Veterinaire fysiologie l Mira Deckers
1
ZINTUIGEN
A. Belangrijkste aspecten
Sensorische cellen/receptoren vertalen specifieke stimuli naar elektrische signalen die
doorgestuurd worden naar CZS. (Sensorische receptoren zijn wél chemische structuren.)
Ze zijn selectief gevoelig voor bepaalde stimulus
= adequate stimuli
Receptoren zijn gevoeligst voor hun adequate stimulus, maar kunnen ook reageren op
zeer intense andere stimuli.
Pijn waarneming = niet gerelateerd aan specifiek type stimulatie en creëert onder
‘gevaarlijke’ omstandigheden een gevoel van onbehagen.
≠ soorten receptoren:
- Mechanorecptoren: gevoelig voor mechanische stimuli bv. bloeddruk,
spier/peesuitrekking
- Chemoreceptoren = reageren op specifieke moleculen in omgeving of lichaam
bv. reuk, smaak, hersenen, …
- Thermoreceptoren = gevoelig aan temperatuursschommelingen
bv. huid, hersenen, …
- Photoreceptoren = sensorische cellen van oog
- Elektroreceptoren = gevoeligheid voor elektrische velden
- Magnetoreceptoren = gevoeligheid voor magnetische velden
Ookal zijn de meeste receptoren zeer gevoelig toch wordt slechts een fractie van de
stimuli gedetecteerd. Zo kan het oog slechts een smalle band van electromagnetische
golven waarnemen en het oor heeft een gelimiteerd frequentie bereik. Sommige
belangrijke energievormen worden zelfs niet gedetecteerd! Bv. radio-actieve straling
Voor de fysische en chemische toestand van de omgeving te percipiëren
- 5 traditionele zintuigen: zicht, reuk, smaak, gehoor en tast = bewust
- Temperatuur (geen specifiek orgaan) en evenwichtswaarneming (via binnenoor)
=bewust
- Homeostase en spiercontrole = onbewust
Signaaltransmissie:
- De stimulus wordt gepercipieerd door sensorische cellen omgeven door weefsel.
- Het weefsel vervormt de stimulus voor ze aan de receptor van sensorische cel komt. -
- De conversie/transductie gebeurt in de sensorische cel. Elektrische E = ioneninflux die
MP van sensorische cel verandert tot eventueel een receptorpotentiaal (RP=AP)
- De sensorische cel zal het vervormde signaal doorgeven naar CZS.
- Daar wordt dan besloten of er een efferent effect is of niet.
, Veterinaire fysiologie l Mira Deckers
2
Actiemechanismen:
Mechanoreceptoren:
ionenkanalen zijn gesloten in rust, bij rekking van membraan gaan de ionenkanalen open
= inwaardse vloei van positieve ionen. Bv. osmoreceptoren
Chemoreceptoren:
binden selectief moleculen uit omgeving. Soms is er een direct effect na binding, soms is
er een second messenger in het spel.
Photoreceptoren:
De second messenger is actief en houdt de ionenkanalen OPEN in het donker. Bij
lichtstimulatie wordt de second messenger afgebroken waardoor dus ook de
ionenkanalen sluiten.
Gebruik van een second messenger = amplificatie mogelijkheid
→ tss de stimulus en Receptor Potentiaal ontstaat een versterking
= door stimulatie van 1 chemoreceptor worden er vele second messengers gevormd die
op hun beurt vele ionenkanalen kunnen beïnvloeden!
Primaire sensorische cellen = sensorische
neuronen met sensorische receptoren zitten
vervat in zenuwuiteinden → elke cel heeft eigen
zenuwvezel met axon dat zenuwimpuls geleid
= Doen alles zelf
Receptor potentiaal = gecodeerd in AP patroon. D.w.z. dat een klein # stroomgevoelige
ionenkanalen geen AP kunnen genereren. Wel wanneer het receptormembraan
gedepolariseerd geraakt en het signaal verspreidt naar nabijgelegen regio’s. Als zo de
drempelwaarde bereikt wordt = AP
Secundaire sensorische cellen = cellen die geen
axon hebben en dus synaps moeten vormen met
ander sensorische afferente zenuwvezels om
signalen door te kunnen geven. Hiervoor is dan ook
een release van neurotransmitters nodig
Receptief veld = deel van het lichaam dat bezenuwd wordt door 1 enkele zenuwvezel
Deze velden overlappen vaak om locatie van signaal beter te lokaliseren. Ook de grootte
van de velden hebben een belang in de lokalisering, want zo zullen 2 pikkels binnen
dezelfde veld slechts gepercipieerd worden als 1 pikkel. Naast lokalisering heeft de
grootte van het veld ook invloed op de gevoeligheid ervan. Hoe kleiner de receptieve
velden hoe gevoeliger voor prikkels.
Adaptatie:
aangezien zintuigen vooral gevoelig zijn aan wijzigingen in stimulussterkte, vermindert de
gevoeligheid t.o.v. een continue stimulus. Dit geldt enkel voor voortdurend en
ononderbroken stimulatie. En daarenboven kunnen niet alle receptoren adapteren en
sommige adapteren maar gedeeltelijk.
, Veterinaire fysiologie l Mira Deckers
3
Contrastversterking = vergroting van de verschillen tss de stimulatie van naast elkaar
liggende sensoren = laterale inhibitie bv. lippenstift, zwartlijntje boven ogen
A-C = huid rond mond & D-F = lippen met lippenstift
Doordat D sterk gestimuleerd wordt naast de geïnhibeerde C wordt de scheidingslijn
versterkt en wordt ze grotere voorgesteld dan ze eigenlijk is.
B. Somatische en viscerale sensaties
= inwendige info uit huid, spieren, pezen, …
Tactiele prikkels
huid is meest directe contact met omgeving → door deze afferente prikkelingen 3D
weergave van voorwerp/omgeving
De vrije, niet gemyeliniseerde zenuwuiteinden liggen op grens epidemis en dermis. Deze
adapteren traag en hebben een lage impulsconductiesnelheid.
De andere tactiele zenuwvezels hebben wel een myelineschede en zorgen voor een
snelle prikkelgeleiding. Deze liggen ook tss epidermis en dermis en zijn verbonden met
haarzakjes. Bv. snorharen met haarzakjes/vibrissae = zeer gevoelig (omgeving aftasten)
Temperatuurwaarneming
meest gevoelig aan temperatuursveranderingen = belangrijk in thermoregulatie
Proprioreceptoren
bezorgen CZS info over de positie en beweging van het lichaam (afk. uit spieren en pezen,
zelfs zonder visuele perceptie)
Spierkracht aanvoelen is nodig op kracht te doseren voor beweging of positie.
C. Pijn
= veiligheidsmechanisme/waarschuwingsprincipe dat beïnvloedbaar is door ervaringen
Pijnsensatie = angstwekkend en storend → stimulatie van sympaticus met gevolg stijging
van hartslag en bloeddruk en daling van doorbloeding in huid. Voor grootste deel
reflexmatig bepaald, maar ook sterke verbinding met limbisch systeem.
Meestal ongemyeliniseerde zenuwvezels.
Pijnvezels worden gestimuleerd door extreme temperaturen of sterke
chemische/mechanische stimuli.
Pijnreceptoren worden direct mechanisch gestimuleerd bij weefselbeschadiging en
indirect geactiveerd door vrijzetting van chemische substanties in beschadigd weefsel.
1
ZINTUIGEN
A. Belangrijkste aspecten
Sensorische cellen/receptoren vertalen specifieke stimuli naar elektrische signalen die
doorgestuurd worden naar CZS. (Sensorische receptoren zijn wél chemische structuren.)
Ze zijn selectief gevoelig voor bepaalde stimulus
= adequate stimuli
Receptoren zijn gevoeligst voor hun adequate stimulus, maar kunnen ook reageren op
zeer intense andere stimuli.
Pijn waarneming = niet gerelateerd aan specifiek type stimulatie en creëert onder
‘gevaarlijke’ omstandigheden een gevoel van onbehagen.
≠ soorten receptoren:
- Mechanorecptoren: gevoelig voor mechanische stimuli bv. bloeddruk,
spier/peesuitrekking
- Chemoreceptoren = reageren op specifieke moleculen in omgeving of lichaam
bv. reuk, smaak, hersenen, …
- Thermoreceptoren = gevoelig aan temperatuursschommelingen
bv. huid, hersenen, …
- Photoreceptoren = sensorische cellen van oog
- Elektroreceptoren = gevoeligheid voor elektrische velden
- Magnetoreceptoren = gevoeligheid voor magnetische velden
Ookal zijn de meeste receptoren zeer gevoelig toch wordt slechts een fractie van de
stimuli gedetecteerd. Zo kan het oog slechts een smalle band van electromagnetische
golven waarnemen en het oor heeft een gelimiteerd frequentie bereik. Sommige
belangrijke energievormen worden zelfs niet gedetecteerd! Bv. radio-actieve straling
Voor de fysische en chemische toestand van de omgeving te percipiëren
- 5 traditionele zintuigen: zicht, reuk, smaak, gehoor en tast = bewust
- Temperatuur (geen specifiek orgaan) en evenwichtswaarneming (via binnenoor)
=bewust
- Homeostase en spiercontrole = onbewust
Signaaltransmissie:
- De stimulus wordt gepercipieerd door sensorische cellen omgeven door weefsel.
- Het weefsel vervormt de stimulus voor ze aan de receptor van sensorische cel komt. -
- De conversie/transductie gebeurt in de sensorische cel. Elektrische E = ioneninflux die
MP van sensorische cel verandert tot eventueel een receptorpotentiaal (RP=AP)
- De sensorische cel zal het vervormde signaal doorgeven naar CZS.
- Daar wordt dan besloten of er een efferent effect is of niet.
, Veterinaire fysiologie l Mira Deckers
2
Actiemechanismen:
Mechanoreceptoren:
ionenkanalen zijn gesloten in rust, bij rekking van membraan gaan de ionenkanalen open
= inwaardse vloei van positieve ionen. Bv. osmoreceptoren
Chemoreceptoren:
binden selectief moleculen uit omgeving. Soms is er een direct effect na binding, soms is
er een second messenger in het spel.
Photoreceptoren:
De second messenger is actief en houdt de ionenkanalen OPEN in het donker. Bij
lichtstimulatie wordt de second messenger afgebroken waardoor dus ook de
ionenkanalen sluiten.
Gebruik van een second messenger = amplificatie mogelijkheid
→ tss de stimulus en Receptor Potentiaal ontstaat een versterking
= door stimulatie van 1 chemoreceptor worden er vele second messengers gevormd die
op hun beurt vele ionenkanalen kunnen beïnvloeden!
Primaire sensorische cellen = sensorische
neuronen met sensorische receptoren zitten
vervat in zenuwuiteinden → elke cel heeft eigen
zenuwvezel met axon dat zenuwimpuls geleid
= Doen alles zelf
Receptor potentiaal = gecodeerd in AP patroon. D.w.z. dat een klein # stroomgevoelige
ionenkanalen geen AP kunnen genereren. Wel wanneer het receptormembraan
gedepolariseerd geraakt en het signaal verspreidt naar nabijgelegen regio’s. Als zo de
drempelwaarde bereikt wordt = AP
Secundaire sensorische cellen = cellen die geen
axon hebben en dus synaps moeten vormen met
ander sensorische afferente zenuwvezels om
signalen door te kunnen geven. Hiervoor is dan ook
een release van neurotransmitters nodig
Receptief veld = deel van het lichaam dat bezenuwd wordt door 1 enkele zenuwvezel
Deze velden overlappen vaak om locatie van signaal beter te lokaliseren. Ook de grootte
van de velden hebben een belang in de lokalisering, want zo zullen 2 pikkels binnen
dezelfde veld slechts gepercipieerd worden als 1 pikkel. Naast lokalisering heeft de
grootte van het veld ook invloed op de gevoeligheid ervan. Hoe kleiner de receptieve
velden hoe gevoeliger voor prikkels.
Adaptatie:
aangezien zintuigen vooral gevoelig zijn aan wijzigingen in stimulussterkte, vermindert de
gevoeligheid t.o.v. een continue stimulus. Dit geldt enkel voor voortdurend en
ononderbroken stimulatie. En daarenboven kunnen niet alle receptoren adapteren en
sommige adapteren maar gedeeltelijk.
, Veterinaire fysiologie l Mira Deckers
3
Contrastversterking = vergroting van de verschillen tss de stimulatie van naast elkaar
liggende sensoren = laterale inhibitie bv. lippenstift, zwartlijntje boven ogen
A-C = huid rond mond & D-F = lippen met lippenstift
Doordat D sterk gestimuleerd wordt naast de geïnhibeerde C wordt de scheidingslijn
versterkt en wordt ze grotere voorgesteld dan ze eigenlijk is.
B. Somatische en viscerale sensaties
= inwendige info uit huid, spieren, pezen, …
Tactiele prikkels
huid is meest directe contact met omgeving → door deze afferente prikkelingen 3D
weergave van voorwerp/omgeving
De vrije, niet gemyeliniseerde zenuwuiteinden liggen op grens epidemis en dermis. Deze
adapteren traag en hebben een lage impulsconductiesnelheid.
De andere tactiele zenuwvezels hebben wel een myelineschede en zorgen voor een
snelle prikkelgeleiding. Deze liggen ook tss epidermis en dermis en zijn verbonden met
haarzakjes. Bv. snorharen met haarzakjes/vibrissae = zeer gevoelig (omgeving aftasten)
Temperatuurwaarneming
meest gevoelig aan temperatuursveranderingen = belangrijk in thermoregulatie
Proprioreceptoren
bezorgen CZS info over de positie en beweging van het lichaam (afk. uit spieren en pezen,
zelfs zonder visuele perceptie)
Spierkracht aanvoelen is nodig op kracht te doseren voor beweging of positie.
C. Pijn
= veiligheidsmechanisme/waarschuwingsprincipe dat beïnvloedbaar is door ervaringen
Pijnsensatie = angstwekkend en storend → stimulatie van sympaticus met gevolg stijging
van hartslag en bloeddruk en daling van doorbloeding in huid. Voor grootste deel
reflexmatig bepaald, maar ook sterke verbinding met limbisch systeem.
Meestal ongemyeliniseerde zenuwvezels.
Pijnvezels worden gestimuleerd door extreme temperaturen of sterke
chemische/mechanische stimuli.
Pijnreceptoren worden direct mechanisch gestimuleerd bij weefselbeschadiging en
indirect geactiveerd door vrijzetting van chemische substanties in beschadigd weefsel.