Biologie toets deel 1: de cel
1.1: De cel: bouwsteen in een groter geheel
De cel
= kleinste levende bouwsteen of eenheid van een organisme
- een cel leeft dus vertoont levenskenmerken
- een groot aantal soorten organismen bestaan uit slechts 1 cel
- prokaryoten zijn altijd eencellig
- eukaryoten zijn eencellig of meercellig
- de gemiddelde diameter van een cel is 10-40 micrometer
weefsels → als organismen meercellig zijn
= cellen met ongeveer dezelfde vorm en met exact dezelfde functie die
samenwerken
- soms bevat een weefsel ook ondersteunende cellen
- voorbeelden bij dier en mens: botweefsel, vetweefsel
- voorbeelden bij planten: transportweefsel, dekweefsel
organen → samenwerkende weefsels
= onderdelen van het lichaam die een specifieke functie uitvoeren
- voorbeeld: het hart
orgaanstelsels
= samenwerkende organen die gezamenlijk 1 hoofdfunctie heeft
- het hart werkt samen met de bloedvaten → gezamenlijk zorgen ze
voor het transport van bloed
- hart en bloedvaten vormen het bloedvatenstelsel
- de longen werken samen met de luchtpijp, mond en neus →
gezamenlijk zorgen deze voor het opnemen van zuurstof
- de longen, luchtpijp, mondholte en neus vormen het ademhalingsstelsel
organisme→ opgebouwd uit verschillende orgaanstelsels
= levend wezen
- voorbeelden: planten, dieren, schimmels en bacteriën
populatie
= een groep organismen die samenleven
ecosysteem → verschillende populaties
= allerlei soorten planten en dieren die in een gebied leven
biosfeer → verschillende ecosystemen
= het gedeelte van aarde waar leven aanwezig is
,lichtmicroscoop
- Antonie van Leeuwenhoek ontwikkelde er een die een beeld tot 275 keer
vergroten
- goede lichtmicroscopen kunnen 1000-2000 x vergroten
elektronenmicroscoop
- nodig voor een cel in detail te bekijken
- organelletjes worden zichtbaar
celorganellen → moleculen → atomen
DNA = bepaalt hoe een organisme eruit ziet en hoe het functioneert
- kan zichzelf kopiëren
- zonder DNA → geen leven!!
- kan alleen in een cel
1.2: een cel onder de lichtmicroscoop
1.2.1: inleiding
specialisatie
=er bestaan een hele reeks van soorten cellen die elk hun eigen vorm en afmetingen
hebben, aangepast aan de functie die ze uitoefenen
- niet enkel de uitwendige vorm, maar ook de inhoud is aangepast aan de
functie
uniformiteit
= een grondplan keert elke keer terug
, Welke structuren vinden we terug in een plantaardige cel?
celwand
bestaat uit de koolhydraten cellulose en pectine, vaak zijn ook houtstoffen
(lignines) en kurkstoffen (cutines) aanwezig
- geeft stevigheid en bescherming aan de plantencel
- biedt ook een tegendruk als de cel teveel water opzuigt → hij
voorkomt dat de cel zou barsten
- soepel en rekbaar
1.1: De cel: bouwsteen in een groter geheel
De cel
= kleinste levende bouwsteen of eenheid van een organisme
- een cel leeft dus vertoont levenskenmerken
- een groot aantal soorten organismen bestaan uit slechts 1 cel
- prokaryoten zijn altijd eencellig
- eukaryoten zijn eencellig of meercellig
- de gemiddelde diameter van een cel is 10-40 micrometer
weefsels → als organismen meercellig zijn
= cellen met ongeveer dezelfde vorm en met exact dezelfde functie die
samenwerken
- soms bevat een weefsel ook ondersteunende cellen
- voorbeelden bij dier en mens: botweefsel, vetweefsel
- voorbeelden bij planten: transportweefsel, dekweefsel
organen → samenwerkende weefsels
= onderdelen van het lichaam die een specifieke functie uitvoeren
- voorbeeld: het hart
orgaanstelsels
= samenwerkende organen die gezamenlijk 1 hoofdfunctie heeft
- het hart werkt samen met de bloedvaten → gezamenlijk zorgen ze
voor het transport van bloed
- hart en bloedvaten vormen het bloedvatenstelsel
- de longen werken samen met de luchtpijp, mond en neus →
gezamenlijk zorgen deze voor het opnemen van zuurstof
- de longen, luchtpijp, mondholte en neus vormen het ademhalingsstelsel
organisme→ opgebouwd uit verschillende orgaanstelsels
= levend wezen
- voorbeelden: planten, dieren, schimmels en bacteriën
populatie
= een groep organismen die samenleven
ecosysteem → verschillende populaties
= allerlei soorten planten en dieren die in een gebied leven
biosfeer → verschillende ecosystemen
= het gedeelte van aarde waar leven aanwezig is
,lichtmicroscoop
- Antonie van Leeuwenhoek ontwikkelde er een die een beeld tot 275 keer
vergroten
- goede lichtmicroscopen kunnen 1000-2000 x vergroten
elektronenmicroscoop
- nodig voor een cel in detail te bekijken
- organelletjes worden zichtbaar
celorganellen → moleculen → atomen
DNA = bepaalt hoe een organisme eruit ziet en hoe het functioneert
- kan zichzelf kopiëren
- zonder DNA → geen leven!!
- kan alleen in een cel
1.2: een cel onder de lichtmicroscoop
1.2.1: inleiding
specialisatie
=er bestaan een hele reeks van soorten cellen die elk hun eigen vorm en afmetingen
hebben, aangepast aan de functie die ze uitoefenen
- niet enkel de uitwendige vorm, maar ook de inhoud is aangepast aan de
functie
uniformiteit
= een grondplan keert elke keer terug
, Welke structuren vinden we terug in een plantaardige cel?
celwand
bestaat uit de koolhydraten cellulose en pectine, vaak zijn ook houtstoffen
(lignines) en kurkstoffen (cutines) aanwezig
- geeft stevigheid en bescherming aan de plantencel
- biedt ook een tegendruk als de cel teveel water opzuigt → hij
voorkomt dat de cel zou barsten
- soepel en rekbaar