Begrippen hf 1
Drie kernvragen:
1. Hoe is sociale orde mogelijk
2. Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk
3. Hoe zit de samenleving er nu uit en hoe ontwikkelt de maatschappij zich
Sociologisch perspectief: persoonlijke problemen tot maatschappelijke vraagstukken transformeren.
Mondiaal perspectief: het plaatsen van de eigen samenleving in de globale context. Het bestuderen
van de wereld in zijn geheel en de plaats die onze samenleving daarin inneemt.
Moderniteit: een maatschappij die het resultaat is van industrialisering
Industrialsering (industriële revolutie): nieuwe energiebronnen rond 1800. O.a. stoommachines
waardoor ander transport (treinen) en nieuwe werkplaatsen (fabrieken)
Van gemeinschaft naar gesellschaft
- Ferdinand tonniës
- Kleine hechte groepen anonieme groepen: verminderen wij gevoel, levensdoel en conservatief
- Toename sociale diversiteit: diverse steden en uiteenlopende beroepen
- persoonlijke keuzemogelijkheden: individuele vrijheid
- tijdsbewustzijn en toekomstgericht: klok, minder traditioneel en meer wetenschap
Emile Durkheim: arbeidsverdeling
- Alle burgers worden zeer afhankelijk van elkaar door specialisatie van de arbeid
- sociale cohesie: afhankelijkheid
- anomie: gebrek aan morele richtlijnen door te grote verschillen en egocentrisch gedrag door nadruk
op individu
Max Weber: rationalisering
- Toename gebruik van het verstand/ de rede
- IJzeren Kooi: protocollen en systemen
- Vervreemding: controle, wegvallen van zekerheid en verlies van je identiteit.
Karel Marx: kapitalisme
- Nieuwe economie. De machtige landeigenaren (landheren) verliezen macht door industriële
revolutie. De nieuwe manier geld verdienen: ondernemers en fabriekseigenaren nemen de macht
over voor winstmaximalisatie
- Dominante klasse (bourgeoisie): doel: zo efficiënt mogelijk geld verdienen
- Onderdanige klasse (proletariaat): gevolg: uitbuiting en revolutie (socialisme)
Hoofdstuk 3
Cultuur: de wijzen van denken, de wijzen van handelen, de symbolen en de materiële objecten die in
combinatie de levenswijze van een volk vormen
- Taal: een systeem van symbolen dat mensen instaat stelt om met elkaar te communiceren.
- Symbool: een verschijnsel dat een bepaalde betekenis heeft die door mensen met dezelfde
achtergrond herkend wordt
- Normen en waarden:
Waarden: cultureel gedefinieerde standaarden waarmee mensen bepalen wat wenselijk, goed en
mooi is, en die als algemene richtlijnen voor het maatschappelijk leven fungeren
Normen: regels en verwachtingen waarmee een samenleving het gedrag van haar leden reguleert
Immateriële cultuur: de leden van een samenleving ontwikkelde ideeën, variërend van kunstuitingen
tot spiritualiteit.
Materiële cultuur: materiële objecten gecreëerd door de leden van de samenleving, variërend van
bankstellen en ritssluitingen tot petjes.
, Cultuurschok: een gevoel van desoriëntatie als we met een ons onbekende levenswijze
geconfronteerd worden.
Natiestaat: een politieke eenheid met een eigen afgebakend grondgebied
Samenleving: mensen die in een bepaald gebied leven en een bepaalde cultuur gemeenschappelijk
hebben.
Cultuuroverdracht: het proces waarmee een generatie een cultuur doorgeeft aan de volgende
generatie of aan mensen elders
Sapir-whorfthese: mensen de wereld zien en begrijpen door het culturele perspectief van taal.
Overtuigingen: specifieke uitspraken die mensen als waar aannemen
10 waarden van westerse wereld:
- Gelijke kansen
- Individuele prestaties en persoonlijke successen
- Materiële welstand
- Activiteit en werk
- Praktisch en efficiënt zijn
- Vooruitgang
- Wetenschap
- Individuele rechten
- Vrijheid
- Superioriteitsgevoelens
Belangenconflict: conflict waarbij 2 strijdende partijen er beide belang bij hebben om eruit te komen,
bv. Omdat ze elkaar later weer nodig hebben.
Waardenconflict: een conflict over diepgewortelde opvattingen, die wegens hun aard moeilijk met
elkaar te verenigen zijn en waarvoor moeilijk 1 gemeenschappelijke taal te vinden is. (bv euthanasie
of abortus)
Mores: normen die we in veel situaties kunnen waarnemen en een grote morele betekenis hebben.
Traditionele gebruiken: normen voor routinematige of vluchtige interacties (bv. Begroeten van
mensen, kleding gebruik)
Sociale controle: pogingen van de samenleving om gedrag en gedachten van mensen te beïnvloeden
Elitaire of hoge cultuur: culturele patronen die de elite van een samenleving onderscheidt van de rest
van de samenleving
Populaire (lage of volks-) cultuur: culturele patronen die wijdverbreid onder de leden van de
samenleving voorkomen.
Subcultuur: cultuurpatronen die een bepaald segment van de populatie van de samenleving
afscheiden van de rest
Multiculturalisme: perspectief dat de culturele diversiteit in een samenleving onderkent en respect
Eurocentrisme: het domineren van europeese cultuurpatronen
Tegencultuur: cultuurpatronen die duidelijk in strijd zijn met de op grote schaal geaccepteerde
cultuurpatronen in een samenleving.
Culturele-integratieprincipe: de nauwe relaties tussen verschillende elementen van een
cultuursysteem
cultuurlag: het feit dat sommige elementen van een cultuur sneller veranderen dan andere
elementen verstoort het functioneren van een cultuursysteem.
Etnocentrisme: een andere cultuur wordt aan de hand van de normen van de eigen cultuur
beoordeeld.
Cultuurrelativisme: is een alternatief voor etnocentrisme: een cultuur wordt aan de hand van haar
eigen normen beoordeeld.
Drie kernvragen:
1. Hoe is sociale orde mogelijk
2. Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk
3. Hoe zit de samenleving er nu uit en hoe ontwikkelt de maatschappij zich
Sociologisch perspectief: persoonlijke problemen tot maatschappelijke vraagstukken transformeren.
Mondiaal perspectief: het plaatsen van de eigen samenleving in de globale context. Het bestuderen
van de wereld in zijn geheel en de plaats die onze samenleving daarin inneemt.
Moderniteit: een maatschappij die het resultaat is van industrialisering
Industrialsering (industriële revolutie): nieuwe energiebronnen rond 1800. O.a. stoommachines
waardoor ander transport (treinen) en nieuwe werkplaatsen (fabrieken)
Van gemeinschaft naar gesellschaft
- Ferdinand tonniës
- Kleine hechte groepen anonieme groepen: verminderen wij gevoel, levensdoel en conservatief
- Toename sociale diversiteit: diverse steden en uiteenlopende beroepen
- persoonlijke keuzemogelijkheden: individuele vrijheid
- tijdsbewustzijn en toekomstgericht: klok, minder traditioneel en meer wetenschap
Emile Durkheim: arbeidsverdeling
- Alle burgers worden zeer afhankelijk van elkaar door specialisatie van de arbeid
- sociale cohesie: afhankelijkheid
- anomie: gebrek aan morele richtlijnen door te grote verschillen en egocentrisch gedrag door nadruk
op individu
Max Weber: rationalisering
- Toename gebruik van het verstand/ de rede
- IJzeren Kooi: protocollen en systemen
- Vervreemding: controle, wegvallen van zekerheid en verlies van je identiteit.
Karel Marx: kapitalisme
- Nieuwe economie. De machtige landeigenaren (landheren) verliezen macht door industriële
revolutie. De nieuwe manier geld verdienen: ondernemers en fabriekseigenaren nemen de macht
over voor winstmaximalisatie
- Dominante klasse (bourgeoisie): doel: zo efficiënt mogelijk geld verdienen
- Onderdanige klasse (proletariaat): gevolg: uitbuiting en revolutie (socialisme)
Hoofdstuk 3
Cultuur: de wijzen van denken, de wijzen van handelen, de symbolen en de materiële objecten die in
combinatie de levenswijze van een volk vormen
- Taal: een systeem van symbolen dat mensen instaat stelt om met elkaar te communiceren.
- Symbool: een verschijnsel dat een bepaalde betekenis heeft die door mensen met dezelfde
achtergrond herkend wordt
- Normen en waarden:
Waarden: cultureel gedefinieerde standaarden waarmee mensen bepalen wat wenselijk, goed en
mooi is, en die als algemene richtlijnen voor het maatschappelijk leven fungeren
Normen: regels en verwachtingen waarmee een samenleving het gedrag van haar leden reguleert
Immateriële cultuur: de leden van een samenleving ontwikkelde ideeën, variërend van kunstuitingen
tot spiritualiteit.
Materiële cultuur: materiële objecten gecreëerd door de leden van de samenleving, variërend van
bankstellen en ritssluitingen tot petjes.
, Cultuurschok: een gevoel van desoriëntatie als we met een ons onbekende levenswijze
geconfronteerd worden.
Natiestaat: een politieke eenheid met een eigen afgebakend grondgebied
Samenleving: mensen die in een bepaald gebied leven en een bepaalde cultuur gemeenschappelijk
hebben.
Cultuuroverdracht: het proces waarmee een generatie een cultuur doorgeeft aan de volgende
generatie of aan mensen elders
Sapir-whorfthese: mensen de wereld zien en begrijpen door het culturele perspectief van taal.
Overtuigingen: specifieke uitspraken die mensen als waar aannemen
10 waarden van westerse wereld:
- Gelijke kansen
- Individuele prestaties en persoonlijke successen
- Materiële welstand
- Activiteit en werk
- Praktisch en efficiënt zijn
- Vooruitgang
- Wetenschap
- Individuele rechten
- Vrijheid
- Superioriteitsgevoelens
Belangenconflict: conflict waarbij 2 strijdende partijen er beide belang bij hebben om eruit te komen,
bv. Omdat ze elkaar later weer nodig hebben.
Waardenconflict: een conflict over diepgewortelde opvattingen, die wegens hun aard moeilijk met
elkaar te verenigen zijn en waarvoor moeilijk 1 gemeenschappelijke taal te vinden is. (bv euthanasie
of abortus)
Mores: normen die we in veel situaties kunnen waarnemen en een grote morele betekenis hebben.
Traditionele gebruiken: normen voor routinematige of vluchtige interacties (bv. Begroeten van
mensen, kleding gebruik)
Sociale controle: pogingen van de samenleving om gedrag en gedachten van mensen te beïnvloeden
Elitaire of hoge cultuur: culturele patronen die de elite van een samenleving onderscheidt van de rest
van de samenleving
Populaire (lage of volks-) cultuur: culturele patronen die wijdverbreid onder de leden van de
samenleving voorkomen.
Subcultuur: cultuurpatronen die een bepaald segment van de populatie van de samenleving
afscheiden van de rest
Multiculturalisme: perspectief dat de culturele diversiteit in een samenleving onderkent en respect
Eurocentrisme: het domineren van europeese cultuurpatronen
Tegencultuur: cultuurpatronen die duidelijk in strijd zijn met de op grote schaal geaccepteerde
cultuurpatronen in een samenleving.
Culturele-integratieprincipe: de nauwe relaties tussen verschillende elementen van een
cultuursysteem
cultuurlag: het feit dat sommige elementen van een cultuur sneller veranderen dan andere
elementen verstoort het functioneren van een cultuursysteem.
Etnocentrisme: een andere cultuur wordt aan de hand van de normen van de eigen cultuur
beoordeeld.
Cultuurrelativisme: is een alternatief voor etnocentrisme: een cultuur wordt aan de hand van haar
eigen normen beoordeeld.