Basis van psychodiagnostiek
1. Validiteit
Validiteit is de mate waarin de test aan zijn doel beantwoordt
= relevantie of betekenis of geldigheid van de maten.
Cf: weegschaal voor lengte, niet voor gewicht: meet de test wat hij beoogt te meten?
De validiteit wordt begrensd door de betrouwbaarheid
- Als de test al niet betrouwbaar is, is de test zeker ook niet valide (zie schietschijf).
- Maw: Een test kan perfect betrouwbaar zijn zonder dat hij valide is, maar hij kan niet valide
zijn als hij onvoldoende betrouwbaar is.
- Herinner je de schietschijfmetafoor!
1.1. Onderzoek naar de validiteit van een test
Er zijn drie hoofdtypes validiteit:
(0. Indruksvaliditeit (Engels: face validity) )
1. Inhoudsvaliditeit (Engels: content validity)
2. Construct validiteit (synoniem: begripsvaliditeit)
- 2.0 = onderzoek naar de interne structuur van de test.
- 2.1 Convergente validiteit (congruente validiteit).
- 2.2 Divergente (discriminante validiteit).
3. Criteriumvaliditeit
- 3.1 Concurrente validiteit (= gelijktijdige validiteit).
- 3.2 Predictieve validiteit.
1
, 1.1.0. Indruksvaliditeit (face validity)
= Wat lijkt de test te meten? – zie hoger.
Verwijst naar de opvattingen die de test oproept naar zinvolheid en toepasselijkheid bij de geteste en
testleider, louter op basis van de uiterlijke vorm en de presentatie van de test.
Kan belangrijk zijn om een positieve werkrelatie met de testkandidaat op te bouwen (acceptatie).
Maar, dus opgelet: verwarrende terminologie!!
- Is geen echte (psychometrische) validiteit.
- Is louter een subjectieve beoordeling door de geteste of testgebruiker ivm wat de test lijkt te
meten!!
1.1.1. Inhoudsvaliditeit (content validity of steekproefvaliditeit)
Met ‘inhoud’ wordt hier ‘volledigheid’ bedoeld.
- Gaat dus om de mate waarin de test volledig en omvattend het construct in kaart brengt.
Van de inhoudsvaliditeit wordt een schatting verkregen door te beoordelen hoezeer de inhoud van de
test een geheel van situaties, kennis of vaardigheden representeert waaruit conclusies mogen
getrokken worden voor de persoon.
- Heeft dus te maken met de representativiteit van de test: Items moeten alle niveau’s van
een construct dekken.
- Vb: Rekentoets over de hoofdbewerkingen moet zowel +, -, x en : bevatten.
Informatie over de inhoudsvaliditeit vind je doorgaans terug in (het begin van) de testhandleiding: de
bespreking van de bestaansreden van de test en de beschrijving van de wijze van constructie.
De inhoudsvaliditeit wordt niet kwantitatief uitgedrukt; het gaat om de gedachtegang (‘de rationale’)
van waaruit de test werd ontwikkeld.
Het vaststellen van de inhoudsvaliditeit is dus vooral een kwestie van oordelen, bijvoorbeeld door
experts.
Voorbeeld:
- De STAI (‘Stait and Trait Anxiety Inventory’) is een test die angst meet. De test bestaat uit
twee subschalen: één die toestandsangst en één die trekangst meet. Die twee schalen gaan
terug op wetenschappelijke literatuur waaruit blijkt dat angst die twee vormen kan
aannemen.
2
1. Validiteit
Validiteit is de mate waarin de test aan zijn doel beantwoordt
= relevantie of betekenis of geldigheid van de maten.
Cf: weegschaal voor lengte, niet voor gewicht: meet de test wat hij beoogt te meten?
De validiteit wordt begrensd door de betrouwbaarheid
- Als de test al niet betrouwbaar is, is de test zeker ook niet valide (zie schietschijf).
- Maw: Een test kan perfect betrouwbaar zijn zonder dat hij valide is, maar hij kan niet valide
zijn als hij onvoldoende betrouwbaar is.
- Herinner je de schietschijfmetafoor!
1.1. Onderzoek naar de validiteit van een test
Er zijn drie hoofdtypes validiteit:
(0. Indruksvaliditeit (Engels: face validity) )
1. Inhoudsvaliditeit (Engels: content validity)
2. Construct validiteit (synoniem: begripsvaliditeit)
- 2.0 = onderzoek naar de interne structuur van de test.
- 2.1 Convergente validiteit (congruente validiteit).
- 2.2 Divergente (discriminante validiteit).
3. Criteriumvaliditeit
- 3.1 Concurrente validiteit (= gelijktijdige validiteit).
- 3.2 Predictieve validiteit.
1
, 1.1.0. Indruksvaliditeit (face validity)
= Wat lijkt de test te meten? – zie hoger.
Verwijst naar de opvattingen die de test oproept naar zinvolheid en toepasselijkheid bij de geteste en
testleider, louter op basis van de uiterlijke vorm en de presentatie van de test.
Kan belangrijk zijn om een positieve werkrelatie met de testkandidaat op te bouwen (acceptatie).
Maar, dus opgelet: verwarrende terminologie!!
- Is geen echte (psychometrische) validiteit.
- Is louter een subjectieve beoordeling door de geteste of testgebruiker ivm wat de test lijkt te
meten!!
1.1.1. Inhoudsvaliditeit (content validity of steekproefvaliditeit)
Met ‘inhoud’ wordt hier ‘volledigheid’ bedoeld.
- Gaat dus om de mate waarin de test volledig en omvattend het construct in kaart brengt.
Van de inhoudsvaliditeit wordt een schatting verkregen door te beoordelen hoezeer de inhoud van de
test een geheel van situaties, kennis of vaardigheden representeert waaruit conclusies mogen
getrokken worden voor de persoon.
- Heeft dus te maken met de representativiteit van de test: Items moeten alle niveau’s van
een construct dekken.
- Vb: Rekentoets over de hoofdbewerkingen moet zowel +, -, x en : bevatten.
Informatie over de inhoudsvaliditeit vind je doorgaans terug in (het begin van) de testhandleiding: de
bespreking van de bestaansreden van de test en de beschrijving van de wijze van constructie.
De inhoudsvaliditeit wordt niet kwantitatief uitgedrukt; het gaat om de gedachtegang (‘de rationale’)
van waaruit de test werd ontwikkeld.
Het vaststellen van de inhoudsvaliditeit is dus vooral een kwestie van oordelen, bijvoorbeeld door
experts.
Voorbeeld:
- De STAI (‘Stait and Trait Anxiety Inventory’) is een test die angst meet. De test bestaat uit
twee subschalen: één die toestandsangst en één die trekangst meet. Die twee schalen gaan
terug op wetenschappelijke literatuur waaruit blijkt dat angst die twee vormen kan
aannemen.
2