Multifactoriële stoornissen 1
Aan interventie doen: hoe het functioneren verbeteren in de omgeving niet behandelen
De types buitengewoon onderwijs (= BuO)
BuBaO (2,5-13j)
- BuKO (2,5-7j) kleuter
- BuLO (6-13j) lager (je kan de leeftijd van 6 jaar, 2 jaar uitstellen)
BuSO (13-21j)
7 types BuKO (Geen type BA)
Type 2: matige of ernstige verstandelijke handicap
Type 3: emotionele of gedragsstoornis
Type 4: lichamelijke handicap
Type 5: kinderen in een ziekenhuis of in een preventorium
Type 6: visuele handicap
Type 7: auditieve handicap, spraak- of taalstoornis
Type 9: voor jongeren met een autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking
8 types in BuLo
Type BA (= basisaanbod) voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften voor wie het
gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is in een school voor gewoon
onderwijs.
Lichte verstandelijke beperking; type 1.
Ernstige leerstoornissen; type 8.
Enige type zonder gerichte diagnose meer meertalige kinderen)
Type 2: matige of ernstige verstandelijke beperking
Type 3: GES (gedrags- en emotionele stoornissen met iq ondergrens 60; zonder verstandelijke
beperking)
Type 4: neuromotorisch (bv. rolstoelgebonden, evenwicht)
Type 5: langdurig ziek (bv. obesitas, oncologie): enige niet-blijvende type. In een ziekenhuis,
preventorium of residentiële setting.
Type 6: visuele beperking (bv. spermalie)
Type 7: auditieve beperking of STOS (spraak-en taalproblemen)
Type 9: ASS zonder verstandelijke beperking (exclusiecriteria)
,8 types met 4 opleidingsvormen in BuSo
OV1: laagste type: werken tegen loon zal niet lukken; begeleid wonen en zinvolle dagbesteding
(vrijwilligerswerk)
OV2: maatwerkbedrijf (repetitieve taken; strijken hoog tempo): oplossing voor geen cognitieve OV3
OV3 vergelijkbaar met beroepsonderwijs; BSO (garagist, kok): nooit volledig zelfstandig; les in kleinere
groepen en vanaf start praktijk gegeven (B-stroom)
OV4: ASO, TSO, KSO (A-stroom)
Inleiding: Wat is communicatie?
• Communicatie = basis van het menselijk bestaan
Gedachten, ervaringen structureren via taal (innerlijke taal)
1. COCP - niet sprekende kinderen
Verstandelijke beperking met bijkomende beperkingen. Verschillende communicatievormen: spreken met
communicatieboek, 2 drukknoppen (actie-reactie leren), communicatieboek hoog technologisch.
Beginnende ontluikende communicatie bij kinderen waar het moeilijk gaat.
tempo (veel lager) en veel herhalen
band met het kind (heel veel kinderen communiceren non-verbaal, als omstaander moeilijk om dit te
begrijpen)
2. Als praten niet lukt, communiceren kan op veel manieren
“De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld.”
Ervaringen aan begrippen koppelen anders zal je niets kunnen begrijpen. Geen taalcommunicatie, cognitief niet
ver geraken.
Inleiding: Normale taalontwikkeling
, • Innerlijke taal = ervaringsbasis (als baby; ouders zeggen ja koekje kind representatie koek) alles
vertrekt vanuit een ervaringsbasis, helemaal terug naar eerste fase
– Mentale representaties (koppelen aan codes)
– Verbanden
– Eigen model van de wereld
• In samenspel met de omgeving
• Van receptief naar expressief
• Van passief (alles komt vanuit de omgeving) naar actief
Objectpermanentie: wetende dat iets of iemand er is ookal is hij niet zichtbaar op dat moment kunnen
werken met plaatjes die een verwijzende waarde hebben.
Conclusie: Motorische ontwikkeling, sensorische ontwikkeling en communicatieve ontwikkeling gaan hand in
hand…
Inleiding: Beïnvloedende factoren – communicatie
Veel ervaringen opdoen communicatie faciliteren
Taal bepaalt in welke mate we kunnen communiceren
Algemene voorwaarden voor communicatieve ontwikkeling:
In welke mate communicatie kan ontwikkelen
Kindgebonden:
, • Verstandelijke ontwikkeling: flexibel kunnen zijn (ASS) hogere cognitieve functies (aandacht,
inhibitie…) = executieve functies
• Sociaal-emotionele ontwikkeling: hoe goed in staat anderen in te schatten
• Sensomotorische ontwikkeling: ben je in staat om prikkels waar te nemen, kun je je motorisch
verplaatsen. Motoriek: primaire vormen.
• Zintuiglijke ontwikkeling: prikkelverwerking; temperatuurregulatie (ASS; kind te warm maar gaat zijn
trui niet afdoen)
Kenmerken van de omgeving: OP MAAT!
• Prikkels
– Hoeveelheid (te veel aan prikkels is niet goed)
– Niveau
Inleiding: Specifieke voorwaarden voor communicatieve ontwikkeling (in stijgende lijn)
In welke mate communicatie stimuleren
1. Ervaringen opdoen, zowel bewust als onbewust (ervaring gedachten sturen beter begrijpen
betere communicatie)
Voelen van behoeftes (start; niet alle kinderen gaan behoeftes voelen bv. honger, warm)
o Plezier => herhalingsdrang
o Licht frustreren => stimulatie (ideale therapeutische techniek: beker verder
zetten signaal geven beker dichter zetten) Non-verbaal signalen sturen.
Ervaren en ondergaan van zintuiglijke prikkels
o Via interactieve activiteiten: tactiel-kinesthetisch (spelen met potje in
water)
o Niveau: afhankelijk van ervaringsniveau
Zelf ook zintuigelijk prikkels veroorzaken
o Kansen bieden: lokaal aangepast (spelmateriaal)
o => actie en reactie
Objectpermanentie
CASUS
Marieke krijgt in haar kamer een kam aangeboden, vlak voordat haar haren gekamd zullen
worden. De begeleider geeft de kam aan Marieke en zegt “haren kammen”. Als Marieke de
kam gevoeld, geroken, aangeraakt en gezien heeft, begint de begeleider met het kammen.
Ruimte geven om ervaringen op te doen = voorwaarde 1
2. Leren begrijpen dat er een reactie volgt op een actie
Aan interventie doen: hoe het functioneren verbeteren in de omgeving niet behandelen
De types buitengewoon onderwijs (= BuO)
BuBaO (2,5-13j)
- BuKO (2,5-7j) kleuter
- BuLO (6-13j) lager (je kan de leeftijd van 6 jaar, 2 jaar uitstellen)
BuSO (13-21j)
7 types BuKO (Geen type BA)
Type 2: matige of ernstige verstandelijke handicap
Type 3: emotionele of gedragsstoornis
Type 4: lichamelijke handicap
Type 5: kinderen in een ziekenhuis of in een preventorium
Type 6: visuele handicap
Type 7: auditieve handicap, spraak- of taalstoornis
Type 9: voor jongeren met een autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking
8 types in BuLo
Type BA (= basisaanbod) voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften voor wie het
gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is in een school voor gewoon
onderwijs.
Lichte verstandelijke beperking; type 1.
Ernstige leerstoornissen; type 8.
Enige type zonder gerichte diagnose meer meertalige kinderen)
Type 2: matige of ernstige verstandelijke beperking
Type 3: GES (gedrags- en emotionele stoornissen met iq ondergrens 60; zonder verstandelijke
beperking)
Type 4: neuromotorisch (bv. rolstoelgebonden, evenwicht)
Type 5: langdurig ziek (bv. obesitas, oncologie): enige niet-blijvende type. In een ziekenhuis,
preventorium of residentiële setting.
Type 6: visuele beperking (bv. spermalie)
Type 7: auditieve beperking of STOS (spraak-en taalproblemen)
Type 9: ASS zonder verstandelijke beperking (exclusiecriteria)
,8 types met 4 opleidingsvormen in BuSo
OV1: laagste type: werken tegen loon zal niet lukken; begeleid wonen en zinvolle dagbesteding
(vrijwilligerswerk)
OV2: maatwerkbedrijf (repetitieve taken; strijken hoog tempo): oplossing voor geen cognitieve OV3
OV3 vergelijkbaar met beroepsonderwijs; BSO (garagist, kok): nooit volledig zelfstandig; les in kleinere
groepen en vanaf start praktijk gegeven (B-stroom)
OV4: ASO, TSO, KSO (A-stroom)
Inleiding: Wat is communicatie?
• Communicatie = basis van het menselijk bestaan
Gedachten, ervaringen structureren via taal (innerlijke taal)
1. COCP - niet sprekende kinderen
Verstandelijke beperking met bijkomende beperkingen. Verschillende communicatievormen: spreken met
communicatieboek, 2 drukknoppen (actie-reactie leren), communicatieboek hoog technologisch.
Beginnende ontluikende communicatie bij kinderen waar het moeilijk gaat.
tempo (veel lager) en veel herhalen
band met het kind (heel veel kinderen communiceren non-verbaal, als omstaander moeilijk om dit te
begrijpen)
2. Als praten niet lukt, communiceren kan op veel manieren
“De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld.”
Ervaringen aan begrippen koppelen anders zal je niets kunnen begrijpen. Geen taalcommunicatie, cognitief niet
ver geraken.
Inleiding: Normale taalontwikkeling
, • Innerlijke taal = ervaringsbasis (als baby; ouders zeggen ja koekje kind representatie koek) alles
vertrekt vanuit een ervaringsbasis, helemaal terug naar eerste fase
– Mentale representaties (koppelen aan codes)
– Verbanden
– Eigen model van de wereld
• In samenspel met de omgeving
• Van receptief naar expressief
• Van passief (alles komt vanuit de omgeving) naar actief
Objectpermanentie: wetende dat iets of iemand er is ookal is hij niet zichtbaar op dat moment kunnen
werken met plaatjes die een verwijzende waarde hebben.
Conclusie: Motorische ontwikkeling, sensorische ontwikkeling en communicatieve ontwikkeling gaan hand in
hand…
Inleiding: Beïnvloedende factoren – communicatie
Veel ervaringen opdoen communicatie faciliteren
Taal bepaalt in welke mate we kunnen communiceren
Algemene voorwaarden voor communicatieve ontwikkeling:
In welke mate communicatie kan ontwikkelen
Kindgebonden:
, • Verstandelijke ontwikkeling: flexibel kunnen zijn (ASS) hogere cognitieve functies (aandacht,
inhibitie…) = executieve functies
• Sociaal-emotionele ontwikkeling: hoe goed in staat anderen in te schatten
• Sensomotorische ontwikkeling: ben je in staat om prikkels waar te nemen, kun je je motorisch
verplaatsen. Motoriek: primaire vormen.
• Zintuiglijke ontwikkeling: prikkelverwerking; temperatuurregulatie (ASS; kind te warm maar gaat zijn
trui niet afdoen)
Kenmerken van de omgeving: OP MAAT!
• Prikkels
– Hoeveelheid (te veel aan prikkels is niet goed)
– Niveau
Inleiding: Specifieke voorwaarden voor communicatieve ontwikkeling (in stijgende lijn)
In welke mate communicatie stimuleren
1. Ervaringen opdoen, zowel bewust als onbewust (ervaring gedachten sturen beter begrijpen
betere communicatie)
Voelen van behoeftes (start; niet alle kinderen gaan behoeftes voelen bv. honger, warm)
o Plezier => herhalingsdrang
o Licht frustreren => stimulatie (ideale therapeutische techniek: beker verder
zetten signaal geven beker dichter zetten) Non-verbaal signalen sturen.
Ervaren en ondergaan van zintuiglijke prikkels
o Via interactieve activiteiten: tactiel-kinesthetisch (spelen met potje in
water)
o Niveau: afhankelijk van ervaringsniveau
Zelf ook zintuigelijk prikkels veroorzaken
o Kansen bieden: lokaal aangepast (spelmateriaal)
o => actie en reactie
Objectpermanentie
CASUS
Marieke krijgt in haar kamer een kam aangeboden, vlak voordat haar haren gekamd zullen
worden. De begeleider geeft de kam aan Marieke en zegt “haren kammen”. Als Marieke de
kam gevoeld, geroken, aangeraakt en gezien heeft, begint de begeleider met het kammen.
Ruimte geven om ervaringen op te doen = voorwaarde 1
2. Leren begrijpen dat er een reactie volgt op een actie