Embryologie
Algemene inleiding
REPRODUCTIE & ONTWIKKELING IN EVOLUTIEVE CONTEXT
● reproductie is verbonden met biologische evolutie
- morfologie gekenmerkt door variatie
→ proces van adaptatie door natuurlijke selectie
● Frequentiedistributies van (kwantitatieve) kenmerken → vertonen hoe variatie zich
binnen de populatie manifesteert
→ verschuivingen (in genotype) binnen een populatie → evolutie & adaptatie
● genetische variatie is gekoppeld aan proces van reproductie
- asexuele reproductie: variatie is beperkt tot mutaties
- sexuele reproductie: elke generatie groter potentiële veranderingen
- crossing-over tijdens de meiose
- random combinatie van allelen bij zygote vorming
- mutaties
● plasticiteit = wanneer veranderende omgevingsfactoren (biotisch & abiotisch) tijdens
de ontwikkeling vormveranderingen veroorzaken
● asexuele reproductie:
+ ‘goedkoop’
- beperkte variatie
● sexuele reproductie:
- kostelijker → vorming gameten
→ vorming secundaire geslachtskenmerken
→ kostelijke gedragspatronen
+ veel potentiële variatie
(gescheiden geslachten → hermafrodieten of parthogenese)
,ENKELE DEFINITIES
● ontogenie = levensgeschiedenis van een individu (reproductieve cyclus +
post-reproductieve fase = gerontologische fase)
● embryogenese = periode tussen fertilisatie en het ogenblik in de ontwikkeling
waarop de belangrijke bouwplan-elementen en organen gevormd worden
● organogenese = periode waarin belangrijke bouwplan-elementen en organen
gevormd worden
● foetale groei = intense groei na de organogenese, die duurt tot de geboorte of het
uitkippen van een ei
,Reproductief systeem, gametogenese & sex-determinatie
INLEIDING
De krekel
● In de gonaden worden gameten geproduceerd
● vrouwtjes:
- korte eileider (= oviduct)
- bursa copulatrix → plek waar het mannelijke copulatieorgaan wordt gebracht
tijdens de copulatie
- (sommige individuen hebben een legboor (= ovipositor))
- receptaculum seminis → plek waar sperma of spermatoforen tijdelijk
opgeslagen worden
● mannetje:
- zaadleider (= vas deferens)
- vesicula seminalis → tijdelijke opslag
- ductus ejaculatoris → connectie met de buitenwereld
- accessorische klieren voegen semen aan sperma toe
De mens
● mannelijk: nauw verband tussen genitaal stelsel & excretiestelsel
- testis zijn opgebouwd uit talrijke zaadbuisjes → waar sperma vanuit
germinatieve cellen ontwikkeld
- interstitiële cellen = Leydig-cellen → productie mannelijk sexhormoon (ligt
tussen zaadbuisjes)
- sperma via rete testis naar vasa efferentia
→ sterk gewonden kluwen van buisjes in de kop v/d bijbal
→ versmelten tot ductus epididymis → vorming rest v/d bijbal
(in bijbal matureert het sperma & wordt het tijdelijk opgeslagen)
, - afvoer gebeurt via zaadleider (= vas deferens) → terminale deel = ductus
ejaculatoris
- vesiculaire klier: productie van seminaal vocht
(ook door prostaat & bulbourethalrale (Cowper) klier
→ transport en voeding van sperma
→ buffert lage pH in de vagina
● vrouwelijk:
- gonaden (ovaria) liggen in de buikholte
- oviduct (= eileider) eindigt in trechtervormig ostium met fimbriae
(= vingervormige uitstulpingen)
- baarmoeder (= uterus): gespierde & gevasculeerde wand bekleed met
endometrium
- via cervix mondt uterus uit in de vagina → opent ter hoogte v/d vulva
- grote & kleine schaamlippen (labia majora & minora)
- clitoris
Algemene inleiding
REPRODUCTIE & ONTWIKKELING IN EVOLUTIEVE CONTEXT
● reproductie is verbonden met biologische evolutie
- morfologie gekenmerkt door variatie
→ proces van adaptatie door natuurlijke selectie
● Frequentiedistributies van (kwantitatieve) kenmerken → vertonen hoe variatie zich
binnen de populatie manifesteert
→ verschuivingen (in genotype) binnen een populatie → evolutie & adaptatie
● genetische variatie is gekoppeld aan proces van reproductie
- asexuele reproductie: variatie is beperkt tot mutaties
- sexuele reproductie: elke generatie groter potentiële veranderingen
- crossing-over tijdens de meiose
- random combinatie van allelen bij zygote vorming
- mutaties
● plasticiteit = wanneer veranderende omgevingsfactoren (biotisch & abiotisch) tijdens
de ontwikkeling vormveranderingen veroorzaken
● asexuele reproductie:
+ ‘goedkoop’
- beperkte variatie
● sexuele reproductie:
- kostelijker → vorming gameten
→ vorming secundaire geslachtskenmerken
→ kostelijke gedragspatronen
+ veel potentiële variatie
(gescheiden geslachten → hermafrodieten of parthogenese)
,ENKELE DEFINITIES
● ontogenie = levensgeschiedenis van een individu (reproductieve cyclus +
post-reproductieve fase = gerontologische fase)
● embryogenese = periode tussen fertilisatie en het ogenblik in de ontwikkeling
waarop de belangrijke bouwplan-elementen en organen gevormd worden
● organogenese = periode waarin belangrijke bouwplan-elementen en organen
gevormd worden
● foetale groei = intense groei na de organogenese, die duurt tot de geboorte of het
uitkippen van een ei
,Reproductief systeem, gametogenese & sex-determinatie
INLEIDING
De krekel
● In de gonaden worden gameten geproduceerd
● vrouwtjes:
- korte eileider (= oviduct)
- bursa copulatrix → plek waar het mannelijke copulatieorgaan wordt gebracht
tijdens de copulatie
- (sommige individuen hebben een legboor (= ovipositor))
- receptaculum seminis → plek waar sperma of spermatoforen tijdelijk
opgeslagen worden
● mannetje:
- zaadleider (= vas deferens)
- vesicula seminalis → tijdelijke opslag
- ductus ejaculatoris → connectie met de buitenwereld
- accessorische klieren voegen semen aan sperma toe
De mens
● mannelijk: nauw verband tussen genitaal stelsel & excretiestelsel
- testis zijn opgebouwd uit talrijke zaadbuisjes → waar sperma vanuit
germinatieve cellen ontwikkeld
- interstitiële cellen = Leydig-cellen → productie mannelijk sexhormoon (ligt
tussen zaadbuisjes)
- sperma via rete testis naar vasa efferentia
→ sterk gewonden kluwen van buisjes in de kop v/d bijbal
→ versmelten tot ductus epididymis → vorming rest v/d bijbal
(in bijbal matureert het sperma & wordt het tijdelijk opgeslagen)
, - afvoer gebeurt via zaadleider (= vas deferens) → terminale deel = ductus
ejaculatoris
- vesiculaire klier: productie van seminaal vocht
(ook door prostaat & bulbourethalrale (Cowper) klier
→ transport en voeding van sperma
→ buffert lage pH in de vagina
● vrouwelijk:
- gonaden (ovaria) liggen in de buikholte
- oviduct (= eileider) eindigt in trechtervormig ostium met fimbriae
(= vingervormige uitstulpingen)
- baarmoeder (= uterus): gespierde & gevasculeerde wand bekleed met
endometrium
- via cervix mondt uterus uit in de vagina → opent ter hoogte v/d vulva
- grote & kleine schaamlippen (labia majora & minora)
- clitoris