MV
● belangrijke organellen die functie hebben in de eiwitsynthese benoemen en
herkennen.
kern, ribosomen, endoplasmatisch reticulum, golgi apparaat
● Het proces van celdeling (mitose en meiose) te herkennen en beschrijven.
•DNA replicatie
•Meiose I (reductiedeling)
•Chromosomen paren gaan uit elkaar
•Chromosoom blijft bestaan uit 2 chromatiden
•Chromosoom 1 (van vader) dochtercel 1
•Chromosoom 2 (van moeder) dochtercel 2
•Dochtercel heeft info van vader of moeder (Reductie van informatie)
•Meiose II
•Vooraf geen DNA replicatie!
•Chromosomen gaan uit elkaar
•Chromosoom bestaat uit 1 chromatide
❏ Chromosoom kopieert zich en bestaat uit 2
(zuster)chromatiden
❏ Chromosomen in equatoriale vlak
❏ Centriolen gaan naar de ‘polen’ van de cel
❏ Spoelfiguur tussen ‘polen’ en chromosomen
❏ Chromatiden breken bij de centromeren
❏ Spoelfiguur trekt de chromatiden uit elkaar
❏ Chromosoom bestaat uit 1 chromatide
❏ Dochtercellen zijn identiek
● De functie van de celorganellen te noemen.
ribosomen (eiwit produceren), endoplasmatisch reticulum (eiwitsynthese), Golgi-apparaat
(afmaken van de ruwe eiwitten,de eindbestemming van de eiwitten bepalen), mytochondrion
(zet brandstof om in ATP(energie)), lysosomen (breekt grote moleculen en organellen af),
Celkern (bevat het meeste genetisch materiaal), Vesikel (opslag- en
transportorganel),Vacuole (opslagstructuren. Zeer groot in plantencellen, spelen een rol in
de groei)
● De fasen van de eiwitsynthese te noemen. Te beschrijven wat er per fase
gebeurt.
•Transcriptie:
•info DNA overgeschreven naar mRNA
•mRNA naar ribosomen
•Translatie:
•info van mRNA gebruikt voor volgorde aminozuren
•tRNA voert aminozuren aan naar ribosomen
● uit te leggen wat oncologie is.
medische kennis en behandeling van kanker, kankerkunde
● uit te leggen wat kanker, maligne en benigne tumoren zijn.
Kanker is ongecontroleerde deling van lichaamscellen. benigne=goedaardig gaan niet door
het kapsel heen, maligne=kwaadaardig
Goedaardige tumor: Een tumor (een klompje cellen) met een kapsel (een sterke schil of wand)
waar de zich alsmaar delende cellen in blijven zitten. Deze kan wel groot worden en daardoor
problemen geven. Maar de cellen zaaien niet uit. We noemen zo’n tumor goedaardig of ‘benigne’
(Latijn voor: goedaardig).
Kwaadaardige tumor: Een tumor zonder schil, waardoor de klomp cellen door het omliggende
weefsel heen groeit en dit wegdrukt of vernietigt. We noemen zo’n tumor kwaadaardig of
‘maligne’ (Latijn voor: destructief, kwaadaardig). De cellen kunnen loslaten van de tumor en
uitzaaien. Bij een kwaadaardige tumor gaat het dus over kanker.
● uit te leggen wat TNM stadiëring is.
,T: (1/4) grootte of directe uitbreiding van de primaire tumor, een hogere waarde duidt op een
slechtere prognose. Bij T0 is er geen aantoonbare primaire tumor.
N: uitbreiding naar regionale lymfeklieren. '0' betekent geen lymfekliermetastasen, 1-3
betekent dat er metastasen in de regionale lymfeklieren voorkomen (waarde afhankelijk van
aantal en lokalisatie lymfekliermetastasen)
M (0/1): metastasen op afstand. '0' betekent geen metastase op afstand, '1' betekent
metastasen op afstand.
● uit de naam van een tumor het weefsel afleiden waaruit de tumor is ontstaan én
de aard van de tumor afleiden.
Epitheel (dekweefsel) – Maligne tumoren: carcinoom
Steunweefsel – Maligne tumoren: sarcoom
- osteosarcoom (maligne) botweefsel
- chondrosarcoom (maligne) kraakbeenweefsel
- adenocarcinoom (maligne) kliercellen
- adenoom (benigne) kliercellen
- neuroblastoom (maligne) zenuwcellen
- liposarcoom (maligne) vetcellen
- plaveiselcelcarcinoom (maligne) huidcellen kan ook in de longen
- fibroom (benigne) bindweefselcellen
- fibrosarcoom (maligne) bindweefsel
- leukemie (maligne) woekering van witte bloedcellen
binnen en buiten het beenmerg
- papilloom (benigne) epitheelcellen in de blaas
- lipoom (benigne) vetweefselcellen
- neuroom (benigne) zenuwcellen
- melanoom (maligne) huidcellen kwaadaardige moedervlek
- naevus (benigne) huidcellen
● de factoren noemen die een rol spelen in het ontstaan van kanker en het
pathofysiologisch proces beschrijven
Omgeving, Lifestyle, Beroeps, Pharmacologisch en Biologisch, genetisch en fysische
- genetische factoren dat je het van familie kan krijgen door genen
- biologische factoren
- fysische factoren straling
- chemische factoren roken
het ontstaan van kanker staan defecten in het DNA door mutaties.
● vanuit de ligging van een metastase de meest waarschijnlijke ligging van de
primaire tumor afleiden.
o Longen: botten, bijnieren, lever, vooral
hersenen, longen
o Dikke darm: lever, rectum, longen
o Borst: botten, longen
o Nier: longen, hersenen.
o Hersenen: andere plaatsen in de
hersenen en zenuwstelsel omdat het niet
makkelijk uit de hersenen komt
● Benoemen welke hoofdcategorieën van weefsels er
bestaan.
Dekweefsel
Steunweefsel
Spierweefsel
Zenuwweefsel
● Benoemen welke soorten dekweefsels er bestaan
Plaveiselepitheel = (huid, slijmvlies, long vlies) ze grensen de bloedvat af, transport, speelt
rol bij bloedstoling, afgrensing en maakt beweging mogelijk, beschermend
, Kubisch epitheel = (klieren en klierbuisen) productie klierproduct, afvoer klierproduct,
Cilindrisch epitheel = (maag-darmkanaal en Conjunctiva van oog) vormt wand van maag
darmkanaal, tranport, bescherming
Trilhaarepitheel = (luchtwegen) afweer en transport functie
● Benoemen welke soorten steunweefsels er bestaan
Bindweefsel = (beschermt de organen en bepaalt hun vorm, trekkrachten opvangen,
tussenruimten opvullen, vervormen bouw van 3D structuur) Lymfatische organen,
beenmerg, dikke elastische vezels, grote bloedvaten, Ligg. flava, pezen banden en
vulweefsel mediastinum (tussenruimte) Veel collageen
Vetweefsel = (energie in de vorm van vet opslaan, beschermt en het lichaam isoleert. Het
heeft een belangrijke endocriene functie in het produceren van hormonen zoals leptine,
resistine en TNF-α. opvulling van tussenruimte) Vetcellen, dunne collagene vezels om cellen
en bindweefselschotten, veel collageen
Kraakbeen = (Steun bieden aan weke delen, Schokabsorptie in gewrichten, groei
beenderen, Gewrichtsvlakken vrijwel zonder wrijving over elkaar laten glijden, mogelijk
maken van beweging en vervorming opvangen druk en trekkrachten) gewrichten, ribben,
oor, neus en tussenwervelschijven
Botweefsel = (opvangen druk en trekkrachten, bescherming onderdelen steun en bewegen)
botten
● Van deze weefsels de bouw beschrijven
^
● Van deze weefsels de functie beschrijven.
^
● De bouw van botweefsel op microscopisch niveau beschrijven
https://www.studeersnel.nl/nl/document/hoge
school-inholland/voorbereiding-op-werken-in
-de-medische-beeldvorming-en-radiotherapie/
co
llege-aantekeningen/college-aantekeningen-coll
eges-1-2-7-12-20/520521/view
● De bouw van pijpbeenderen op
macroscopisch niveau beschrijven
en de onderdelen ervan benoemen
● De botten die in de onderstaande
trefwoordenlijst staan benoemen met
de juiste nomenclatuur, herkennen en
aanwijzen op afbeeldingen.
Lange beenderen
Epifyse: het uiteinde
Metafyse: het midden
Diafyse: de schans
Corpus: het lichaam
Extremitates: het uiteinde
Cavum medulare = mergholte
Korte beenderen
Substantia compacta = compact bot
Substantia spongiosa = spongieus bot
Platte beenderen = Bij deze botten liggen de buitenlagen dicht tegen elkaar aan.
Voorbeelden zijn de schedel, ribben, schouderbladen en heupbeenderen.
Onregelmatig gevormde beenderen = wervels en de hand- en voetwortelbeentjes.
Luchtbevattende beenderen = deze beenderen bevaten holtes die gevult zijn met lucht en
afgesloten met een slijmvlies.
sesambeenderen = een bot dat zich bevindt in het verloop van een pees. Een voorbeeld is
de knieschijf. Ook in de handen en voeten bevinden zich sesambeenderen.
● belangrijke organellen die functie hebben in de eiwitsynthese benoemen en
herkennen.
kern, ribosomen, endoplasmatisch reticulum, golgi apparaat
● Het proces van celdeling (mitose en meiose) te herkennen en beschrijven.
•DNA replicatie
•Meiose I (reductiedeling)
•Chromosomen paren gaan uit elkaar
•Chromosoom blijft bestaan uit 2 chromatiden
•Chromosoom 1 (van vader) dochtercel 1
•Chromosoom 2 (van moeder) dochtercel 2
•Dochtercel heeft info van vader of moeder (Reductie van informatie)
•Meiose II
•Vooraf geen DNA replicatie!
•Chromosomen gaan uit elkaar
•Chromosoom bestaat uit 1 chromatide
❏ Chromosoom kopieert zich en bestaat uit 2
(zuster)chromatiden
❏ Chromosomen in equatoriale vlak
❏ Centriolen gaan naar de ‘polen’ van de cel
❏ Spoelfiguur tussen ‘polen’ en chromosomen
❏ Chromatiden breken bij de centromeren
❏ Spoelfiguur trekt de chromatiden uit elkaar
❏ Chromosoom bestaat uit 1 chromatide
❏ Dochtercellen zijn identiek
● De functie van de celorganellen te noemen.
ribosomen (eiwit produceren), endoplasmatisch reticulum (eiwitsynthese), Golgi-apparaat
(afmaken van de ruwe eiwitten,de eindbestemming van de eiwitten bepalen), mytochondrion
(zet brandstof om in ATP(energie)), lysosomen (breekt grote moleculen en organellen af),
Celkern (bevat het meeste genetisch materiaal), Vesikel (opslag- en
transportorganel),Vacuole (opslagstructuren. Zeer groot in plantencellen, spelen een rol in
de groei)
● De fasen van de eiwitsynthese te noemen. Te beschrijven wat er per fase
gebeurt.
•Transcriptie:
•info DNA overgeschreven naar mRNA
•mRNA naar ribosomen
•Translatie:
•info van mRNA gebruikt voor volgorde aminozuren
•tRNA voert aminozuren aan naar ribosomen
● uit te leggen wat oncologie is.
medische kennis en behandeling van kanker, kankerkunde
● uit te leggen wat kanker, maligne en benigne tumoren zijn.
Kanker is ongecontroleerde deling van lichaamscellen. benigne=goedaardig gaan niet door
het kapsel heen, maligne=kwaadaardig
Goedaardige tumor: Een tumor (een klompje cellen) met een kapsel (een sterke schil of wand)
waar de zich alsmaar delende cellen in blijven zitten. Deze kan wel groot worden en daardoor
problemen geven. Maar de cellen zaaien niet uit. We noemen zo’n tumor goedaardig of ‘benigne’
(Latijn voor: goedaardig).
Kwaadaardige tumor: Een tumor zonder schil, waardoor de klomp cellen door het omliggende
weefsel heen groeit en dit wegdrukt of vernietigt. We noemen zo’n tumor kwaadaardig of
‘maligne’ (Latijn voor: destructief, kwaadaardig). De cellen kunnen loslaten van de tumor en
uitzaaien. Bij een kwaadaardige tumor gaat het dus over kanker.
● uit te leggen wat TNM stadiëring is.
,T: (1/4) grootte of directe uitbreiding van de primaire tumor, een hogere waarde duidt op een
slechtere prognose. Bij T0 is er geen aantoonbare primaire tumor.
N: uitbreiding naar regionale lymfeklieren. '0' betekent geen lymfekliermetastasen, 1-3
betekent dat er metastasen in de regionale lymfeklieren voorkomen (waarde afhankelijk van
aantal en lokalisatie lymfekliermetastasen)
M (0/1): metastasen op afstand. '0' betekent geen metastase op afstand, '1' betekent
metastasen op afstand.
● uit de naam van een tumor het weefsel afleiden waaruit de tumor is ontstaan én
de aard van de tumor afleiden.
Epitheel (dekweefsel) – Maligne tumoren: carcinoom
Steunweefsel – Maligne tumoren: sarcoom
- osteosarcoom (maligne) botweefsel
- chondrosarcoom (maligne) kraakbeenweefsel
- adenocarcinoom (maligne) kliercellen
- adenoom (benigne) kliercellen
- neuroblastoom (maligne) zenuwcellen
- liposarcoom (maligne) vetcellen
- plaveiselcelcarcinoom (maligne) huidcellen kan ook in de longen
- fibroom (benigne) bindweefselcellen
- fibrosarcoom (maligne) bindweefsel
- leukemie (maligne) woekering van witte bloedcellen
binnen en buiten het beenmerg
- papilloom (benigne) epitheelcellen in de blaas
- lipoom (benigne) vetweefselcellen
- neuroom (benigne) zenuwcellen
- melanoom (maligne) huidcellen kwaadaardige moedervlek
- naevus (benigne) huidcellen
● de factoren noemen die een rol spelen in het ontstaan van kanker en het
pathofysiologisch proces beschrijven
Omgeving, Lifestyle, Beroeps, Pharmacologisch en Biologisch, genetisch en fysische
- genetische factoren dat je het van familie kan krijgen door genen
- biologische factoren
- fysische factoren straling
- chemische factoren roken
het ontstaan van kanker staan defecten in het DNA door mutaties.
● vanuit de ligging van een metastase de meest waarschijnlijke ligging van de
primaire tumor afleiden.
o Longen: botten, bijnieren, lever, vooral
hersenen, longen
o Dikke darm: lever, rectum, longen
o Borst: botten, longen
o Nier: longen, hersenen.
o Hersenen: andere plaatsen in de
hersenen en zenuwstelsel omdat het niet
makkelijk uit de hersenen komt
● Benoemen welke hoofdcategorieën van weefsels er
bestaan.
Dekweefsel
Steunweefsel
Spierweefsel
Zenuwweefsel
● Benoemen welke soorten dekweefsels er bestaan
Plaveiselepitheel = (huid, slijmvlies, long vlies) ze grensen de bloedvat af, transport, speelt
rol bij bloedstoling, afgrensing en maakt beweging mogelijk, beschermend
, Kubisch epitheel = (klieren en klierbuisen) productie klierproduct, afvoer klierproduct,
Cilindrisch epitheel = (maag-darmkanaal en Conjunctiva van oog) vormt wand van maag
darmkanaal, tranport, bescherming
Trilhaarepitheel = (luchtwegen) afweer en transport functie
● Benoemen welke soorten steunweefsels er bestaan
Bindweefsel = (beschermt de organen en bepaalt hun vorm, trekkrachten opvangen,
tussenruimten opvullen, vervormen bouw van 3D structuur) Lymfatische organen,
beenmerg, dikke elastische vezels, grote bloedvaten, Ligg. flava, pezen banden en
vulweefsel mediastinum (tussenruimte) Veel collageen
Vetweefsel = (energie in de vorm van vet opslaan, beschermt en het lichaam isoleert. Het
heeft een belangrijke endocriene functie in het produceren van hormonen zoals leptine,
resistine en TNF-α. opvulling van tussenruimte) Vetcellen, dunne collagene vezels om cellen
en bindweefselschotten, veel collageen
Kraakbeen = (Steun bieden aan weke delen, Schokabsorptie in gewrichten, groei
beenderen, Gewrichtsvlakken vrijwel zonder wrijving over elkaar laten glijden, mogelijk
maken van beweging en vervorming opvangen druk en trekkrachten) gewrichten, ribben,
oor, neus en tussenwervelschijven
Botweefsel = (opvangen druk en trekkrachten, bescherming onderdelen steun en bewegen)
botten
● Van deze weefsels de bouw beschrijven
^
● Van deze weefsels de functie beschrijven.
^
● De bouw van botweefsel op microscopisch niveau beschrijven
https://www.studeersnel.nl/nl/document/hoge
school-inholland/voorbereiding-op-werken-in
-de-medische-beeldvorming-en-radiotherapie/
co
llege-aantekeningen/college-aantekeningen-coll
eges-1-2-7-12-20/520521/view
● De bouw van pijpbeenderen op
macroscopisch niveau beschrijven
en de onderdelen ervan benoemen
● De botten die in de onderstaande
trefwoordenlijst staan benoemen met
de juiste nomenclatuur, herkennen en
aanwijzen op afbeeldingen.
Lange beenderen
Epifyse: het uiteinde
Metafyse: het midden
Diafyse: de schans
Corpus: het lichaam
Extremitates: het uiteinde
Cavum medulare = mergholte
Korte beenderen
Substantia compacta = compact bot
Substantia spongiosa = spongieus bot
Platte beenderen = Bij deze botten liggen de buitenlagen dicht tegen elkaar aan.
Voorbeelden zijn de schedel, ribben, schouderbladen en heupbeenderen.
Onregelmatig gevormde beenderen = wervels en de hand- en voetwortelbeentjes.
Luchtbevattende beenderen = deze beenderen bevaten holtes die gevult zijn met lucht en
afgesloten met een slijmvlies.
sesambeenderen = een bot dat zich bevindt in het verloop van een pees. Een voorbeeld is
de knieschijf. Ook in de handen en voeten bevinden zich sesambeenderen.