Diabeten hebben een verhoogde kans op
- Hart en vaat ziekten
- Verhoogde bloeddruk
- Verhoogd cholesterolgehalte
Glucosestofwisseling
Door spijsvertering worden koolhydraten uit voedsel in maag-darmkanaal in een aantal
stappen afgebroken tot glucose. Glucose word via darmwand in bloed opgenomen en
gebruikt bij energiestofwisseling in de cel. Een (tijdelijk) teveel aan glucose word door het
hormoon insuline opgeslagen in lever en spiercellen.
Belangrijke dingen
Suikerziekte = diabetes mellitus
Het is een stofwisselingsstoornis die gekenmerkt word door een tekort aan insuline.
Het kan zijn dat de alvleesklier geen insuline meer maakt of een tekort aanmaakt.
Diabetes mellitus is letterlijk zoete doorstroming
Hyperglykemie = een teveel aan glucose in het bloed
Hypoglykemie = een te laag bloedglucosegehalte in het bloed
Bloedglucosegehalte = glucose gehalte van het bloed
2 typen diabetes
- Type 1 (DM1)
- Type 2 (DM2)
Type 1
- Groot insuline tekort
- Lichaam maak zelf vrijwel geen insuline meer aan
- Ontstaat op jeugdige leeftijd voor 30ste jaar
- Verschijnselen beginnen vrij plotseling
- Type 1 komt over het algemeen niet vaker in de familie voor
Type 2
- In de begin fase beperkt tekort aan insuline
- Lichaam maakt nog insuline aan maar niet genoeg
- Oorzaken kunnen zijn overgewicht BMI >27kg/m2, insulineresistentie (cellen minder
gevoelig voor insuline waardoor meer insuline nodig is om hetzelfde effect te krijgen).
- Ontstaat meestal boven de 40 jaar (ook wel ouderdom diabetes)
- Vaak bij mensen met overgewicht
- Komt meestal vaker voor in de familie
, Korte termijneffecten
- Een teveel aan glucose in het bloed (hyperglykemie)
- Dit veroorzaakt uitscheiding van glucose in urine
- Om te kunnen uitscheiden word water uit het lichaam mee genomen als oplosmiddel,
hierdoor ontstaat dorst en door energieverlies door uitscheiding glucose ontstaat
honger.
- Er is glucose in het bloed maar door gebrek aan insuline kan het niet in de cel komen
- De cellen gaan dan, heel vlug, energie rijke vetten afbreken.
- Hierdoor ontstaan vetzuren en andere afbraakproducten gevolg diabetisch coma
Langetermijneffecten
- Deze zijn niet direct te begrijpen uit een insuline tekort
- Kans op langetermijneffecten te verkleinen controle op bloeddruk, cholesterolgehalte,
ogen en de voeten.
- Afwijkingen van grote en middelgrote vaten, zoals atherosclerose van hersenvaten,
kransslagaders, met vergrote kans op hartinfarct en beroerte
- Afwijkingen van de kleinste vaten (haarvaten), zoals oogvaten (netvliesafwijkingen)
en niercapillairen, met vergrote kans op blindheid en nierproblemen
- Voetproblemen zijn ook gevreesde complicatie. Door slechte doorbloedingen van
voeten en onderbenen genezen wondjes slechter. Afwijkingen aan bloedvaten
versterken dat nog eens. Daar moet snel wat aan gedaan worden anders kunnen nog
grotere wonden optreden waardoor de voet uiteindelijk geamputeerd moet worden.
- Patiënt word altijd dringend aan geraden te stoppen met roken
Overgewicht
Kans op overgewicht is als iemand meer voedsel/energie opneemt dan het lichaam verbruikt.
Insuline
Insuline is een hormoon die in de alvleesklier (pancreas) gemaakt wordt. Functies
alvleesklier: productie van spijsverteringsenzymen en de productie van hormonen. De
productie van hormonen gebeurt in de eilandjes van langerhans. In die eilandjes
onderscheiden we alfa cellen en beta cellen. Alfa cellen produceren glucagon en beta cellen
insuline. Insuline en glucagon zijn twee tegengesteld werkende hormonen, die een
belangrijke rol spelen bij de koolhydraatstofwisseling. Verder hebben (gluco) corticosteroïden
en het groeihormoon ook invloed op de glucosestofwisseling. Door insuline word glucose uit
het bloed heel snel opgenomen in lichaamscellen vooral spiercellen en vetcellen. Insuline
zorgt er ook voor dat overmaat glucose word omgezet in lever als voorraadsuiker dit word
glycogeen genoemd. Onder invloed van insuline word glucose in vetcellen omgezet in
vetten. Insuline bevordert ook vorming van eiwitten die nodig zijn voor opbouw van het
lichaam.
Rol van insuline bij de stofwisseling
- Effect op de koolhydraatstofwisseling door bevordering van opname van glucose in
de cellen als omzetting van glucose in glycogeen in lever en spiercellen.