FINANCE & RISK MANAGEMENT
BANKMANAGEMENT:
1) voorbeeldexamen Bankwezen (Jos meir)
I. Meerkeuzevragen”””
antwoorden in het rood kloppen allemaal, want jos heeft de antwoorden vorig jaar online
gezet
1. Welk van de volgende uitspraken is fout ?
a. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun balansstructuur te verbeteren.
b. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun kredietrisico’s te laten
afnemen.
c. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun marktrisico’s te laten
afnemen.
d. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun solvabiliteit te verbeteren.
2. Veronderstel enerzijds een termijnrekening met een looptijd van 6 maanden
en een rente van 3% en anderzijds een gereglementeerd spaarboekje met
een basisrente van 2,5% en een getrouwheidspremie van 1%. Veronderstel
dat de rente op het spaarboekje de komende 6 maanden ongewijzigd blijft.
Veronderstel ook dat je 10 000 EUR wenst te beleggen gedurende 6
maanden.
Welk van de volgende uitspraken is dan juist ?
a. Een belegging in de termijnrekening is interessanter dan een belegging in het
spaarboekje.
b. Een belegging in het spaarboekje is interessanter dan een belegging in de
termijnrekening.
c. Een belegging in beide producten is even interessant.
d. Het is a priori niet mogelijk te bepalen welk van beide producten het beste
beleoggingsresultaat zal genereren.
, UITLEG: getrouwheidspremie op spaarboekje krijg je pas na 12 maanden --> opbrengst
spaarboekje= 250 (10000*0,025)
Bij termijnrekening RV (30%) nog aftrekken → opbrengst termijnrekening= 210
(10000*0,03 - (300 * 0,3)) Ma u rente is toch per jaar? Krijgt ge ni dan 1,5% en 1,25% op u 6
maanden respectievelijk? ahja juist, das dan 125 voor spaarboekje en 105 voor termijnrek.
ma blijft zelfde conclusie é
3. Welk van de volgende uitspraken is juist ?
a. Desintermediatie heeft een impact op de actiefzijde van de balans van een bank
maar niet op de passiefzijde.
b. Desintermediatie heeft een impact op de passiefzijde van de balans van een
bank maar niet op de actiefzijde.
c. Desintermediatie heeft zowel een impact op de actiefzijde als op de
passiefzijde van de balans van een bank.
d. Desintermediatie heeft geen impact op de balans van een bank (dus niet op de
actiefzijde en ook niet op de passiefzijde).
4. Welk van de volgende uitspraken is juist ? (kwam ook op examen eerste zit
2017)
a. Een beleggingsfonds is steeds een ICB en een ICB is steeds een
beleggingsvennootschap.
b. Een beleggingsfonds is steeds een ICB, doch een ICB is niet steeds een
beleggingsvennootschap.
c. Een beleggingsfonds is niet steeds een ICB, doch een ICB is steeds een
beleggingsvennootschap.
d. Een beleggingsfonds is niet steeds een ICB en een ICB is niet steeds een
beleggingsvennootschap.
5. Welk van de volgende uitspraken is juist ?r
a. De uitkering van een coupon door een distributiefonds heeft -ceteris paribus-
geen impact op zijn inventariswaarde.
b. De uitkering van een coupon door een distributiefonds heeft -ceteris paribus- een
positieve impact op zijn inventariswaarde.
c. De uitkering van een coupon door een distributiefonds heeft -ceteris
paribus- een negatieve impact op zijn inventariswaarde.
d. De uitkering van een coupon door een distributiefonds kan -ceteris paribus-
zowel een positieve als negatieve impact hebben op zijn inventariswaarde.
BANKMANAGEMENT:
1) voorbeeldexamen Bankwezen (Jos meir)
I. Meerkeuzevragen”””
antwoorden in het rood kloppen allemaal, want jos heeft de antwoorden vorig jaar online
gezet
1. Welk van de volgende uitspraken is fout ?
a. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun balansstructuur te verbeteren.
b. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun kredietrisico’s te laten
afnemen.
c. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun marktrisico’s te laten
afnemen.
d. Kredietinstellingen doen aan effectisering om hun solvabiliteit te verbeteren.
2. Veronderstel enerzijds een termijnrekening met een looptijd van 6 maanden
en een rente van 3% en anderzijds een gereglementeerd spaarboekje met
een basisrente van 2,5% en een getrouwheidspremie van 1%. Veronderstel
dat de rente op het spaarboekje de komende 6 maanden ongewijzigd blijft.
Veronderstel ook dat je 10 000 EUR wenst te beleggen gedurende 6
maanden.
Welk van de volgende uitspraken is dan juist ?
a. Een belegging in de termijnrekening is interessanter dan een belegging in het
spaarboekje.
b. Een belegging in het spaarboekje is interessanter dan een belegging in de
termijnrekening.
c. Een belegging in beide producten is even interessant.
d. Het is a priori niet mogelijk te bepalen welk van beide producten het beste
beleoggingsresultaat zal genereren.
, UITLEG: getrouwheidspremie op spaarboekje krijg je pas na 12 maanden --> opbrengst
spaarboekje= 250 (10000*0,025)
Bij termijnrekening RV (30%) nog aftrekken → opbrengst termijnrekening= 210
(10000*0,03 - (300 * 0,3)) Ma u rente is toch per jaar? Krijgt ge ni dan 1,5% en 1,25% op u 6
maanden respectievelijk? ahja juist, das dan 125 voor spaarboekje en 105 voor termijnrek.
ma blijft zelfde conclusie é
3. Welk van de volgende uitspraken is juist ?
a. Desintermediatie heeft een impact op de actiefzijde van de balans van een bank
maar niet op de passiefzijde.
b. Desintermediatie heeft een impact op de passiefzijde van de balans van een
bank maar niet op de actiefzijde.
c. Desintermediatie heeft zowel een impact op de actiefzijde als op de
passiefzijde van de balans van een bank.
d. Desintermediatie heeft geen impact op de balans van een bank (dus niet op de
actiefzijde en ook niet op de passiefzijde).
4. Welk van de volgende uitspraken is juist ? (kwam ook op examen eerste zit
2017)
a. Een beleggingsfonds is steeds een ICB en een ICB is steeds een
beleggingsvennootschap.
b. Een beleggingsfonds is steeds een ICB, doch een ICB is niet steeds een
beleggingsvennootschap.
c. Een beleggingsfonds is niet steeds een ICB, doch een ICB is steeds een
beleggingsvennootschap.
d. Een beleggingsfonds is niet steeds een ICB en een ICB is niet steeds een
beleggingsvennootschap.
5. Welk van de volgende uitspraken is juist ?r
a. De uitkering van een coupon door een distributiefonds heeft -ceteris paribus-
geen impact op zijn inventariswaarde.
b. De uitkering van een coupon door een distributiefonds heeft -ceteris paribus- een
positieve impact op zijn inventariswaarde.
c. De uitkering van een coupon door een distributiefonds heeft -ceteris
paribus- een negatieve impact op zijn inventariswaarde.
d. De uitkering van een coupon door een distributiefonds kan -ceteris paribus-
zowel een positieve als negatieve impact hebben op zijn inventariswaarde.