HF38: Urinaire concentratie en
dilutie
1. Waterbalans
- Waterinname:
o Drinken
o Voedsel
o Aëroob metabolisme
Mitochondria: O2 -> CO2 + H2O
produceert 300 ml/dag
- Waterverlies
o Urine
o faeces, zweet, longen (vocht in- & uitademen)
liggen vast
Nier zal hoeveelheid geprod urine àpassen ifv inname &
mogelijk belangr verlies langs andere wegen
Waterbalans = gekoppeld à osmotische balans
- Secreteren ongeveer 600 mOsm/dag = urinedebiet = U
o Osmolaliteit urine varieert: 30 en 1200 mOsm
Voor 600 mOsm/dag: urinedebiet kan variëren tss 0,5 en 20 l/dag
Na+ en andere stoffen die we niet nodig hebben kwijt spelen
o Zorgt dat mOsm constant blijft
o Enkel volume waarin je ze oplost niet
600mOsm kunnen w opgelost w in urinair volume (0.5-20L)
o Heel veel flexibiliteit
Bij slecht werkende nier:
Kunnen nt meer concentreren/verdunnen
o 2L nodig om alle mOsm op te lossen
2L nodig om te overleven
o Voor 600 mOsm als iso-osmotische urine (Posm = Uosm)= 2
l/dag
- Plasma osmolaliteit = rond de 285 mOsm.
o Urine kan 10x verdund w, maar wordt slechts 4x geconcentreerder.
Dilutievermogen = sterker dan concentratievermogen
Nierfalen:
o dilutievermogen & concentratievermogen valt weg => niet meer correct regelen
Nier kan beter innameverhoging verdragen dan tekort aan water.
, 2. Concentratie en dilutie
= Verdunnen van urine dr reabsorptie v NaCl in segmenten van nefron (TAL)
die impermeabel zijn vr H2O
Genereert geconcentreerde urine via osmose
o Naar hypertoon interstitium in verzamelbuisjes
- Proximale tubulus:
o reabsorbeert sowieso 2/3 vh filtraat – onafh vd finale osmolaliteit (U osm = Posm)
- Lus van henle:
o reabsorbeert meer NaCl dan H2O
1. urine = hypo-osmolair à macula densa (45%) – onafh vd finale U osm
2. als je veel of weinig drinkt – het is even iso-osmolair
- Distale segementen FINTETUNING
o Bepaalt of urine verdund/geconcentreerd zal worden onder controle v ADH
o Concentratie van urine vereist:
1. ADH
Zal delen die ondoorlaatb zijn vr H2O doorlaatbaar maken
2. Medullaire hyperosmolaliteit (hypertoniciteit)
Medulla kan je naast hoge [K+] ook hoge [Na+] hebben
o Kan dus hyperosmolair zijn tov rest lichaam
Dilutie = NaCl eruit halen & rest nier ondoorlaatbaar maken vr H2O zodat H2O nt kan volgen
Concentratie = H2O osmose nr een plaats id nier met een hoge osmolariteit (thv verzamelbuisjes)
3. Osmolaliteit langsheen nefron
KUNNEN TEKENEN
Lus van Henle bij veel water-
uptake:
o osmolaliteit is lager dan bij iemand die
heel weinig drinkt.
Maar aan begin én einde lus
Henle
o Sws dezelfde ratio (gele cirkels)
1. Veel drinken:
Sterk verdunde urine
2. Weinig drinken:
300 mOsm
Hoge hypertoniciteit
osmolariteit in plasme &
maculla densa blijven gelijk onafh als je veel/weinig drinkt
300 op moment dat je filterd
0.4 thv v macula densa
Waterrestrictie = veel hogere osmolariteit in medulla
o Bij weinig drinken:
Concentratie in lus v henle stijg & stijgt & stijgt
Veel drinken:
dilutie
1. Waterbalans
- Waterinname:
o Drinken
o Voedsel
o Aëroob metabolisme
Mitochondria: O2 -> CO2 + H2O
produceert 300 ml/dag
- Waterverlies
o Urine
o faeces, zweet, longen (vocht in- & uitademen)
liggen vast
Nier zal hoeveelheid geprod urine àpassen ifv inname &
mogelijk belangr verlies langs andere wegen
Waterbalans = gekoppeld à osmotische balans
- Secreteren ongeveer 600 mOsm/dag = urinedebiet = U
o Osmolaliteit urine varieert: 30 en 1200 mOsm
Voor 600 mOsm/dag: urinedebiet kan variëren tss 0,5 en 20 l/dag
Na+ en andere stoffen die we niet nodig hebben kwijt spelen
o Zorgt dat mOsm constant blijft
o Enkel volume waarin je ze oplost niet
600mOsm kunnen w opgelost w in urinair volume (0.5-20L)
o Heel veel flexibiliteit
Bij slecht werkende nier:
Kunnen nt meer concentreren/verdunnen
o 2L nodig om alle mOsm op te lossen
2L nodig om te overleven
o Voor 600 mOsm als iso-osmotische urine (Posm = Uosm)= 2
l/dag
- Plasma osmolaliteit = rond de 285 mOsm.
o Urine kan 10x verdund w, maar wordt slechts 4x geconcentreerder.
Dilutievermogen = sterker dan concentratievermogen
Nierfalen:
o dilutievermogen & concentratievermogen valt weg => niet meer correct regelen
Nier kan beter innameverhoging verdragen dan tekort aan water.
, 2. Concentratie en dilutie
= Verdunnen van urine dr reabsorptie v NaCl in segmenten van nefron (TAL)
die impermeabel zijn vr H2O
Genereert geconcentreerde urine via osmose
o Naar hypertoon interstitium in verzamelbuisjes
- Proximale tubulus:
o reabsorbeert sowieso 2/3 vh filtraat – onafh vd finale osmolaliteit (U osm = Posm)
- Lus van henle:
o reabsorbeert meer NaCl dan H2O
1. urine = hypo-osmolair à macula densa (45%) – onafh vd finale U osm
2. als je veel of weinig drinkt – het is even iso-osmolair
- Distale segementen FINTETUNING
o Bepaalt of urine verdund/geconcentreerd zal worden onder controle v ADH
o Concentratie van urine vereist:
1. ADH
Zal delen die ondoorlaatb zijn vr H2O doorlaatbaar maken
2. Medullaire hyperosmolaliteit (hypertoniciteit)
Medulla kan je naast hoge [K+] ook hoge [Na+] hebben
o Kan dus hyperosmolair zijn tov rest lichaam
Dilutie = NaCl eruit halen & rest nier ondoorlaatbaar maken vr H2O zodat H2O nt kan volgen
Concentratie = H2O osmose nr een plaats id nier met een hoge osmolariteit (thv verzamelbuisjes)
3. Osmolaliteit langsheen nefron
KUNNEN TEKENEN
Lus van Henle bij veel water-
uptake:
o osmolaliteit is lager dan bij iemand die
heel weinig drinkt.
Maar aan begin én einde lus
Henle
o Sws dezelfde ratio (gele cirkels)
1. Veel drinken:
Sterk verdunde urine
2. Weinig drinken:
300 mOsm
Hoge hypertoniciteit
osmolariteit in plasme &
maculla densa blijven gelijk onafh als je veel/weinig drinkt
300 op moment dat je filterd
0.4 thv v macula densa
Waterrestrictie = veel hogere osmolariteit in medulla
o Bij weinig drinken:
Concentratie in lus v henle stijg & stijgt & stijgt
Veel drinken: