SAMENVATTING PEDAGOGIEK
Opvoedingscontext=
- wordt bepaald door de maatschappij, cultuur, taal, sociale klassen
Pedagogiek= (wetenschappelijk over opvoeding)
ped: kind, jongeren
agogiek: begeleider, opvoeder
pedagogie: handelspraktijk, opvoeden
Algemeen pedagogisch handelen=
- professionals, opvoeden, welzijn
(school, leefgroep, jeugdwerk)
- willen dat ze zelfstandig functioneren
Pedagogisch verantwoordelijkheid=
- opvoeder is de eindverantwoordelijke, dit wordt minder naarmate ze ouder worden
Pedagogisch sensitiviteit=
- sensitief zijn voor het nodige van het kind
Pedagogisch klimaat=
- omgeving waar het kind kan stimuleren
Pedagogisch aanbod=
- afspraken in het gezin (niet voor iedereen hetzelfde)
Pedagogische vraag=
- opvoeder maakt altijd de keuzes , keuzes worden beïnvloed door normen en
waarden
Verbinding levenslooppsychologie=
- ontwikkelingsfase
Verbinding sociologie=
- opvoedingscontext
Opvoedingsrelatie=
- veel empathie, liefde
- heeft invloed op de opvoeding
Opvoedingsmiddel= zelf het voorbeeld zijn
Complementair en circulair proces=
- opvoeder en kind wederzijds elkaar beïnvloeden
,Normatief= opvoeden naar je eigen waarden en normen
Opvoedingsdoelen=
- mate waarin de opvoeding bewust verloopt
Intentioneel karakter=
- bewust iets willen bereiken met de opvoeding (streeft naar bepaalde doelen)
- bv: persoon opvoeden die zorg draagt voor andere personenen
Hoofdgroepen die van doelen onderscheiden=
1. zich leren handhaven in de maatschappij en het dragen van eigen
verantwoordelijkheid van eigen doen en laten
2. zichzelf ontplooien
3. mogelijkheden en kwaliteiten ontwikkelen en het ontwikkelen van eigen identiteit
Maatschappelijke positie en culturele achtergrond verschillen=
- (bv: meer ouders leggen nadruk op aanpassen en solidariteit en andere meer op
vrijheid en individuele ontplooiing)
Definitie van cultuur in het thema van het boek=
- cultuur kan gedefinieerd worden als een patroon van gedrag, kennis en attitudes die
van generatie op generatie worden doorgegeven, en dat de ene groep van de andere
groep onderscheidt, of tenminste als onderscheid wordt ervaren.
Culturele context=
- de culturele context waarin het kind wird opgegroeid noemt men:
developmental niche
- bestaat uit materiële en sociale kenmerken van de omgeving, die de ideeën ouders
hebben over het opvoeden en ontwikkeling van de kinderen en het gedrag van de
ouders als opvoeders.
Individualistische culturen=
- bestaat meer uit een westerse cultuur, gericht op autonomie
(psychologisch onafhankelijk) en individuele prestaties
Kenmerken van de opvoedingsstijl: minder fysiek contact; meer face to face interacties
Opvoedingsstijl= zelfde doel, andere stijl
Opvoedingsdoel= waar heeft het kind nood aan
Collectivistische culturen=
- niet westerse landen meer relatiegericht
kenmerken van de opvoedingsstijl: streven naar sociale relaties, hiërarchie, gehoorzaamheid
aan groepsnormen, fysiek contact is belangrijk, kinderen worde vaak gedragen door de
ouders, broers, zussen in bed
,Collectivistisch=
regio: niet-westerse landen
focus: groep
opvoedingsdoel: gehoorzaamheid en respect
opvoedingsstijl: proximale interacties
Individualistisch=
regio: westers, stedelijk
focus: individu
opvoedingsdoel: autonomie en prestatie
opvoedingsstijl: distale interacties (hoe ouder + kind gedraagt
Mengvorm van twee=
- autonome- relatiegerichte culturele model
(komt vaak voor bij geëmigreerde populatie)
bv: oorspronkelijk collectieve maar nu individualistische
2016=
- waren er gezinsenquête dat bestond uit 10 opvoedingsdoelen daarvan top 3 kiezen
5 opvoedingssituaties gaan schuil:
1. autonomie:
- gevoel voor verantwoordelijkheid hebben
- zelfstandig kunnen oordelen
2. assertiviteit:
- voor zichzelf kunnen opkomen
- hun eigen doelen nastreven
3. sociaal gevoel:
- rekening houden met anderen
- verdraagbaar zijn
4. conformiteit:
- zich correct of gepast dragen
- respect hebben voor andere mensen
5. prestatie:
- goed opgeleid zijn
- ijverig en ambitieus zijn
Uitsluitingsmechanisme=
- onvoldoende toegang tot basisrechten
- je geeft aan dat iemand er niet bij hoort (heeft invloed op het gedrag van kinderen)
Top 3=
- respect hebben voor andere mensen
- gevoel voor verantwoordelijkheid hebben
- voor zichzelf kunnen opkomen
Pedagogische klimaat=
- bed: goede plek, dak over het hoofd
, - brood: goede voeding, bad: goede verzorging
Opvoedingsstijlen (verschillende modellen)=
Cognities= (meestal ouders)
- gedragingen die niet zichtbaar zijn, opvoeder moet hier meestal achter vragen
- de gedachten en hoe ze denken over de opvoeding
Gedragingen=
- opvoedingsstijlen die zichtbaar zijn
- bv: te veel eten…het kind is dik, kind is lief want hij is geliefd
Diana baumrind=
- model die gaat over de verschillende opvoedingsstijlen
- onderzoek gepubliceerd in 1967
Twee dimensies: balans tussen autoriteit en affectie
- ouderlijke controle: (autoriteit)
- ouderlijke liefde: (affectie)
- ouderlijke liefde “warmte”: staat voor aanvaarden en het stimuleren van
individualiteit, zelfstandigheid en zekerheid. (dit doen ouder door gevoelig te zijn voor
en tegemoet te komen voor de behoeften en noden van hun kinderen) (affectie)
- ouderlijke controle: verwijst naar verwachtingen en eisen die de ouders hebben van
het kind, disciplinering, gehoorzaamheid, eisen,sociaal gedrag (autoriteit)
Opvoeden= is een balans tussen liefde, controle, zorg, sturen, tegemoet en individualiteit
controle
Autoritaire opvoedingsstijl: Authoritative of democratische
- hoge eisen opvoedingsstijl:
- zelfcontrole - regels stellen
- discipline - oog hebben voor de wensen
- gehoorzaamheid van de mensen
- leiding met liefde
afwijzing warmte
Verwaarlozende opvoedingsstijl: Toegeeflijke opvoedingsstijl:
- nauwelijk regels - veel aandacht aan de wensen
- weinig tijd voor het kind - bijna altijd de zin
- geen emotionele warmte - weinig eisen
autonomie
Opvoedingscontext=
- wordt bepaald door de maatschappij, cultuur, taal, sociale klassen
Pedagogiek= (wetenschappelijk over opvoeding)
ped: kind, jongeren
agogiek: begeleider, opvoeder
pedagogie: handelspraktijk, opvoeden
Algemeen pedagogisch handelen=
- professionals, opvoeden, welzijn
(school, leefgroep, jeugdwerk)
- willen dat ze zelfstandig functioneren
Pedagogisch verantwoordelijkheid=
- opvoeder is de eindverantwoordelijke, dit wordt minder naarmate ze ouder worden
Pedagogisch sensitiviteit=
- sensitief zijn voor het nodige van het kind
Pedagogisch klimaat=
- omgeving waar het kind kan stimuleren
Pedagogisch aanbod=
- afspraken in het gezin (niet voor iedereen hetzelfde)
Pedagogische vraag=
- opvoeder maakt altijd de keuzes , keuzes worden beïnvloed door normen en
waarden
Verbinding levenslooppsychologie=
- ontwikkelingsfase
Verbinding sociologie=
- opvoedingscontext
Opvoedingsrelatie=
- veel empathie, liefde
- heeft invloed op de opvoeding
Opvoedingsmiddel= zelf het voorbeeld zijn
Complementair en circulair proces=
- opvoeder en kind wederzijds elkaar beïnvloeden
,Normatief= opvoeden naar je eigen waarden en normen
Opvoedingsdoelen=
- mate waarin de opvoeding bewust verloopt
Intentioneel karakter=
- bewust iets willen bereiken met de opvoeding (streeft naar bepaalde doelen)
- bv: persoon opvoeden die zorg draagt voor andere personenen
Hoofdgroepen die van doelen onderscheiden=
1. zich leren handhaven in de maatschappij en het dragen van eigen
verantwoordelijkheid van eigen doen en laten
2. zichzelf ontplooien
3. mogelijkheden en kwaliteiten ontwikkelen en het ontwikkelen van eigen identiteit
Maatschappelijke positie en culturele achtergrond verschillen=
- (bv: meer ouders leggen nadruk op aanpassen en solidariteit en andere meer op
vrijheid en individuele ontplooiing)
Definitie van cultuur in het thema van het boek=
- cultuur kan gedefinieerd worden als een patroon van gedrag, kennis en attitudes die
van generatie op generatie worden doorgegeven, en dat de ene groep van de andere
groep onderscheidt, of tenminste als onderscheid wordt ervaren.
Culturele context=
- de culturele context waarin het kind wird opgegroeid noemt men:
developmental niche
- bestaat uit materiële en sociale kenmerken van de omgeving, die de ideeën ouders
hebben over het opvoeden en ontwikkeling van de kinderen en het gedrag van de
ouders als opvoeders.
Individualistische culturen=
- bestaat meer uit een westerse cultuur, gericht op autonomie
(psychologisch onafhankelijk) en individuele prestaties
Kenmerken van de opvoedingsstijl: minder fysiek contact; meer face to face interacties
Opvoedingsstijl= zelfde doel, andere stijl
Opvoedingsdoel= waar heeft het kind nood aan
Collectivistische culturen=
- niet westerse landen meer relatiegericht
kenmerken van de opvoedingsstijl: streven naar sociale relaties, hiërarchie, gehoorzaamheid
aan groepsnormen, fysiek contact is belangrijk, kinderen worde vaak gedragen door de
ouders, broers, zussen in bed
,Collectivistisch=
regio: niet-westerse landen
focus: groep
opvoedingsdoel: gehoorzaamheid en respect
opvoedingsstijl: proximale interacties
Individualistisch=
regio: westers, stedelijk
focus: individu
opvoedingsdoel: autonomie en prestatie
opvoedingsstijl: distale interacties (hoe ouder + kind gedraagt
Mengvorm van twee=
- autonome- relatiegerichte culturele model
(komt vaak voor bij geëmigreerde populatie)
bv: oorspronkelijk collectieve maar nu individualistische
2016=
- waren er gezinsenquête dat bestond uit 10 opvoedingsdoelen daarvan top 3 kiezen
5 opvoedingssituaties gaan schuil:
1. autonomie:
- gevoel voor verantwoordelijkheid hebben
- zelfstandig kunnen oordelen
2. assertiviteit:
- voor zichzelf kunnen opkomen
- hun eigen doelen nastreven
3. sociaal gevoel:
- rekening houden met anderen
- verdraagbaar zijn
4. conformiteit:
- zich correct of gepast dragen
- respect hebben voor andere mensen
5. prestatie:
- goed opgeleid zijn
- ijverig en ambitieus zijn
Uitsluitingsmechanisme=
- onvoldoende toegang tot basisrechten
- je geeft aan dat iemand er niet bij hoort (heeft invloed op het gedrag van kinderen)
Top 3=
- respect hebben voor andere mensen
- gevoel voor verantwoordelijkheid hebben
- voor zichzelf kunnen opkomen
Pedagogische klimaat=
- bed: goede plek, dak over het hoofd
, - brood: goede voeding, bad: goede verzorging
Opvoedingsstijlen (verschillende modellen)=
Cognities= (meestal ouders)
- gedragingen die niet zichtbaar zijn, opvoeder moet hier meestal achter vragen
- de gedachten en hoe ze denken over de opvoeding
Gedragingen=
- opvoedingsstijlen die zichtbaar zijn
- bv: te veel eten…het kind is dik, kind is lief want hij is geliefd
Diana baumrind=
- model die gaat over de verschillende opvoedingsstijlen
- onderzoek gepubliceerd in 1967
Twee dimensies: balans tussen autoriteit en affectie
- ouderlijke controle: (autoriteit)
- ouderlijke liefde: (affectie)
- ouderlijke liefde “warmte”: staat voor aanvaarden en het stimuleren van
individualiteit, zelfstandigheid en zekerheid. (dit doen ouder door gevoelig te zijn voor
en tegemoet te komen voor de behoeften en noden van hun kinderen) (affectie)
- ouderlijke controle: verwijst naar verwachtingen en eisen die de ouders hebben van
het kind, disciplinering, gehoorzaamheid, eisen,sociaal gedrag (autoriteit)
Opvoeden= is een balans tussen liefde, controle, zorg, sturen, tegemoet en individualiteit
controle
Autoritaire opvoedingsstijl: Authoritative of democratische
- hoge eisen opvoedingsstijl:
- zelfcontrole - regels stellen
- discipline - oog hebben voor de wensen
- gehoorzaamheid van de mensen
- leiding met liefde
afwijzing warmte
Verwaarlozende opvoedingsstijl: Toegeeflijke opvoedingsstijl:
- nauwelijk regels - veel aandacht aan de wensen
- weinig tijd voor het kind - bijna altijd de zin
- geen emotionele warmte - weinig eisen
autonomie