INLEIDING
• Ziekte = iedere abnormale of pathologische activiteit in het organisme.
– Restitutio: de ziekte kan volledig genezen worden.
Ø Ad integrum: volledige genezing zonder dat er letsels (sekwellen achterblijven)
Ø Met sekwellen: er blijven na genezing restletsels over.
– Chroniciteit: de ziekte is wordt in de hand gehouden, maar blijft chronisch aanwezig
Ø Stabiel: ziekte wordt stabiel in de hand gehouden
Ø Instabiel: ziekte blijft aanwezig met instabiele opflakkeringen
• Evolutie ziekte wordt bepaald door 2 factoren: Noxen (schadelijke agentia) en terrein (waarop de agentia inwerken).
Ieder terrein is anders en zal anders reageren op noxen (afhankelijk van bepaalde predisposities) vb. X stralen
veroorzaken dubbele strand breuken. Deze kunnen dor het lichaam op twee manieren hersteld worden:
– Non homologue end joining: de dubbele strand breuk wordt aan elkaar gekleefd.
– Homologe recombinatie: bij beschadiging zal een intact kopij van het defect helpen bij het herstel van het defect.
Sommigen hebben mutaties in deze systemen en hebben dus een grotere kans om kanker te ontwikkelen. Verder
reageren ouderen anders op bepaalde noxen dan jongeren.
1
,MEDISCH DIAGNOSTISCH PROCES
EXA: Bespreek het medisch diagnostisch proces + klinisch voorbeeld.
ANAMNESE EN LICHAMELIJK ONDERZOEK
ANAMNESE
• De basis van efficiënte behandeling is een correcte diagnose. Er bestaan twee soorten anamnese:
– Auto anamnese: de anamnese wordt afgenomen bij de patiënt zelf
– Heteroanamnese: de anamnese wordt afgenomen bij een persoon nabij de patiënt wanneer een auto anamnese
niet meer mogelijk is.
• Inhoud van anamnese:
– Demografische gegevens: leeftijd, beroep …
– Actueel probleem: hoelang, hoe ontstaan, evolutie?, huidige toestand …
– Voorgeschiedenis
– Systeemanamnese (vb. welke symptomen)
– Familiale anamnese (vb. Genetische predispositie maakt de inschatting over de urgentie en de therapie anders)
– Professionele anamnese (vb. beroepsgebonden pathologieën zoals bakkersasthma)
– Gebruik (gewoonten) (vb. medicatie, nicotine, alcohol)
KLINISCH ONDERZOEK
• Klinisch onderzoek:
– Inspectie: kijk naar de patiënt
– Palpatie: voelen of er problemen zijn vb. als de buik gespannen staat = spierspanning à spoed!
– Percussie: door te tikken krijg je informatie over de vulling van een holte
– Auscultatie: luisteren met een stethoscoop
• Algemeen klinisch onderzoek gebeurt meestal van hoofd, hals klierstreken, schildklier, hart, bloedvaten, longen,
abdomen, musculoskeletaal, neurologisch, PPA( palpatio per anum) en PPV (palpatio per vaginam).
• Inschatten van urgentie: om in te schatten hoe urgent een bepaalde casus is, worden volgende parameters gebruikt:
pols, bloeddruk, temperatuur, ademhaling en mentale status.
Resultaat anamnese en lichamelijk onderzoek?
- Differentiële diagnose: overzicht van welke mogelijkheden er zijn gerangschikt op basis van probabiliteit.
- Verder testen om hypothese te bevestigen/verwerpen.
2
,AANVULLENDE TESTEN
EXA: Bespreek kernspintomografie.
Laboratoriumonderzoek
Bloedtesten – Ontstekingsparameters
– Functionaliteit van organen (lever- en niertesten)
– Serologische testen (antistoftesten: zijn er reeds antistoffen aanwezig tegen …?)
– Immunologische testen
Urineonderzoek Bloed?, Ontsteking?, eiwitverlies?
Stoelgangonderzoek Steatoree?, Bloed?
Kweken Bloed, urine, feces…
Radiologisch onderzoek
Röntgenstralen Met of zonder contrast: risico van IV contrast:
– Nierproblemen
– Hartfalen
– Hyperthyroïdie
– Anafylactische reactie
Echografie Gebaseerd op ultrasone geluidsgolven eventueel gecombineerd met het doppleronderzoek om
bloedflow te registreren.
Computertomografie Bewegende RX-bron waarbij de computer een 3D beeld zal vormen.
Kernspintomografie = MRI = sterk magnetisch veld creëert een 3D film.
Isotopenonderzoek Kleine dosis radioactieve stof wordt ingespoten om de lokale radioactiviteit op te meten.
Endoscopie
Gastroscopie, Endoscoop wordt ingebracht om in de gastro-intestinale tractus of de longen te kunnen kijken.
colonscopie, Eventueel kunnen bepaalde gezwellen (vb. poliepen) verwijderd worden.
bronchoscopie
Functioneel onderzoek
ECG, EMG, EEG… Om de activiteit van het hart, de zenuwen/spieren of de hersenen te onderzoeken
Anatomopathologisch onderzoek
Cytologie, biopsie en Een staal van het lichaam (vocht, weefsel…) wordt afgenomen en verder onderzocht.
autopsie
3
, MEDISCHE BESLISKUNDE
Anamnese + lichamelijk onderzoek + aanvullende testen = diagnose MAAR testen zijn zelden absoluut.
VALIDITEIT VAN EEN TEST (EXAMEN)
EXA: Geef verschillende soorten statische testen in medische diagnostiek + leg uit met vb (sensitiviteit en specificiteit).
EXA: Welke parameter moet hoog zijn om een ziekte uit te sluiten?
EXA: Met een test met een hoge specificiteit kun je bij een positief resultaat de ziekte bevestigen.
EXA: In gebied met lage prevalentie is positieve predictieve waarde lager dan in gebied met hogere prevalentie.
EXA: Bespreek positieve predictieve waarde.
Sensitiviteit: Vermogen van een test om alle personen met een betreffende ziekte te identificeren.
Percentage terecht positieve testen onder de werkelijke zieken. Kans van een ziekte op
positieve test
Specificiteit: Vermogen van een test om personen die lijden aan de betreffende ziekten uit te sluiten.
Percentage terecht negatieve testen onder de werkelijke niet zieken. Kans van niet ziekte
op negatieve test
Positief predictieve waarde: Wat is de kans dat indien de test positief test, de persoon werkelijk de ziekte heeft
Negatief predictieve waarde: Wat is de kans dat indien de test negatief test, de persoon werkelijk de ziekte niet heeft.
Testresultaat Ziektetoestand
Aanwezig Afwezig
Positief a (TP) b (FP) a+b
Negatief c (FN) d (TN) c+d
a+c b+d a + b + c + d = totaal (T)
Prevalentie: 𝑎 + 𝑐
𝑇
Sensitiviteit: 𝑎 True positive rate (varieert tussen 0 en 1)
(𝑎 + 𝑐)
Specificiteit: 𝑑 True negative rate
(𝑏 + 𝑑)
Positief predictieve waarde: 𝑎 De kans dat een positief resultaat echt positief is.
(𝑎 + 𝑏)
Negatief predictieve waarde: 𝑑 De kans dat een negatief resultaat echt negatief is.
(𝑐 + 𝑑)
Opmerkingen:
– Belang van gouden standaard: Kies de ultieme diagnostische test
– Belang van afkappunt: vanaf welke waarde ga je zeggen dat een test abnormaal is
– Belang van doel van test:
Ø Voor screening: heel gevoelige test
Ø Voor bevestiging: heel specifieke test
4