Gedragsneurowetenschappen
Hoofdstuk 7B: Basis neuranatomie (CZS)
Inleiding
Het menselijke zenuwstelsel bestaat uit;
o Centrale zenuwstelsel
Hersenen, ruggenmerg
Het CZS verwerkt de continue stroom van informatie
Deze informatie kan zowel een externe als interne
oorsprong hebben
Deze informatie word aangeleverd (= afferente
informatie) door het PZS
Door zenuwcellen in verschillende organen en weefsel
die het PZS verbinden met het CZS
o Perifere zenuwstelsel
Alle neuronen buiten de hersen of het ruggenmerg
behoren bij het PZS
Het PZS ontblokt motorische reacties aan het lichaam
ten gevolge van impulsen (= efferente informatie)
uit het zenuwstelsel
Efferente = weg van de hersenen
Afferente = naar de hersenen toe
o Deze zorgen er beide voor dat sensorische en motorische
prikkels van het naar het zenuwstelsel worden geleid
Craniale zenuwen
= Zenuwen die ontspringen in de hersenen
Deze staan in verbinding met het ruggenmerg
Dit noemt men de spinale zenuwen (= Craniale zenuwen die in
verbinding staan met het ruggenmerg)
Ze zijn gemengd of enkel motorisch of sensorisch
Efferente zenuwvezels
Zijn motorisch en transporteren impulsen van het CZS naar de
spieren
, Afferente zenuwvezels
Zijn sensorisch van aard en vervoeren informatie vanuit de
zintuigreceptoren in het lichaam naar het CZS
Spinale zenuwen
Zijn gemengd sensorisch en motorisch
De bedoeling van de werking van de hersenen
In functie van gedrag is er verdere analyse van inkomende of
afferente zintuigelijke informatie (=iput)
Dan kan er motorisch programma (=output) in gang worden gezet
om te reageren op de omgeving
Anatomische posities
Positiebegrippen
Rostaal = In de richting van de neus
Caudaal = In de richting van de voeten
Ventraal = De voorzijde van het lichaam
= Aan de buikzijde
Anterieur = Voor een ander deel
Dorsaal = De achterzijde van het lichaam
= Aan de rugzijde
Posterieur = Achter een ander deel
Lateraal = Aan de zijkant van het lichaam
= Verder weg van het midden
Mediaal = Meer naar het midden toe
Proximaal = Dichtbij
Distaal = Ver weg van
Superieur = Boven een ander deel
Inferieur = Onder een ander deel
Ipsilateraal = Aan dezelfde hersenzijde
Contralateraal = Aan de andere hersenzijde kant
Hoofdstuk 7B: Basis neuranatomie (CZS)
Inleiding
Het menselijke zenuwstelsel bestaat uit;
o Centrale zenuwstelsel
Hersenen, ruggenmerg
Het CZS verwerkt de continue stroom van informatie
Deze informatie kan zowel een externe als interne
oorsprong hebben
Deze informatie word aangeleverd (= afferente
informatie) door het PZS
Door zenuwcellen in verschillende organen en weefsel
die het PZS verbinden met het CZS
o Perifere zenuwstelsel
Alle neuronen buiten de hersen of het ruggenmerg
behoren bij het PZS
Het PZS ontblokt motorische reacties aan het lichaam
ten gevolge van impulsen (= efferente informatie)
uit het zenuwstelsel
Efferente = weg van de hersenen
Afferente = naar de hersenen toe
o Deze zorgen er beide voor dat sensorische en motorische
prikkels van het naar het zenuwstelsel worden geleid
Craniale zenuwen
= Zenuwen die ontspringen in de hersenen
Deze staan in verbinding met het ruggenmerg
Dit noemt men de spinale zenuwen (= Craniale zenuwen die in
verbinding staan met het ruggenmerg)
Ze zijn gemengd of enkel motorisch of sensorisch
Efferente zenuwvezels
Zijn motorisch en transporteren impulsen van het CZS naar de
spieren
, Afferente zenuwvezels
Zijn sensorisch van aard en vervoeren informatie vanuit de
zintuigreceptoren in het lichaam naar het CZS
Spinale zenuwen
Zijn gemengd sensorisch en motorisch
De bedoeling van de werking van de hersenen
In functie van gedrag is er verdere analyse van inkomende of
afferente zintuigelijke informatie (=iput)
Dan kan er motorisch programma (=output) in gang worden gezet
om te reageren op de omgeving
Anatomische posities
Positiebegrippen
Rostaal = In de richting van de neus
Caudaal = In de richting van de voeten
Ventraal = De voorzijde van het lichaam
= Aan de buikzijde
Anterieur = Voor een ander deel
Dorsaal = De achterzijde van het lichaam
= Aan de rugzijde
Posterieur = Achter een ander deel
Lateraal = Aan de zijkant van het lichaam
= Verder weg van het midden
Mediaal = Meer naar het midden toe
Proximaal = Dichtbij
Distaal = Ver weg van
Superieur = Boven een ander deel
Inferieur = Onder een ander deel
Ipsilateraal = Aan dezelfde hersenzijde
Contralateraal = Aan de andere hersenzijde kant