H11- relaties tussen organismen
Kunnen: relaties kennen en uitleggen, voorbeeld geven, termen kennen.
Ecosysteem een plek waar een grote verscheidenheid aan organisme aanwezig is met onderlinge
relaties.
Het levende (biotisch) en het niet-levende (abiotisch) beïnvloeden elkaar.
Bv: het bodemtype (zand, vochtig of droog) bepaalt mee welke bomen er in het bos staan.
Ecosysteem is evenwicht/ dynamisch, hoe meer soorten hoe meer het systeem bestand is tegen
bedreigingen.
Behoud van biodiversiteit -> verscheidenheid van soorten maar ook aan leeftijd, erfelijk materiaal en
functies.
Relaties tussen organismen van eenzelfde soort:
Seksuele voortplanting: relatie tussen 2 organismen van het verschillend geslacht.
Competities voor bronnen: bv water, voedsel, licht…
Sociale structuren: bv scholen bij vissen, kudde koeien…
Veel planten en dierensoorten hoge biodiversiteit weinig planten en dierensoorten lage bio.
De mens heeft vaak een invloed op het ecosysteem. Bv: over vissen
Relaties tussen organismen van een verschillende soort:
Relaties tussen meerdere soorten weergegeven in een keten of een web.
Voedselrelaties:
Planten zijn de basis van het leven, ze doen aan fotosynthese (zonne-energie -> suiker)
planten zijn autotroof ze maken zelf hun voedsel aan.
Ze zijn ook de producenten genoemd.
Heterotroof zijn organisme die hun eten niet zelf kunnen maken.
Planteneters of herbivoren (1 orde) organisme dat planten eet. Bv: konijn Producent
e
Alleseter of omnivoren (2 orde) alles eters bv: vos
Vleeseters of carnivoren eten alleen meer vlees, dieren… bv: roofvogel Consument
dat is een predator/ roofdier
Afvaleters of detrivoren voeden zich met dood organisch materiaal en maken de cyclus
rond. Ze zetten dit om naar mineralen, die vervolgens opneembaar zijn voor de plant. Reducent
Kunnen: relaties kennen en uitleggen, voorbeeld geven, termen kennen.
Ecosysteem een plek waar een grote verscheidenheid aan organisme aanwezig is met onderlinge
relaties.
Het levende (biotisch) en het niet-levende (abiotisch) beïnvloeden elkaar.
Bv: het bodemtype (zand, vochtig of droog) bepaalt mee welke bomen er in het bos staan.
Ecosysteem is evenwicht/ dynamisch, hoe meer soorten hoe meer het systeem bestand is tegen
bedreigingen.
Behoud van biodiversiteit -> verscheidenheid van soorten maar ook aan leeftijd, erfelijk materiaal en
functies.
Relaties tussen organismen van eenzelfde soort:
Seksuele voortplanting: relatie tussen 2 organismen van het verschillend geslacht.
Competities voor bronnen: bv water, voedsel, licht…
Sociale structuren: bv scholen bij vissen, kudde koeien…
Veel planten en dierensoorten hoge biodiversiteit weinig planten en dierensoorten lage bio.
De mens heeft vaak een invloed op het ecosysteem. Bv: over vissen
Relaties tussen organismen van een verschillende soort:
Relaties tussen meerdere soorten weergegeven in een keten of een web.
Voedselrelaties:
Planten zijn de basis van het leven, ze doen aan fotosynthese (zonne-energie -> suiker)
planten zijn autotroof ze maken zelf hun voedsel aan.
Ze zijn ook de producenten genoemd.
Heterotroof zijn organisme die hun eten niet zelf kunnen maken.
Planteneters of herbivoren (1 orde) organisme dat planten eet. Bv: konijn Producent
e
Alleseter of omnivoren (2 orde) alles eters bv: vos
Vleeseters of carnivoren eten alleen meer vlees, dieren… bv: roofvogel Consument
dat is een predator/ roofdier
Afvaleters of detrivoren voeden zich met dood organisch materiaal en maken de cyclus
rond. Ze zetten dit om naar mineralen, die vervolgens opneembaar zijn voor de plant. Reducent