BASISKENNIS TAALONDERWIJS
BASISKENNIS TAALONDERWIJS THYRSA KRUITBOS
, BASISKENNIS TAALONDERWIJS
Beginnende gele)erdheid:
- Boekoriënta:e
o Kinderen begrijpen dat illustra:es en tekst samen een verhaal vertellen.
o Ze weten dat boeken gelezen worden van voor naar achter en van links naar
rechts.
o Ze weten dat verhalen een opbouw hebben.
o Ze kunnen aan de hand van de omslag van een boek de inhoud van het boek al
enigszins voorspellen.
o Kinderen weten dat je een vraag over een boek kunt stellen. Deze vragen helpen
je om goed naar het verhaal te luisteren en te leKen op de illustra:es.
- Verhaalbegrip
o Kinderen begrijpen de taal van voorleesboeken. Ze zijn in staat om conclusies te
trekken naar aanleiding van een voorgelezen verhaal. Halverwege kunnen ze een
voorspelling doen over het verdere verloop van het verhaal.
o Kinderen weten dat de meeste verhalen zijn opgebouwd uit een situa:eschets en
een episode. Een situa:eschets geeN informa:e over de hoofdpersonen en de
plaats en :jd van handeling, in een episode doet zich een bepaald probleem voor
dat vervolgens wordt opgelost.
o Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal na spelen terwijl de leerkracht vertelt.
o Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal navertellen aanvankelijk met steun van
illustra:es.
o Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal voorlezen zonder hulp van illustra:es.
- Func:es van geschreven taal
o Kinderen weten dat geschreven taalproducten zoals brieRes, brieven, boeken en
:jdschriNen een communica:ef doel hebben.
o Kinderen weten dat symbolen zoals logo’s en pictogrammen verwijzen naar
taalhandelingen.
o Kinderen zijn zich bewust van het permanente karakter van geschreven taal.
o Kinderen weten dat tekenen en tekens produceren mogelijkheden bieden tot
communiceren.
o Kinderen weten wanneer er sprake is van de taalhandelingen ‘lezen’ en
‘schrijven’. Ze kennen het onderscheid tussen lezen en schrijven.
- Rela:e tussen gesproken en geschreven taal
o Kinderen weten dat gesproken woorden kunnen worden vastgelegd, op papier en
met audiovisuele middelen.
o Kinderen weten dat geschreven woorden kunnen worden uitgesproken.
o Kinderen kunnen woorden als globale eenheid lezen en schrijven. (Eigen naam,
namen van belangrijke personen/ dingen, logo’s en merknamen)
- Taalbewustzijn
o Kinderen kunnen woorden in zinnen onderscheiden.
o Kinderen kunnen onderscheid maken tussen de vorm en de betekenis van
woorden.
o Kinderen kunnen woorden in klankgroepen delen, zoals bij: kin-der-wa-gen.
o Kinderen kunnen reageren op en spelen met bepaalde klankpatronen in
woorden: eerst door eindrijm: pan rijmt op jan. En later met behulp van
beginrijm: kees en kim beginnen beiden met de k.
BASISKENNIS TAALONDERWIJS THYRSA KRUITBOS
BASISKENNIS TAALONDERWIJS THYRSA KRUITBOS
, BASISKENNIS TAALONDERWIJS
Beginnende gele)erdheid:
- Boekoriënta:e
o Kinderen begrijpen dat illustra:es en tekst samen een verhaal vertellen.
o Ze weten dat boeken gelezen worden van voor naar achter en van links naar
rechts.
o Ze weten dat verhalen een opbouw hebben.
o Ze kunnen aan de hand van de omslag van een boek de inhoud van het boek al
enigszins voorspellen.
o Kinderen weten dat je een vraag over een boek kunt stellen. Deze vragen helpen
je om goed naar het verhaal te luisteren en te leKen op de illustra:es.
- Verhaalbegrip
o Kinderen begrijpen de taal van voorleesboeken. Ze zijn in staat om conclusies te
trekken naar aanleiding van een voorgelezen verhaal. Halverwege kunnen ze een
voorspelling doen over het verdere verloop van het verhaal.
o Kinderen weten dat de meeste verhalen zijn opgebouwd uit een situa:eschets en
een episode. Een situa:eschets geeN informa:e over de hoofdpersonen en de
plaats en :jd van handeling, in een episode doet zich een bepaald probleem voor
dat vervolgens wordt opgelost.
o Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal na spelen terwijl de leerkracht vertelt.
o Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal navertellen aanvankelijk met steun van
illustra:es.
o Kinderen kunnen een voorgelezen verhaal voorlezen zonder hulp van illustra:es.
- Func:es van geschreven taal
o Kinderen weten dat geschreven taalproducten zoals brieRes, brieven, boeken en
:jdschriNen een communica:ef doel hebben.
o Kinderen weten dat symbolen zoals logo’s en pictogrammen verwijzen naar
taalhandelingen.
o Kinderen zijn zich bewust van het permanente karakter van geschreven taal.
o Kinderen weten dat tekenen en tekens produceren mogelijkheden bieden tot
communiceren.
o Kinderen weten wanneer er sprake is van de taalhandelingen ‘lezen’ en
‘schrijven’. Ze kennen het onderscheid tussen lezen en schrijven.
- Rela:e tussen gesproken en geschreven taal
o Kinderen weten dat gesproken woorden kunnen worden vastgelegd, op papier en
met audiovisuele middelen.
o Kinderen weten dat geschreven woorden kunnen worden uitgesproken.
o Kinderen kunnen woorden als globale eenheid lezen en schrijven. (Eigen naam,
namen van belangrijke personen/ dingen, logo’s en merknamen)
- Taalbewustzijn
o Kinderen kunnen woorden in zinnen onderscheiden.
o Kinderen kunnen onderscheid maken tussen de vorm en de betekenis van
woorden.
o Kinderen kunnen woorden in klankgroepen delen, zoals bij: kin-der-wa-gen.
o Kinderen kunnen reageren op en spelen met bepaalde klankpatronen in
woorden: eerst door eindrijm: pan rijmt op jan. En later met behulp van
beginrijm: kees en kim beginnen beiden met de k.
BASISKENNIS TAALONDERWIJS THYRSA KRUITBOS