Samenvatting ouderenpsychiatrie (Mathieu Vandenbulcke)
Hoofdstuk 1: Neurocognitieve stoornissen
1. Cognitieve domeinen
a. COMPLEXE AANDACHT
- Volgehouden aandacht
o = voor langere tijd aandacht ergens op richten
o Test: continuous performance test CPT
▪ Klop tafel bij de letter A & geef dan een reeks letters (BAVGHIAJKLA)
- Selectieve aandacht
o = aandacht ergens op gericht houden ondanks concurrerende prikkels
o Test: stroop test
▪ Benoem de inkleur (Geel Blauw Rood Groen Geel Rood)
- Verdeelde aandacht
o = aandacht op meerdere taken richting
o Test: trail making test
▪ Wissel af tussen letters & cijfers
- Gestoorde aandacht
o Bv. bij delir, ADHD
b. EXECUTIEVE FUNCTIES
- = alle vaardigheden die mensen nodig hebben om een opdracht goed uit te voeren
o Plannen
▪ Test: dierentuin-plattegrond test
o Redeneren
▪ Test: Tower of London
o Genereren
▪ Test: woordvlotheidstaak
• Zoveel mogelijk dieren opsommen in 1min
o Werkgeheugen
▪ Test: digit span backwards test
• Cijferreeks omgekeerd reproduceren (4825 → 5284)
o Bijsturen
▪ Test: Wisconsin Card Sorting test
• Bv. eerst op aantal sorteren & dan veranderen vaan taak (bv. op
kleur)
c. GEHEUGEN
- Soorten geheugen
o Zintuigelijk geheugen
▪ Iconisch geheugen: het visuele
▪ Echoïsch geheugen: het auditieve
1
, o Impliciet geheugen: mensen/zaken koppelen aan bepaalde gevoelens
▪ Informatie zit al lang in ons systeem & wordt automatisch geactiveerd
▪ Ontwikkelt zich al van op jonge leeftijd
• Kan ervoor zorgen dat trauma heel het leven wordt meegedragen
o Expliciet geheugen: actief bepaalde kennis oproepen (pas later ontwikkeld)
▪ Episodisch: meeste episodische gebeurtenissen zijn autobiografisch (over
jezelf)
• Sterk afhankelijk van hippocampus
▪ Semantisch: meer corticaal gecentreerd, minder hippocampaal
- Opslaan van informatie in geheugen
o We besteden aandacht aan input van buitenaf → dit zorgt voor inprenting in
geheugen → via herhaling kan deze informatie geconsolideerd worden
- Testen
o 15 woorden test: zoveel mogelijk woorden herhalen
▪ Arts leest het 5 keer voor & vraagt 5 keer naar herhalen
• = inprenting: korte termijn geheugen
▪ Hierna even wachten (bv. andere lijst aanbieden) & het dan terug bevragen
• = uitgestelde oproeping: lange termijn geheugen
• Stoornis van oproeping
o Bv. bij vasculaire dementie, depressie
▪ Herkennen van woorden die voorgelezen zijn uit een hele lijst van woorden
• = herkenning: lange termijn geheugen
• Want sommigen hebben moeite met oproeping terwijl info wel
ergens opgeslagen is
2
, d. TAAL
- Woordvindingsproblemen
o Testen met benoemingstaak
▪ Vereist verschillende taalvaardigheden
• Plaatjes herkennen → herkenningsprobleem
• Begrijpen wat het is → begripsprobleem (semantisch deficit)
• Juiste woord kunnen activeren → verlies van woordenschat (lexicon)
- Woord-verwerking
o Horen van het woord ‘hamer’
▪ Receptief
• Fonologische input: het woord activeren (na herkenning)
▪ Semantisch systeem:
• Weten wat het woord wilt zeggen
▪ Expressief
• Fonologische output: woord uitspreken (motorische vaardigheden)
o Test: benoemingstaak, Boston Naming taak
- Niet-vloeiend taalgebruik
o Primair taal probleem
▪ Agrammatisme: gestoorde zinconstructies met verkeerde woordvolgorde,
zinsafbrekingen
▪ Fonologisch deficit: letters van plaats verwisselen of verkeerde uitspraak van
woorden (bv. sloet i.p.v. stoel)
o Motorisch probleem
▪ Spraakapraxie: planning van articulatie
• Vaak moeite om het begin van een woord uit te spreken: “k-k-k-kast”
▪ Dysartrie: uitvoering van articulatie
• Probleem van coördinatie van articulatie vs. verlamming van
keelspieren (hele spraak is verstoord)
o Stoornis niet-letterlijk taalbegrip
▪ Metaforen, sarcasme, ironie
▪ Bij rechter hemisferische letsels
e. PERCEPTUEEL-MOTORISCHE VAARDIGHEDEN
- = vaardigheden die te maken hebben met waarneming/perceptie/herkenning van
objecten/gezichten & het stellen van betekenisvolle handelingen
- Perceptie
o Hemineglect: gestoorde visuele aandacht
▪ Test: Line bissection test
o A-perceptieve agnosie: gestoorde waarneming
▪ Test: driehoek tonen met lijn door & vragen waar men driehoek op lijn ziet
3
, - Herkenning
o Associatieve objectagnosie of prosopagnosie
▪ Test: object decisietaak (kan dit dier echt bestaan of niet)
o Vingeragnosie
o Links-rechtsagnosie
- Praxis
o Visuoconstructieve, ideatorische, ideomotorische apraxie, kledingsapraxie
f. SOCIAAL COGNITIEVE VAARDIGHEDEN
- = erbij gekomen sinds DSM-5
- = vaardigheden die we nodig hebben om op een aangepast/voelende manier met elkaar om
te gaan
o Emotieherkenning
▪ Herkennen van emoties van anderen
▪ Test: herkent patiënt de 6 basisemoties?
o Theory of mind
▪ Zich een voorstelling kunnen maken van de geestestoestand van anderen
▪ Test
• Mind in the eyes taak
o Welke gemoedsgesteldheid schuilt er achter de blik?
o Moeilijker voor mensen met ASS
• Fals beliefs
o Verplaatsen in geest van hond in cartoon
▪ “Waar denkt de hond dat het bot ligt?”
• Faux pas test
o Bv. Macron werd heel kwaad toen iemand met Emmanuel
noemde i.p.v. de president
o “Is dit aangepast gedrag of niet?”
o “Wat zou jij doen in die situatie?”
o Kennis van sociale regels
o Empathisch vermogen (vereist verschillende vaardigheden)
▪ Cognitieve componenten
• Theory of mind
• Spontane cognitieve flexibiliteit (fluency)
• Reactieve cognitieve flexibiliteit (set shifting)
• Kennis van sociale regels
▪ Affectieve componenten
• Herkenning van emoties
• Emotionele respons
• Eigen emoties identificeren
• Actie gekoppeld aan emotieherkenning
4
Hoofdstuk 1: Neurocognitieve stoornissen
1. Cognitieve domeinen
a. COMPLEXE AANDACHT
- Volgehouden aandacht
o = voor langere tijd aandacht ergens op richten
o Test: continuous performance test CPT
▪ Klop tafel bij de letter A & geef dan een reeks letters (BAVGHIAJKLA)
- Selectieve aandacht
o = aandacht ergens op gericht houden ondanks concurrerende prikkels
o Test: stroop test
▪ Benoem de inkleur (Geel Blauw Rood Groen Geel Rood)
- Verdeelde aandacht
o = aandacht op meerdere taken richting
o Test: trail making test
▪ Wissel af tussen letters & cijfers
- Gestoorde aandacht
o Bv. bij delir, ADHD
b. EXECUTIEVE FUNCTIES
- = alle vaardigheden die mensen nodig hebben om een opdracht goed uit te voeren
o Plannen
▪ Test: dierentuin-plattegrond test
o Redeneren
▪ Test: Tower of London
o Genereren
▪ Test: woordvlotheidstaak
• Zoveel mogelijk dieren opsommen in 1min
o Werkgeheugen
▪ Test: digit span backwards test
• Cijferreeks omgekeerd reproduceren (4825 → 5284)
o Bijsturen
▪ Test: Wisconsin Card Sorting test
• Bv. eerst op aantal sorteren & dan veranderen vaan taak (bv. op
kleur)
c. GEHEUGEN
- Soorten geheugen
o Zintuigelijk geheugen
▪ Iconisch geheugen: het visuele
▪ Echoïsch geheugen: het auditieve
1
, o Impliciet geheugen: mensen/zaken koppelen aan bepaalde gevoelens
▪ Informatie zit al lang in ons systeem & wordt automatisch geactiveerd
▪ Ontwikkelt zich al van op jonge leeftijd
• Kan ervoor zorgen dat trauma heel het leven wordt meegedragen
o Expliciet geheugen: actief bepaalde kennis oproepen (pas later ontwikkeld)
▪ Episodisch: meeste episodische gebeurtenissen zijn autobiografisch (over
jezelf)
• Sterk afhankelijk van hippocampus
▪ Semantisch: meer corticaal gecentreerd, minder hippocampaal
- Opslaan van informatie in geheugen
o We besteden aandacht aan input van buitenaf → dit zorgt voor inprenting in
geheugen → via herhaling kan deze informatie geconsolideerd worden
- Testen
o 15 woorden test: zoveel mogelijk woorden herhalen
▪ Arts leest het 5 keer voor & vraagt 5 keer naar herhalen
• = inprenting: korte termijn geheugen
▪ Hierna even wachten (bv. andere lijst aanbieden) & het dan terug bevragen
• = uitgestelde oproeping: lange termijn geheugen
• Stoornis van oproeping
o Bv. bij vasculaire dementie, depressie
▪ Herkennen van woorden die voorgelezen zijn uit een hele lijst van woorden
• = herkenning: lange termijn geheugen
• Want sommigen hebben moeite met oproeping terwijl info wel
ergens opgeslagen is
2
, d. TAAL
- Woordvindingsproblemen
o Testen met benoemingstaak
▪ Vereist verschillende taalvaardigheden
• Plaatjes herkennen → herkenningsprobleem
• Begrijpen wat het is → begripsprobleem (semantisch deficit)
• Juiste woord kunnen activeren → verlies van woordenschat (lexicon)
- Woord-verwerking
o Horen van het woord ‘hamer’
▪ Receptief
• Fonologische input: het woord activeren (na herkenning)
▪ Semantisch systeem:
• Weten wat het woord wilt zeggen
▪ Expressief
• Fonologische output: woord uitspreken (motorische vaardigheden)
o Test: benoemingstaak, Boston Naming taak
- Niet-vloeiend taalgebruik
o Primair taal probleem
▪ Agrammatisme: gestoorde zinconstructies met verkeerde woordvolgorde,
zinsafbrekingen
▪ Fonologisch deficit: letters van plaats verwisselen of verkeerde uitspraak van
woorden (bv. sloet i.p.v. stoel)
o Motorisch probleem
▪ Spraakapraxie: planning van articulatie
• Vaak moeite om het begin van een woord uit te spreken: “k-k-k-kast”
▪ Dysartrie: uitvoering van articulatie
• Probleem van coördinatie van articulatie vs. verlamming van
keelspieren (hele spraak is verstoord)
o Stoornis niet-letterlijk taalbegrip
▪ Metaforen, sarcasme, ironie
▪ Bij rechter hemisferische letsels
e. PERCEPTUEEL-MOTORISCHE VAARDIGHEDEN
- = vaardigheden die te maken hebben met waarneming/perceptie/herkenning van
objecten/gezichten & het stellen van betekenisvolle handelingen
- Perceptie
o Hemineglect: gestoorde visuele aandacht
▪ Test: Line bissection test
o A-perceptieve agnosie: gestoorde waarneming
▪ Test: driehoek tonen met lijn door & vragen waar men driehoek op lijn ziet
3
, - Herkenning
o Associatieve objectagnosie of prosopagnosie
▪ Test: object decisietaak (kan dit dier echt bestaan of niet)
o Vingeragnosie
o Links-rechtsagnosie
- Praxis
o Visuoconstructieve, ideatorische, ideomotorische apraxie, kledingsapraxie
f. SOCIAAL COGNITIEVE VAARDIGHEDEN
- = erbij gekomen sinds DSM-5
- = vaardigheden die we nodig hebben om op een aangepast/voelende manier met elkaar om
te gaan
o Emotieherkenning
▪ Herkennen van emoties van anderen
▪ Test: herkent patiënt de 6 basisemoties?
o Theory of mind
▪ Zich een voorstelling kunnen maken van de geestestoestand van anderen
▪ Test
• Mind in the eyes taak
o Welke gemoedsgesteldheid schuilt er achter de blik?
o Moeilijker voor mensen met ASS
• Fals beliefs
o Verplaatsen in geest van hond in cartoon
▪ “Waar denkt de hond dat het bot ligt?”
• Faux pas test
o Bv. Macron werd heel kwaad toen iemand met Emmanuel
noemde i.p.v. de president
o “Is dit aangepast gedrag of niet?”
o “Wat zou jij doen in die situatie?”
o Kennis van sociale regels
o Empathisch vermogen (vereist verschillende vaardigheden)
▪ Cognitieve componenten
• Theory of mind
• Spontane cognitieve flexibiliteit (fluency)
• Reactieve cognitieve flexibiliteit (set shifting)
• Kennis van sociale regels
▪ Affectieve componenten
• Herkenning van emoties
• Emotionele respons
• Eigen emoties identificeren
• Actie gekoppeld aan emotieherkenning
4