Gespecialiseerde technieken: samenvatting
Yara Heselmans
2 CC-b
,2
,Filtratie
Inleiding
Gravimetrische reagentia zijn neerslagvormende reagentia.
Ze reageren niet specifiek maar selectief, omdat ze met een groep ionen met ongeveer
dezelfde chemische eigenschappen reageren.
Opmerking:
Er is een verschil tussen complexvorming en neerslagvorming!
Complexvorming: het ontstaan van een verbinding die in de oplossing blijft. Het
complex heeft dus dezelfde aggregatietoestand als de oplossing. Het gaat dus niet
neerslaan.
Neerslagvorming: het ontstaan van een vaste stof door overschrijden van het
oplosbaarheidsproduct van de oplossing. De neerslag bezinkt dan.
Neerslagvorming
Er kunnen zich 3 soorten neerslag vormen:
Kiemvorming
Homogene precipitatie
Colloïdale deeltjes
Kiemvorming
= Het proces waarbij enkele ion/molecuul eenheden een stabiele tweede fase vormen. Deze
stabiele fase worden kiemen genoemd
Er kunnen zich nieuwe kiemen vormen en bestaande kiemen kunnen groeien. In de grafiek
op volgende pagina wordt de snelheid van hun vorming/groei weergegeven i.f.v. de mate van
verzadiging.
3
, Een goede neerslag bestaat uit grote korrels. Deze neerslag verkrijgt men best als er geen
kiemvorming plaatsvindt (dus links van de groene lijn). Als men dan 1 ‘ent’ toevoegt (dit is 1
kiem) dan gaat enkel dit kiem groeien. Er ontstaat dan een monokristal.
Een goede neerslag bestaat dus uit weinig kiemen die verder kunnen groeien.
Dit gebeurt (zoals te zien op de grafiek) bij minimale oververzadiging.
Om minimale oververzadiging te kunnen realiseren moet er met volgende factoren rekening
gehouden worden:
Concentratie laag houden:
Ze bekomt men kristallijne neerslag.
Als het titrans bijvoorbeeld een hoge concentratie heeft of te snel wordt toegevoegd
kan men een te hoge verzadiging krijgen waardoor men colloïdale neerslag krijgt (=
heel veel fijne partikels) en dit wil men niet!
Bij hoge temperatuur werken:
Op deze manier verkrijgt men mooiere neerslag omdat de neerslag trager gevormd
wordt.
Roeren:
Zorgt voor homogeniseren van de oplossing waardoor ze minder snel verzadigd
wordt.
4