Plantkunde
Diversiteit: prokaryoten
Meeste zijn microscopisch klein (0.5-5µm)
o Het aantal prokaryoten in een handvol grond is groter dan het aantal mensen dat ooit op
aarde geleefd hebben
o Genetische diversiteit is enorm
Komen vrijwel overal voor, inclusief streken die te warm, koud, zout, zuur of droog zijn voor
andere organismen
o Kunnen zich zeer goed aanpassen aan de omgeving
o Voorbeeld rode kleur in zoutmijnen door prokaryoten
Rode kleur = Rhodopsine
Lichtenergie capteren en omzetten in ATP
o Adeninetrifosfaat (adenine + suikergroep (ribose) + 3
fosfaatgroepen
o Synthese door ADP + P vereist energie
o Hydroyse van ATP naar ADP + p geeft energie vrij
Halofiel: Houdt van zouten (osmosereactie -> opnemen water)
o Compenseert waterverlies door osmose door actief K + ionen
binnen te pompen
o Extremofielen: organisme dat in extreme omstandigheden leeft
Extremofielen bij straling, droogte en pH: Deinoccoccus: beschermt zich tegen
straling door extreem hoog copy number en door snel herstel van
stralingsschade
Snelle vermenigvuldiging als bescherming
Extremofielen bij hoge temperaturen: Enzymen van deze prokaryoten worden
gebruikt bij polymerase chain reaction
Vermenigvuldigen van DNA, door splitsing van dubbelstreng
Gebeurt bij extreem hoge temperaturen
Extremofielen bij lage temperaturen: blood falls (Antartica)
Lichtgevende, magnetotactische bacterie
Structuur celoppervlak
Structurele, functionele en genetische aanpassingen liggen aan de basis van het succes van
prokaryoten
o Eerste organismen die de aarde koloniseerde
o Natuurlijke selectie
o Grote diversiteit aan adaptaties
o Meeste prokaryoten zijn eencellig
Sommigen zijn kolonievormend, tijdelijk of permanent
1
, Zeer klein (0.5-5µm) in vergelijking met eukaryote cellen (10-100µm)
o Optimale oppervlakte/volume ratio voor opname voedsel door osmose
o Extreem grote prokaryoten hebben instulpingen voor betere oppervlakte/volume ratio
Leven in voedselrijke omgeving -> endosymbiont
Leeft in cellen of lichaam van gastheerorganisme
o Grote vacuole omgeven door cytoplasma
Grote variëteit aan vormen
o Drie veel voorkomende vormen
Rond: solitair (=cocci), in paren (= diplococcen) en in ketens (=streptococcen)
Staafvormig: solitait (=bacilli) en in ketens (=strepyobacillen)
Spiraalvormig (=spirocheten), kommavormig tot kurkentrekkervormig
Bijna alle prokaryote cellen bezitten een celwand
o Levensbelangrijk voor de cel -> fysische bescherming
Behoud celvorm
Vermijd openbarsting cel in hypotonische omgeving
o Peptidoglycan
Netwerk van gemodifieerde suiker-polymeren
Versterkt de celwand
o Cross-linked met korte polypeptiden
Mantel waaraan andere moleculen gekoppeld worden
o Archaea bezitten grote variëteit aan polysacchariden maar geen peptidoglycan
o Vaak omgeven door capsule
Kleverige laag
Polysacchariden of eiwitten
Voor aanhechtingen -> kollonievorming
Beschermen tegen ontwatering
Afschermen voor immuunsysteem van de host
Gram-kleuring verdeelt bacteriële soorten in twee grote groepen
o Verteld veel over samenstelling van de celwand
o Gram-positief
Dikkere peptidoglycan -> houden kleuring beter vast
Geeft violette kleuring, na afspoelen met alcohol is violette kleuring nog
steeds aanwezig
o Gram-negatief
Minder peptidoglycan -> houden kleuring minder goed vast
Na afspoelen met alcohol wordt violette kleuring makkelijk meegespoeld
o cel wordt rozig tot rood
fimbriae en pili
o niet bij alle soorten aanwezig
o dienen om te kleven aan een substraat
o individuele cellen tot kolonie aan elkaar kleven
o fimbriae indien meerdere pili
2
, o voor voortplanting -> hechten 2 cellen aan elkaar voor conjugatie
= seks pili
Bewegingen
Ongeveer de helft van prokaryoten kunnen zichzelf voortbewegen
o Tot 50µm/sec -> 50 keer hun eigen lichaamslengte/seconde -> 306km/h voor persoon
van 1m70 -> enorme snel
Random bewegingen of gericht = taxis
o Chemotaxis: eigenschap om naar of weg van een chemische stof te bewegen
Positieve en negatieve vormen mogelijk
Voeding, zuurstof, toxische stof, membranen van eigen soort…
Flagella zorgen voor beweging van de cel
o Evenredig verdeeld over celoppervlak of geconcentreerd aan één van beide uiteinden
Verschillen structureel en functioneel aan flagella van eukaryoten
Grootte, structuur, functie en aandrijving
Interne organisatie
Geen celkern of organen aanwezig -> geen complexe organisatie
Gespecialiseerde membranen voor specifieke metabole functies
o Nemen functies van organen over
o Respiratie en fotosynthese
Meestal instulpingen van plasmamembraan
o Dubbele fosfolipidenlaag met ingebedde eiwitten
Genoom
Structureel verschillend aan genoom eukaryoot
o Meestal minder DNA
Kleinere ribosomen
Eiwit en RNA inhoud verschillend van eukaryote ribosomen
o Circulair genoom
o Eén of meerdere plasmiden
Kleine cirkelvormige kleinere stukken DNA
Autonome replicatie -> bevat klein aantal genen
o Minder eiwitten
o Nucleoide, geen nucleus
Onregelmatige vorm: geen kernmembraan
Reproduceren snel door binaire deling (1.2.4.8.16…)
o Deling elke 1-3u
o Groei wordt beperkt door beschikbaarheid van voedingsstoffen, opstapeling toxines,
competitie met andere organismen, consumptie door andere organismen…
o Aanpassingen voor niet optimale omstandigheden -> indien langere tijd slecht
Vormingen van endosporen -> overleven zo enkele eeuwen
Kopie van de cel met een stevige wand
Ontwatering waardoor metabolisme stopt
3
Diversiteit: prokaryoten
Meeste zijn microscopisch klein (0.5-5µm)
o Het aantal prokaryoten in een handvol grond is groter dan het aantal mensen dat ooit op
aarde geleefd hebben
o Genetische diversiteit is enorm
Komen vrijwel overal voor, inclusief streken die te warm, koud, zout, zuur of droog zijn voor
andere organismen
o Kunnen zich zeer goed aanpassen aan de omgeving
o Voorbeeld rode kleur in zoutmijnen door prokaryoten
Rode kleur = Rhodopsine
Lichtenergie capteren en omzetten in ATP
o Adeninetrifosfaat (adenine + suikergroep (ribose) + 3
fosfaatgroepen
o Synthese door ADP + P vereist energie
o Hydroyse van ATP naar ADP + p geeft energie vrij
Halofiel: Houdt van zouten (osmosereactie -> opnemen water)
o Compenseert waterverlies door osmose door actief K + ionen
binnen te pompen
o Extremofielen: organisme dat in extreme omstandigheden leeft
Extremofielen bij straling, droogte en pH: Deinoccoccus: beschermt zich tegen
straling door extreem hoog copy number en door snel herstel van
stralingsschade
Snelle vermenigvuldiging als bescherming
Extremofielen bij hoge temperaturen: Enzymen van deze prokaryoten worden
gebruikt bij polymerase chain reaction
Vermenigvuldigen van DNA, door splitsing van dubbelstreng
Gebeurt bij extreem hoge temperaturen
Extremofielen bij lage temperaturen: blood falls (Antartica)
Lichtgevende, magnetotactische bacterie
Structuur celoppervlak
Structurele, functionele en genetische aanpassingen liggen aan de basis van het succes van
prokaryoten
o Eerste organismen die de aarde koloniseerde
o Natuurlijke selectie
o Grote diversiteit aan adaptaties
o Meeste prokaryoten zijn eencellig
Sommigen zijn kolonievormend, tijdelijk of permanent
1
, Zeer klein (0.5-5µm) in vergelijking met eukaryote cellen (10-100µm)
o Optimale oppervlakte/volume ratio voor opname voedsel door osmose
o Extreem grote prokaryoten hebben instulpingen voor betere oppervlakte/volume ratio
Leven in voedselrijke omgeving -> endosymbiont
Leeft in cellen of lichaam van gastheerorganisme
o Grote vacuole omgeven door cytoplasma
Grote variëteit aan vormen
o Drie veel voorkomende vormen
Rond: solitair (=cocci), in paren (= diplococcen) en in ketens (=streptococcen)
Staafvormig: solitait (=bacilli) en in ketens (=strepyobacillen)
Spiraalvormig (=spirocheten), kommavormig tot kurkentrekkervormig
Bijna alle prokaryote cellen bezitten een celwand
o Levensbelangrijk voor de cel -> fysische bescherming
Behoud celvorm
Vermijd openbarsting cel in hypotonische omgeving
o Peptidoglycan
Netwerk van gemodifieerde suiker-polymeren
Versterkt de celwand
o Cross-linked met korte polypeptiden
Mantel waaraan andere moleculen gekoppeld worden
o Archaea bezitten grote variëteit aan polysacchariden maar geen peptidoglycan
o Vaak omgeven door capsule
Kleverige laag
Polysacchariden of eiwitten
Voor aanhechtingen -> kollonievorming
Beschermen tegen ontwatering
Afschermen voor immuunsysteem van de host
Gram-kleuring verdeelt bacteriële soorten in twee grote groepen
o Verteld veel over samenstelling van de celwand
o Gram-positief
Dikkere peptidoglycan -> houden kleuring beter vast
Geeft violette kleuring, na afspoelen met alcohol is violette kleuring nog
steeds aanwezig
o Gram-negatief
Minder peptidoglycan -> houden kleuring minder goed vast
Na afspoelen met alcohol wordt violette kleuring makkelijk meegespoeld
o cel wordt rozig tot rood
fimbriae en pili
o niet bij alle soorten aanwezig
o dienen om te kleven aan een substraat
o individuele cellen tot kolonie aan elkaar kleven
o fimbriae indien meerdere pili
2
, o voor voortplanting -> hechten 2 cellen aan elkaar voor conjugatie
= seks pili
Bewegingen
Ongeveer de helft van prokaryoten kunnen zichzelf voortbewegen
o Tot 50µm/sec -> 50 keer hun eigen lichaamslengte/seconde -> 306km/h voor persoon
van 1m70 -> enorme snel
Random bewegingen of gericht = taxis
o Chemotaxis: eigenschap om naar of weg van een chemische stof te bewegen
Positieve en negatieve vormen mogelijk
Voeding, zuurstof, toxische stof, membranen van eigen soort…
Flagella zorgen voor beweging van de cel
o Evenredig verdeeld over celoppervlak of geconcentreerd aan één van beide uiteinden
Verschillen structureel en functioneel aan flagella van eukaryoten
Grootte, structuur, functie en aandrijving
Interne organisatie
Geen celkern of organen aanwezig -> geen complexe organisatie
Gespecialiseerde membranen voor specifieke metabole functies
o Nemen functies van organen over
o Respiratie en fotosynthese
Meestal instulpingen van plasmamembraan
o Dubbele fosfolipidenlaag met ingebedde eiwitten
Genoom
Structureel verschillend aan genoom eukaryoot
o Meestal minder DNA
Kleinere ribosomen
Eiwit en RNA inhoud verschillend van eukaryote ribosomen
o Circulair genoom
o Eén of meerdere plasmiden
Kleine cirkelvormige kleinere stukken DNA
Autonome replicatie -> bevat klein aantal genen
o Minder eiwitten
o Nucleoide, geen nucleus
Onregelmatige vorm: geen kernmembraan
Reproduceren snel door binaire deling (1.2.4.8.16…)
o Deling elke 1-3u
o Groei wordt beperkt door beschikbaarheid van voedingsstoffen, opstapeling toxines,
competitie met andere organismen, consumptie door andere organismen…
o Aanpassingen voor niet optimale omstandigheden -> indien langere tijd slecht
Vormingen van endosporen -> overleven zo enkele eeuwen
Kopie van de cel met een stevige wand
Ontwatering waardoor metabolisme stopt
3