Tijd : 17de en 18de eeuw
Voor de franse revolutie .
Maatschappelijke structuur : absolutisme , vorst had alle macht .Dit is zogezegd bepaald door God.
Absolute monarchie : regeringsvorm waarbij koning alle macht heeft .
Standenmaatschappij : 1ste stand =geestlijkheid
2 de stand = adel
3 de stand = boeren en burgers
3de stand had veel plichten bv : herendienst
1ste en 2de stand had veel rechten .
Er is sprake van theocratie (= God staat centraal).
Caesropapisme : kerk en de staat verbonden .
Soevereiniteit lag bij de koning , hij kon dus zelf alles beslissen .
Toenemende kritiek door de verlichtende denkers op de ancien regime , zoals:
Voltaire had kritiek op misbruik van macht door de kerk en de staat.
Rousseau vond dat er gelijkheid moest zijn en afschaffing van de standenmaatschappij
(pleitte voor sociaal contract )
Locke pleitte voor sociaal contract.
Boeren vonden dat de landbouwgrond niet eerlijk was verdeeld .
Rijke burgers wouden meer politiek invloed .
Einde
Door opstanden van de 3de stand (start franse revolutie 1789) .
Frankrijk werd een republiek (niet voor lang , napoleon zal in de laatste fase van de revolutie macht
grijpen en een absolute keizer worden).
Burgerij werd belangerijker .