN DE BEVRUCHTE EICEL IN BAARMOEDER
1.3.5.1 E ILEIDER
- Tubaire afwijkingen
- Destructie endotheel (post-infectieus: e.g. chlamydia!)
1.3.5.2 B AARMOEDER
- Gestoorde ontwikkeling endometrium (Asherman sy, endometritis)
2. DE REPRODUCTIEVE CYCLUS
- Doel: voortplanting
2.1 INLEIDING
2.2 DE NEUROENDOCRIENE COMPONENTEN
2.2.1 GNRH
- Neuropeptide, geproduceerd in neuro-endocriene cellen van de hypothalamus (nucleus arcuatus)
- Via axonen naar het portaal vaatstelsel
- Zeer korte halfwaardetijd
2.2.2 PORTAAL VAATSTELSEL
- Vanuit a. hypofysialis superior
- Neuro-vasculaire communicatie
, - Bevloeit de gonadotrope cellen in de anterieure hypofyse
2.2.3 GNRH PULSGENERATOR
- Ritmische depolarisaties thv nucleus arcuatus
- Autonoom ritme vanaf de puberteit
- Pulsen (frequentie en amplitude) wijzigen in functie van de cyclus cruciaal voor correcte productie
en loslating van FSH/LH
- Toepassing: GnRH agonist voor downregulatie van de hypofyse bij ovariële hyperstimulatie voor IVF
2.3 DE HYPOFYSE
2.3.1 ADENOHYPOFYSE (VOORKWAB)
- Gonaden FSH, LH
- Bijnier ACTH
- Schildklier TSH
- Groeihormoon
- Prolactine
2.3.2 DE GONADOTROFINES
- LH en FSH gestimuleerd door GnRH
- Belangrijkste doelorgaan van FSH bij vrouw granulosacel (oiv van FSH groeit en rijpt follikel)
2.3.2.1 F UNCTIE LH
- In proliferatieve fase stimuleert productie van androgenen thv theca interna (oiv van FSH in
granulosacellen verder gemetaboliseerd wordt tot oestrogenen
- Komt tussen in proces van eicelmaturatie, follikelruptuur en vorming en functie van corpus luteum
2.4 HET OVARIUM
2.4.1 FOLLICULOGENESE