Inleiding deel 1: nature & nurture
1. Algemene principes van de normale ontwikkeling
- = mijlpalen van fysieke, cognitieve, taal- & socio-economische ontwikkelingen worden op
specifieke leeftijden bereikt
- Ontwikkeling wordt bepaald door
o Nurture = omgeving
▪ Levenservaringen + biologische omgeving
o Nature = genen
o Relatieve bijdragen
▪ Tweeling- & adoptie studies
• = natuurlijke experimenten die genetische & omgevingseffecten
scheiden
• Adoptie: biologische vs. opvoedende ouders
• Tweelingen
o Identieke tweelingen die apart opgroeiden
o Monozygote vs. dizygote tweelingen die samen opgroeiden
o Genetica & omgeving = samenspel
▪ Individuele variatie
▪ Genetische opmaak bepaalt ‘startpositie’ & ontwikkelingsmogelijkheden
• Veel ouders denken/hopen het ‘ideale’ kind te creëren → vaak
onderschatting van hoeveel zaken er voorbeschikt zijn
2. Genetica
- Klassiek
o Chromosomaal (bv. trisomie 21, 5% van autisme)
o Monogenetisch (bv. Huntington)
o Polygenetisch
▪ Moet op populatieniveau onderzocht worden
▪ = veel voorkomende genvarianten kunnen variaties geven die als ze additief
zijn (= op elkaar inwerken) zullen leiden tot bepaalde kwetsbaarheden
• = gen-gen interactie
- Nieuw
o Gedragsgenetica (via tweelingstudies)
▪ Als concordantie van fenotype groter is bij monozygote tweelingen dan bij
dizygote, dan moet dit genetisch zijn
• Want ze groeiden samen in zelfde omgeving op
- Erfelijkheid
o = mate waarin de variantie voor een bepaalde kenmerk in de bevolking bepaald is
door genetische verschillen
▪ Bv. positieve emotionaliteit: 50%, sociabiliteit: 37%
▪ Bv. behalen van goede schoolresultaten = erfelijk (62%)
• Er is wel nog ruimte voor 38% omgevingseffect
▪ Uitgedrukt in: 2 x (rMZ-rDZ)
1
, o Concordantie bij tweelingen = samen voorkomen van zelfde probleembeeld
▪ Bv. dyslexie
• Monozygoten: vrij hoge concordantie
• Dizygoten: ook hoge concordantie
• → opvoeding/omgeving speelt dus belangrijke rol
• → er is wel nog steeds een verschil tussen monozygoten & dizygoten
o & dit verschil is te wijten aan genetica
▪ Vs. autisme
• Monozygoten: hoge concordantie
• Dizygoten: lage concordantie
• → genetica moet dus quasi identiek zijn om autisme te veroorzaken
o Want dizygoten delen nog steeds 50% van genen
3. Omgeving
- = meer dan alleen maar gezin & opvoeding
- Omgeving =
o Biofysisch
▪ Pre-/perinataal
• Baarmoederlijk milieu
• Geboortecomplicaties
▪ Toxiciteit
• Voeding (vooral E’s in voeding/dranken)
• Pollutie
• Infecties
▪ Hersentrauma
o Gezin
▪ Koestering, sensitief ouderschap
• Hechting: ouderschap dat kind in waarde schat & in positieve zin aan
noden tegemoetkomt
▪ Waarden, regels, toezicht
• Toezicht: bv. zorgen dat je 5-jarige niet te veel omgaat met 17-jarige
& zo foutief gedrag ziet dat hij zelf nog niet moet stellen
▪ Stimulatie, motivatie, hulp
• Stimulatie van talenten
• Motivatie indien moeilijkheden
o Onderwijs
▪ Belangrijke omgeving want daar is een kind vaak
o Vrienden, buurt, hobby’s
o Cultuur, welvaart, zorg
o → wolvenkinderen = bewijs dat een menselijke context noodzakelijk is voor een
normale ontwikkeling
- Gedeelde vs. unieke ervaringen
o Gedeelde omgeving = alle invloeden die kinderen in eenzelfde gezin meer gelijk
maken
o Unieke omgeving = alle invloeden die kinderen in eenzelfde gezin meer verschillend
maken
o Impact niet-gedeelde omgeving >> gedeelde omgeving
2
, ▪ Unieke ervaringen spelen belangrijke rol in gelukkig vs. ongelukkig zijn
• Bv. het maakt niet uit hoeveel materiële zaken je hebt maar wel hoe
weinig te hebt t.o.v. anderen
o Big 5 persoonlijkheidskenmerken
▪ Groot deel door genen + omgeving bepaald
• Maar slechts klein deel door gedeelde ervaringen bepaald
▪ Ouders behandelen kind anders op basis van karaktereigenschappen
• Ook al zeggen ze meestal dat ze al hun kinderen op dezelfde manier
behandelen
4. Genetica + omgeving
- Voorbeelden
o Online gedrag
▪ Genetisch
• 16-jarigen kiezen gedeeltelijk hun
online engagementen conform hun
genetische achtergrond
▪ Omgeving
• Opnieuw voornamelijk door unieke
omgeving bepaald
o Maar ook klein deel door
gedeelde omgeving
o Voeding
▪ Voorkeur voor voedingsmiddelen
Donkergrijs: genen
Lichtgrijs: omgeving
- Gen-omgevingcorrelaties (rGE)
o Genen & omgeving versterken elkaar continu → kan “dubbele dosis” veroorzaken
o 3 vormen
▪ Passief: dezelfde genen die bij het kind ‘een moeilijk temperament’
veroorzaken, zorgen bij ouders voor een negatieve opvoedingssaanpak
• Kind ontvangt genetische voorbeschiktheid (talent vs.
kwetsbaarheid) & komt in omgeving die door diezelfde genetische
voorbeschiktheid vorm gegeven wordt
o Talent wordt geërfd & komt in positief voedende omgeving
terecht door diezelfde genen bij ouders
o Kwetsbaarheid wordt geërfd & komt in negatief voedende
omgeving terecht door diezelfde genen bij ouders
3
, ▪ Evocatief: het moeilijk temperament van kind evoceert een negatieve
opvoedingsaanpak bij ouders
• Kind ontvangt genetische voorbeschiktheid (talent vs.
kwetsbaarheid) & lokt daarmee in de omgeving versterkende
reacties uit
o Talent (bv. muziek) wordt geërfd & lokt versterkende
omgevingsreacties uit
o Kwetsbaarheid (bv. moeilijk temperament) wordt geërfd &
lokt verergerende negatieve omgevingsreacties uit
▪ Actief (niche-picking): kind met een moeilijk temperament kiest een
omgeving met antisociale elementen
• Kind ontvangt genetische voorbeschiktheid (talent vs.
kwetsbaarheid) & gaat zelf actief op zoek naar passende omgeving
(die versterkend werkt)
o Talent (bv. muziek) wordt geërfd & je zoekt muzikale
omgeving
o Kwetsbarheid (bv. agressie) wordt geërfd & je zoekt
subcultuur waar agressie als positief wordt beschouwd
o Gevolgen
▪ Gebrek aan socialisatie (= regelvolgend gedrag)
• Leidt tot rechtstreeks middelengebruik
• Ook onrechtstreeks via uitlokken van contextueel risico (antisociale
vrienden, negatieve relaties met volwassenen)
▪ Wilson effect = erfelijkheid van IQ neemt toe met leeftijd
• Want omgevingseffecten gaan het geneffect beïnvloeden
- Gen-omgevingsinteracties (GxE)
o Soms zijn omgevingsfactoren alleen maar of veel meer risicovol voor bepaalde
genotypes
▪ Bv. geslacht
o Soms komen bepaalde genetische kwetsbaarheden slechts tot uiting of veel meer tot
uiting in bepaalde omgeving
▪ Bv. genetische kwetsbaarheid voor depressie enkel bij stress
o Differential susceptability
▪ = hetzelfde genotype kan
• Risicofactor zijn in negatieve omstandigheden
• Voordeel opleveren in positieve omstandigheden
o Interactie start mogelijks al voor geboorte
▪ Kunnen zowel via GxE van moeder als van baby werken
- Belang van rGE & GxE
o Vermeende omgevingseffecten zijn onderliggend (causaal) vaak gedreven door
genetica (rGE)
o Genetische effecten zijn vaak afhankelijk van omgevingsrisico → kunnen voorkomen
worden
4