Hoofdstuk 16 – Voeding en Vertering
Koolhydraten
Monosachriden [ oplosbaar ] Koolhydraten worden omgezet naar glucose >
Disacheriden [ en zoet ] glucogeen (opgeslagen in lever en spieren). Ook zijn ze
Polysacheriden (onoplosbaar) bouwstof in RNA, DNA en celmembranen.
Zetmeel, cellulose
Vetten
Verzadigde vetzuren Reservestof, isolatiemateriaal
Onverzadigde vetzuren Structuur, verbranding
Behoren tot lipiden en bestaan uit 1 glycerol en 3 vetmoleculen. Een essentieel vetzuur is linolzuur.
Cholesterol, een vetachtige stof, houdt de fosfolipiden van membranen op hun plaats. Een teveel aan
cholesterol leidt tot hart- en vaatziekten. Dierlijke vetten zijn meestal vetten, plantaardige meestal
olie. Koolwaterstoffen zijn oneetbaar.
Eiwitten / proteïnen
Niet-essentiële eiwitten
Essentiële eiwitten
Eiwitten worden afgebroken tot aminozuren. Er zijn 20 verschillende eiwitten, allemaal nodig voor
assimilatie.
Water
Drink 2 liter water per etmaal, om de waterbalans te behouden.
Mineralen
Spoorelementen: mineralen die in zeer kleine hoeveelheid nodig zijn voor het goed verlopen van
stofwisselingsprocessen, zoals jodium en fluor.