1 Je kent verschillende leertheorieën en je kunt die onderbouwd toepassen op het arrangeren van
leersituaties in de basisschool.
2 Je kunt leeractiviteiten conform de leerlijnen voor de verschillende leergebieden
ontwerpen binnen een krachtige leeromgeving en dit onderbouwen.
3 Je kunt concreet materiaal inzetten en daarmee de leeromgeving versterken.
4 Je kunt aspecten van klassenmanagement noemen vanuit de theorie en je kunt
aangeven hoe die aspecten in de onderwijspraktijk eruit zien.
5 Je kent coöperatieve werkvormen en je kunt deze toepassen in het basisonderwijs.
n6 Je kunt ICT inzetten als element van een krachtige leeromgeving.
7 Je kent moderne vernieuwende onderwijskundige opvattingen binnen het
basisonderwijs en je kunt deze toepassen binnen een krachtige leeromgeving.
8 Je kunt een uitdagende themahoek ontwerpen en verantwoorden en je kunt de
kinderen hierin begeleiden.
9 Je kunt activiteiten buiten de school inpassen in een uitdagende leersituatie en je
keuzes vanuit de theorie toelichten.
10 Je kunt op het schoolplein een krachtige leeromgeving inrichten.
,Arrangeren van leersituaties: college 1
Toetsdoel 4: Je kunt aspecten van Klassenmanagement noemen.
Je kunt aangeven hoe die aspecten in de onderwijspraktijk eruitzien.
Afname motivatie oorzaak:
-Leerling hecht geen belang aan het doel of is niet bekend met het doel
-Leerling voelt zich niet bekwaam om doel uit te voeren
-Leerling gelooft niet dat uitvoering van leeractiviteit tot gewenste doel zal leiden
-Iets anders is voor de leerling belangrijker of aantrekkelijker
Motivatie en flow theorie
Vraag je af:
• Of de werkvorm voldoende prikkels biedt tot actieve verwerking van de leerinhoud.
• Of de werkvorm voldoende kansen biedt tot zelfgestuurd leren.
• Of de werkvorm gelegenheid biedt tot samenwerkend/coöperatief leren.
• Hoe doelgericht de werkvorm is.
• Of de werkvorm praktisch uitvoerbaar is.
Uitgangspunt van kiezen werkvormen:
• Doelen (pedagogische en onderwijskundige)
• Behoefte tot differentiatie/zelfsturing
• Relevante situatiekenmerken
• Kenmerken m.b.t. de leerlingen
• Kenmerken m.b.t. de leerstof
• Kenmerken m.b.t. de leerkracht
, • Kenmerken m.b.t. randvoorwaarden
Keuze werkvorm moet aansluiten bij fase van de les:
• Oriëntatie
• Herhaling
• inoefening/verwerking
• Verwerking
• Evaluatie
• Toetsing
Hoofdindeling werkvormen:
• Interactievormen
• Instructievormen
• Opdrachtvormen
• Spelvormen
• Samenwerkingsvormen.
Interactievormen:
• Informatie uit te wisselen;
• Leren te overleggen;
• Vragen leren stellen;
• Naar anderen te luisteren;
• Mening onder woorden leren te brengen.
Interactievormen: klassengesprekken, debat, bord –en muurdiscussie
Instructie vormen:
• Gestructureerd doorgeven van basiskennis;
• Presenteren van een onderwerp;
• Motiveren voor het onderwerp;
• Samenvatten van wat belangrijk is en onthouden moet worden;
• Geven van richtlijnen voor bepaalde taken;
• Reproductieve niveau van beheersing.
Instructievormen: vertelling, film, excursie, doceren, demonstratie, uitleggen
Opdrachtvormen
• Kinderen te laten studeren of onderzoeken;
• Zaken weer te geven, bijvoorbeeld resultaten;
• Zelfstandig te werken.
Opdrachtvormen: muurkrant, mindmap, stripverhaal tekenen, affiche, werkboek maken
Spelvormen:
• Spelend leren met focus op verkenning en beleving;
• Open vormen met inbreng van fantasie;
• Afwisseling en stimulatie;
leersituaties in de basisschool.
2 Je kunt leeractiviteiten conform de leerlijnen voor de verschillende leergebieden
ontwerpen binnen een krachtige leeromgeving en dit onderbouwen.
3 Je kunt concreet materiaal inzetten en daarmee de leeromgeving versterken.
4 Je kunt aspecten van klassenmanagement noemen vanuit de theorie en je kunt
aangeven hoe die aspecten in de onderwijspraktijk eruit zien.
5 Je kent coöperatieve werkvormen en je kunt deze toepassen in het basisonderwijs.
n6 Je kunt ICT inzetten als element van een krachtige leeromgeving.
7 Je kent moderne vernieuwende onderwijskundige opvattingen binnen het
basisonderwijs en je kunt deze toepassen binnen een krachtige leeromgeving.
8 Je kunt een uitdagende themahoek ontwerpen en verantwoorden en je kunt de
kinderen hierin begeleiden.
9 Je kunt activiteiten buiten de school inpassen in een uitdagende leersituatie en je
keuzes vanuit de theorie toelichten.
10 Je kunt op het schoolplein een krachtige leeromgeving inrichten.
,Arrangeren van leersituaties: college 1
Toetsdoel 4: Je kunt aspecten van Klassenmanagement noemen.
Je kunt aangeven hoe die aspecten in de onderwijspraktijk eruitzien.
Afname motivatie oorzaak:
-Leerling hecht geen belang aan het doel of is niet bekend met het doel
-Leerling voelt zich niet bekwaam om doel uit te voeren
-Leerling gelooft niet dat uitvoering van leeractiviteit tot gewenste doel zal leiden
-Iets anders is voor de leerling belangrijker of aantrekkelijker
Motivatie en flow theorie
Vraag je af:
• Of de werkvorm voldoende prikkels biedt tot actieve verwerking van de leerinhoud.
• Of de werkvorm voldoende kansen biedt tot zelfgestuurd leren.
• Of de werkvorm gelegenheid biedt tot samenwerkend/coöperatief leren.
• Hoe doelgericht de werkvorm is.
• Of de werkvorm praktisch uitvoerbaar is.
Uitgangspunt van kiezen werkvormen:
• Doelen (pedagogische en onderwijskundige)
• Behoefte tot differentiatie/zelfsturing
• Relevante situatiekenmerken
• Kenmerken m.b.t. de leerlingen
• Kenmerken m.b.t. de leerstof
• Kenmerken m.b.t. de leerkracht
, • Kenmerken m.b.t. randvoorwaarden
Keuze werkvorm moet aansluiten bij fase van de les:
• Oriëntatie
• Herhaling
• inoefening/verwerking
• Verwerking
• Evaluatie
• Toetsing
Hoofdindeling werkvormen:
• Interactievormen
• Instructievormen
• Opdrachtvormen
• Spelvormen
• Samenwerkingsvormen.
Interactievormen:
• Informatie uit te wisselen;
• Leren te overleggen;
• Vragen leren stellen;
• Naar anderen te luisteren;
• Mening onder woorden leren te brengen.
Interactievormen: klassengesprekken, debat, bord –en muurdiscussie
Instructie vormen:
• Gestructureerd doorgeven van basiskennis;
• Presenteren van een onderwerp;
• Motiveren voor het onderwerp;
• Samenvatten van wat belangrijk is en onthouden moet worden;
• Geven van richtlijnen voor bepaalde taken;
• Reproductieve niveau van beheersing.
Instructievormen: vertelling, film, excursie, doceren, demonstratie, uitleggen
Opdrachtvormen
• Kinderen te laten studeren of onderzoeken;
• Zaken weer te geven, bijvoorbeeld resultaten;
• Zelfstandig te werken.
Opdrachtvormen: muurkrant, mindmap, stripverhaal tekenen, affiche, werkboek maken
Spelvormen:
• Spelend leren met focus op verkenning en beleving;
• Open vormen met inbreng van fantasie;
• Afwisseling en stimulatie;