CTG
Regulatie FHT
● Autonoom zenuwstelsel regeling (hersenen)
○ Parasympathisch (FHT ↓)
○ Orthosympatisch (FHT ↑)
➔ Parasympatisch activeren via nervus vagus - snelle aanpassing
cardiovasculair systeem
➔ Orthosympatisch geeft afgifte stresshormoon (adrenaline) - trage aanpassing
➔ Doel: O2 en bloeddruk op peil houden
◆ Baroreceptor: BD verandering - snelle recuperatie (U-vorm) -
compensatie
◆ Chemoreceptor: O2 verandering - traag (V-vorm) - decompensatie
(duurt langer)
Verandering FHT door:
● Normale verandering
● Hypoxie
● Externe stimulatie
● Temperatuur
● Geneesmiddel
● Placentadoorbloeding
In arbeid: navelstrengcompressie of verminderde placentadoorbloeding
● Navelstrengcompressie: FHT ↑ + tijdens contractie geen O2 = acute
daling O2-nood verlagen - na deceleratie herstel + bloedtoevoer
● Verminderde placentadoorbloeding: algemeen minder doorbloeding =
O2 ↓ = activatie chemoreceptor = FHT ↓
Myocardiale energiebalans
● Vermogen hart foetus om bloed te pompen
● Balans energieproductie + verbruik
○ Aeroob: voldoende O2 = afgifte glucose + O2 = groei
○ Anaeroob: onvoldoende O2 = afgifte glycogeen → melkzuur (kalium)
= verandering FHT
Kenmerken CTG
BASISLIJN: 110-150 sl/min (weerspiegeling balans autonoom zs)
● Postterm parasympatisch beter ontwikkelt (<130)
● Preterm minder goed ontwikkelt (>140)
● Stabiele basislijn = geen hypoxie = hart genoeg O2
, ➔ Tachycardie: > 150 langer dan 10 min (temperatuur, stress, infectie)
➔ Bradycardie: < 110 langer dan 10 min (pols, stress, VCS, medicatie)
VARIABILITEIT: 5-25 sl/min (wisselwerking para en orthosympatisch zs)
● functioneren hersenen (autonoom zs)
● Inspanning = sinusknoop sneller stroomstoten = hart sneller kloppen
● Hersenen amper glycogeenreserve = snel falen (afhankelijk glucose in lever)
● Cycling: <5sl binnen de 50 min = slaappatroon
- Afwisseling goede en mindere variabiliteit
- Elke 50min aanwezig
- Neurologisch intact
- Nooit slaappatroon tijdens tachycardie
- Afwezig = infectie of verre hypoxie
● Preterminaal patroon: totaal verlies variabiliteit = foetale nood (plots
optreden = placenta abruptio)
● Saltatoir patroon: > 25 slagen voor 30 min - O2 niet meer rond krijgen
● Sinusoïdaal patroon: golvend patroon met diepte 5-15 slagen, elke 3 min,
geen acceleraties aanwezig
➔ Haaientand patroon: acute anemie - SECTIO (vasa previa of
abruptio)
➔ Golfpatroon: chronische anemie - snel mogelijk bevallen (infectie of
rhesus-incompatibiliteit
● Pseudo-sinusoïdaal patroon: duimzuigen (afwisselend goede variabiliteit)
ACCELERATIES: > 15 sl/min > 15 sec (minstens 2x op 20 min)
● Neurologische respons foetus (hart)
● Vertrekt vanuit stabiele basislijn
● Acceleraties in actieve arbeid zijn vaak deceleraties in wording
● Shouldering: klein piekje na deceleraties
- Vaak door omstrengeling navelstreng baby’s nek
- Overshooting: meer shouldering door overstimulatie synto
DECELERATIES: < 15 sl/min > 15 sec (hartslag verlagen door O2 nood)
● Reactie van foetus om hart te beschermen tijdens periode van hypoxie of stress
● 1ste teken/signaal bij hypoxie (= compensatie)
● Verlengde deceleratie: <100 sl/min langer dan 5 min = ACUTE HYPOXIE
- 3-6-9 regel (binnen 3 min zelf herstellen, 3-6 interventie, 6-9 keizersnede)
➔ 0-3: deceleratie >3min (hulp inschakelen)
➔ 3-6: oorzaak achterhalen (accidenteel sectio - iatrogeen oorzaak
opheffen)
➔ 6-9: FHT zouden moeten herstellen (zo niet sectio)
, ➔ 9-12: FHT hersteld OF onderweg sectio OF bevallen
● Late deceleratie: chemoreceptor - na hoogtepunt contractie = hypoxie
Zuurstofnood bij foetus (O2 ↓)
● Hypoxemie: arterieel bloed (zelfbescherming - IUGR) - dagen
● Hypoxie: perifeer weefsel (anaeroob metabolisme) - uren
● Asfyxie: centrale organen (vorming lactaat - falen hersenen/hart) - minuten
Vormen van hypoxie (zie richtlijnen)
● Chronische hypoxie
● Sub-acute hypoxie (pH daalt 0,01/ 2-3 min) - synto, positie, vocht, tocolyse
● Hypoxie die geleidelijk aan ontstaat - synto, houding, ventolin
● Acute hypoxie (pH daalt 0,01/min) - accidenteel of iatrogeen
○ prolaps, ruptuur, loslating // hypotensie, overstimulatie, prolaps
Belang context (MOTHERS)
● Meconium: aspiratie - gaspen, basislijn stijgt 10% (infectie, encefalopathie)
● Oxytocine: overstimulatie (6x/10 min)
● Temperatuur: mama 1% = baby 10% (teken infectie)
● Hemorragie: sinusoïdaal patroon
● Epidurale: bloeddrukval = acute hypoxie
● Rate of progress
● Sectiolitteken: stilvallen contracties + foetale nood
➔ Chorioamnionitis: infectie vlezen - combinatie meconium VW = arbeid stop
- CTG tekens chronische hypoxie
, - Slechte gasuitwisseling - grotere foetale nood (baby eerste signalen)
CASUS 1 - HELLP
1. Pre-eclampsie
● Hoofdpijn: hoge druk bloedvaten (PCM geeft verlichting, geen oplossing)
● Hypertensie: bloedvaten vernauwd + meer druk
● Proteïnurie: bloedvaten nieren aangetast - meer doorlaten (hypofiltratie)
● Misselijk: combinatie hoofdpijn en epigastrische pijn
● Scotomen: bloedvaten hersenen beschadigd - vlekjes zien
● Oedeem: door beschadiging kan vocht doorheen bloedvaten -
● Hyperreflexie: armen tintelen bij uitstrekken OF kniepeesreflex (hersenen
verstoord)
● Kortademig: longoedeem door grotere druk in bloedvaten richting hart
➔ uitleg: normaal 5L bloed, nu 7L waarbij bloedvaten elastischer zijn en open
gaan staan. Nu niet het geval waardoor er druk ontstaat op de bloedvaten.
Leidt tot slechter werkende placenta (spiraalarteriën slecht ontwikkelen)
waardoor baby minder O2 en voeding binnenkrijgt.
➔ BD 160/110 voor 15 min = opname ZH + start medicatie (placentaloslating
voorkomen)
● aldomet: verwijdt bloedvaten (werkt na 3 dagen)
● trandate: vertraagt hartslag (indien niet snel genoeg effect)
● adalat: spieren verslappen (werkt snel)
➔ enige behandeling = bevallen (anders meer complicaties)
● MgSo4: enige preventie van stuipen
○ 4g IV oplaaddosis
○ 1g/u onderhoudsdosis
➔ indien toxisch: calciumgluconaat 10%
➔ indien falen 3 organen = bevallen (nier, lever, hersenen)
2. HELLP
● hemolyse elevated lever enzym low patelets (0,2 - 0,6% van zwangere)
○ afbraak RBC
○ verminderde leverfunctie
○ trombopenie
● complicaties: leverfalen, placenta abruoptio, DIC, prematuur, IUGR
● opsporen leverschade via bloedname
3. Griep
● hoofdpijn door virus wat ons ziek maakt