Ontwikkelingspsychologische
theorieën
Ontwikkeling
Ontwikkeling: Verandering of evolutie. De mens verandert zijn
hele leven, langdurig of blijvend. Het kan vooruitgang of
achteruitgang betekenen.
Groei: Synoniem voor ontwikkeling. Veranderingen op alle
lichamelijke vlakken.
Rijping: Gevolg van lichamelijke groei. Veranderingen die min of
meer vanzelf gebeuren, als de omstandigheden meezitten.
Leren: Veranderingen die zich voordoen onder invloed van de
omgeving. Gepaard met inoefening.
Vraagstukken in de
ontwikkelingspsychologie
Continuïteit versus discontinuïteit
Discontinu: Ontwikkeling is trapsgewijs. Indeling van de
ontwikkeling in fases of stadia. In een fase is het gedrag min of
meer gelijk. Overgangsperiode soms in vorm van een crisis.
Kwalitatief: De manier van denken, voelen en handelen.
Continu: Ontwikkeling is geleidelijk.
Kwantitatief: Het gedrag verandert niet, maar wel het niveau en
de hoeveelheid vaardigheden.
Kritieke versus gelovige periodes
Kritieke periodes: Specifieke momenten in de ontwikkeling
waarin een bepaalde gebeurtenis de grootste gevolgen heeft.
Gevoelige periodes: Momenten in de ontwikkeling waar we
extra ontvankelijk zijn voor bepaalde gebeurtenissen, waar we
het beste in staat zijn om specifieke vaardigheden aan te leren.
1
theorieën
Ontwikkeling
Ontwikkeling: Verandering of evolutie. De mens verandert zijn
hele leven, langdurig of blijvend. Het kan vooruitgang of
achteruitgang betekenen.
Groei: Synoniem voor ontwikkeling. Veranderingen op alle
lichamelijke vlakken.
Rijping: Gevolg van lichamelijke groei. Veranderingen die min of
meer vanzelf gebeuren, als de omstandigheden meezitten.
Leren: Veranderingen die zich voordoen onder invloed van de
omgeving. Gepaard met inoefening.
Vraagstukken in de
ontwikkelingspsychologie
Continuïteit versus discontinuïteit
Discontinu: Ontwikkeling is trapsgewijs. Indeling van de
ontwikkeling in fases of stadia. In een fase is het gedrag min of
meer gelijk. Overgangsperiode soms in vorm van een crisis.
Kwalitatief: De manier van denken, voelen en handelen.
Continu: Ontwikkeling is geleidelijk.
Kwantitatief: Het gedrag verandert niet, maar wel het niveau en
de hoeveelheid vaardigheden.
Kritieke versus gelovige periodes
Kritieke periodes: Specifieke momenten in de ontwikkeling
waarin een bepaalde gebeurtenis de grootste gevolgen heeft.
Gevoelige periodes: Momenten in de ontwikkeling waar we
extra ontvankelijk zijn voor bepaalde gebeurtenissen, waar we
het beste in staat zijn om specifieke vaardigheden aan te leren.
1