eind 17e eeuw - begin 18e eeuw
18e eeuw: eeuw der Verlichting
=> men vond dat men in de verlichte tijd leefde, die duisternis en onwetendheid zou
overwinnen
=> men geloofde in vooruitgang
elke mens:
= vrij individu dat zelfstandig kan en moet denken en handelen
=> rede/ratio maakt mens uniek en staat centraal
=> zo kwam men tot nieuwe ontdekkingen
optimistisch:
=> op wereldvreemde en naïeve manier
=> filosofen geloofden in vredevolle en verdraagzame maatschappij
verlichte ideeën: vrijheid
=> tegenstrijdig met ideeën van de katholieke kerk
=> absolute monarchie
=> gehoorzaamheid en onderwerping
● vooral in GB, Frankrijk en Duitstalige gebieden
● verschil met het Ancien Regime (=middeleeuwen + vroegmoderne tijd)
Ancien Regime de Verlichting
vorstelijke absolutisme politieke vrijheid = democratie
bv. Lodewijk XIV (=volkssoevereiniteit)
standenongelijkheid sociale gelijkheid
- clerus/ geestelijkheid* => geen standenmaatschappij meer
- adel/ aristocratie*
- volk
(* slechts 2% van de bevolking,
zij hadden privileges)
staatsgodsdienst afh. van het rijk religieuze verdraagzaamheid
- katholicisme in onze streken => "iedereen moet kunnen kiezen in
- Anglicaanse kerk in Engeland wie/wat men gelooft”
mercantilisme economisch liberalisme
= economie is in handen van de staat
=> bij de Verlichting: “liberté, égalité, fraternité